Oefentoets Biologie: Ecologie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 17
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
HAVO 4, HAVO 5
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Ecologie
2/6 Erwtenplanten.
Als een aantal ontkiemende erwten in een thermoskan wordt gedaan, verandert na verloop van tijd de temperatuur in de thermoskan.
Wordt de temperatuur in de thermoskan hoger of lager? Geef een verklaring voor je antwoord, waarbij je aangeeft door welk proces dit gebeurt.
Ecologie
3/6 Erwtenplanten. Zie figuur B 1584 van de bijlage.
De erwtenplant van de afbeelding vormde na de bloei twee typen zaden: ronde en hoekige, die in de verhouding 3 : 1 aan deze plant voorkwamen. Het type zaad wordt bepaald door een gen van het embryo in het zaad. Er is een allel voor hoekig zaad en een allel voor rond zaad.
Is deze erwtenplant homozygoot of heterozygoot voor het zaadtype? Geef een verklaring voor je antwoord met behulp van een kruisingsschema.
afbeelding
Ecologie
4/6 Erwtenplanten.
De erwtenplant behoort tot de vlinderbloemigen, evenals bijvoorbeeld lupine en klaver. Aan de wortels van vlinderbloemige planten zitten verdikkingen: de wortelknolletjes. In die wortelknolletjes leven bacteriën. Deze bacteriën nemen stikstofgas (N2
) uit de lucht op en gebruiken dit voor de vorming van stoffen waarvan een deel aan de plant ten goede komt. De bacteriën gebruiken op hun beurt organische stoffen die ze aan de erwtenplant onttrekken.
Met welk begrip wordt de beschreven voedselrelatie tussen deze bacteriën en de erwtenplant aangeduid?
Met het begrip [invulveld]
Ecologie
5/6 Erwtenplanten.
Zijn de bacteriën in de wortelknolletjes heterotroof of autotroof? Uit welk gegeven leid je dit af?
Ecologie
6/6 Erwtenplanten.
Vlinderbloemigen zoals luzerne worden wel verbouwd om de grond te bemesten. Nadat vlinderbloemige planten op een akker hebben gegroeid, wordt de grond in de herfst bewerkt, waarna een ander gewas wordt verbouwd.
Welke van de volgende bewerkingen in de herfst heeft de gunstigste invloed op de groei van dit nieuwe gewas?
Ecologie
1/6 Korstmossen. Zie figuur B 3003 van de bijlage.
Tekst: Op bomen, stenen en op droge zandgrond groeien korstmossen. Vroeger kregen ze die naam omdat ze op mossen lijken en men ze toen nog niet microscopisch onderzocht had. Later bleken korstmossen geen mossen te zijn. Ze bestaan uit wieren en schimmels. In afbeelding A zijn drie verschillende korstmossen getekend. In afbeelding B is een doorsnede van een korstmos weergegeven.
De wieren bevinden zich in het korstmos aan de bovenzijde.
Wat is de functie van wieren in een korstmos? Waardoor is de bovenzijde een geschikte plaats voor die wieren?
afbeelding
Ecologie
2/6 Korstmossen.
De term 'soort' voor een korstmos is strikt genomen niet van toepassing.
Leg uit dat de term soort hier niet van toepassing is.
Ecologie
3/6 Korstmossen.
In Noord-Scandinavië leven rendieren voornamelijk van korstmossen.
Welke ecologische rol vervullen de korstmossen en welke de rendieren in Noord-Scandinavië?
afbeelding
Ecologie
4/6 Korstmossen. Zie figuur C 308 van de bijlage.
In de afbeelding staan drie diagrammen over veranderingen die zich in een korstmos op een bepaalde plaats kunnen afspelen.
In de grafieken van de afbeelding zijn zes perioden te onderscheiden:
Periode 1: 20.00-24.00 uur Periode 2: 24.00- 5.00 uur Periode 3: 5.00- 6.00 uur Periode 4: 6.00- 9.00 uur Periode 5: 9.00-19.00 uur Periode 6:19.00-20.00 uur
Leid uit de diagrammen van de afbeelding af in welke periode of in welke perioden de biomassa van het korstmos toeneemt.
In periode [invulveld]
afbeelding
Ecologie
5/6 Korstmossen. Zie figuur C 308 van de bijlage.
Periode 1: 20.00-24.00 uur Periode 2: 24.00- 5.00 uur Periode 3: 5.00- 6.00 uur Periode 4: 6.00- 9.00 uur Periode 5: 9.00-19.00 uur Periode 6:19.00-20.00 uur
In welke van de hierboven genoemde perioden (in de gehele periode of in een deel ervan) vindt er zowel fotosynthese als dissimilatie plaats?
In de periode [invulveld] en periode [invulveld]
afbeelding
Ecologie
6/6 Korstmossen. Zie figuur C 308 van de bijlage.
Welke van onderstaande factoren is om negen uur 's morgens bij dit korstmos beperkend voor de fotosynthese?
afbeelding
Ecologie
1/4 Sluipwesp dringt mierennest binnen door chemische oorlogvoering. Zie figuur B 6817 van de bijlage.
Tekst: Sommige vlindersoorten vertonen een wonderlijke relatie met een mierensoort. Het zeldzame Kruisbladblauwtje (Maculinea rebeli) dat voorkomt in de Europese berggebieden, vertoont zogeheten myrmecofilie: mierenliefde. Als de rupsen van de vlinder uit de eitjes komen, doen ze zich eerst tegoed aan de bloemen en vruchten van de kruisbladgentiaan. Na een paar weken laten de rupsen zich naar beneden vallen. Daarna worden ze meegenomen door knoopmieren, die de rupsen op grond van de chemische samenstelling van de huid menen te herkennen als koloniegenoten. De mieren halen daarmee een veeleisend koekoeksjong' in huis, want de rupsen, die lijken op een forse uitvoering van de larven van de mier, zijn flinke eters die veel aandacht vragen van de werksters. Bovendien krijgen de rupsen ook bescherming. Indringers worden te vuur en te zwaard bevochten. Vrouwtjes van een sluipwesp (Ichneumon eumerus) leggen hun eieren in de rupsen van deze vlinder. Bij het binnendringen van het nest, verspreidt de sluipwesp een chemische cocktail die de mieren in totale verwarring brengt. Allereerst worden de mieren door deze stoffen aangetrokken, vervolgens worden ze tot een soort razernij opgezweept, en daarna maken stoffen uit het mengsel dat ze elkaar niet meer als nestgenoten herkennen en hun agressie op elkaar botvieren. Tijdens het vechten brengen ze de chemische verbindingen op elkaar over, zodat een kettingreactie van onderlinge strijd ontstaat. De sluipwesp kan nu redelijk ongestoord naar de broedkamers van het nest van de mieren gaan en haar eieren in de rupsen van het blauwtje leggen die zich vervolgens tegoed gaan doen aan mierenbroed.
bewerkt naar: Rik Nijland, 'Sluipwesp dringt mierennest binnen door chemische oorlogvoering', de Volkskrant, 1 juni 2002
Welke relatie bestaat er tussen de knoopmier en het blauwtje? Welke relatie bestaat er tussen de sluipwesp en het blauwtje?
afbeelding
afbeelding
Ecologie
2/4 Sluipwesp dringt mierennest binnen door chemische oorlogvoering. Zie figuur B 6815 van de bijlage.
Het Kruisbladblauwtje (Maculinea rebeli) is nauw verwant aan het in Nederland levende Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon). Het overeenkomstige deel Maculinea in beide namen laat dit zien.
Hoe heet dit overeenkomstige deel?
afbeelding
Ecologie
3/4 Sluipwesp dringt mierennest binnen door chemische oorlogvoering. Zie figuur B 6816 van de bijlage.
Van een aantal in de tekst genoemde organismen is in de afbeelding hieronder de voedselrelatie schematisch getekend.
afbeelding
Leg uit met behulp van de afbeelding hierboven dat de rupsen van het blauwtje (B 6816) zowel consumenten van de eerste orde als consumenten van de tweede orde genoemd kunnen worden.
afbeelding
Ecologie
4/4 Sluipwesp dringt mierennest binnen door chemische oorlogvoering.
Sommige wetenschappers willen onderzoeken of een van de door de sluipwesp geproduceerde stoffen een gifstof is en ook gebruikt kan worden als bestrijdingsmiddel tegen andere mieren, die een plaag zijn geworden.
Leg uit dat zo'n door de sluipwesp geproduceerde gifstof, biologisch gezien, een gunstig alternatief kan zijn voor het gebruikelijke algemeen insecticide.
Ecologie
1/2 Een vrije markt in de natuur. Zie figuur B 3607 van de bijlage.
Tekst: Een schoolvoorbeeld van een vrije markt in de natuur, met handel tussen verschillende soorten, is de samenwerking tussen mieren en rupsen van blauwtjes (kleine dagvlinders). De mieren beschermen de rupsen tegen roofvijanden en parasieten. De rupsen serveren op hun beurt aan de mieren een suikerrijke vloeistof, nectar, die ze in een speciale klier op de rug produceren.
bewerkt naar: Ronald Noë, Vraag en aanbod op de biologische markt, Natuur & Techniek maart 2001, 34-39 bron: Ronald Noë, Vraag en aanbod op de biologische markt, Natuur & Techniek maart 2001, 38
Zie figuur B 3606 van de bijlage.
In de afbeelding is in een diagram het verband weergegeven tussen de hoeveelheid nectar die een blauwtjesrups produceert en het aantal mieren rond zo'n rups. Uit het eerste gedeelte van de grafiek (deel P) blijkt dat bij toename van het aantal omringende mieren de nectarproductie van de rups stijgt.
- Leg uit dat dit voor de rupsen functioneel is.
In deel Q zie je geen verdere stijging van de nectarproductie per rups.
- Leg uit dat ook dit voor de rups functioneel is.
afbeeldingafbeelding
Ecologie
2/2 Een vrije markt in de natuur. Zie figuur B 3606 van de bijlage.
Soms komen enkele blauwtjesrupsen bij elkaar en zorgen samen voor nectar. Onder die rupsen zijn wel eens 'profiteurs' die zelf geen nectar kunnen maken, maar zo wel beschermd worden door de mieren.
Waardoor kan een dergelijk profiteurgedrag in de evolutie ontstaan? Leg ook uit dat dit profiteurgedrag zich wel kan handhaven bij kleine aantallen profiteurs maar niet bij grote aantallen profiteurs.
afbeelding
Ecologie
1/4 Vegetatiezones. Zie figuur B 3624 van de bijlage.
In het Andesgebergte in Colombia vind je verschillende vegetatiezones. Van laag naar hoog: tropisch bos, bergbos, struikpáramo (een zone met voornamelijk struikgewas) en ten slotte páramo (een soort alpenweide zonder bomen en struiken). Daarboven is geen vegetatie meer, maar bevindt zich eeuwige sneeuw (zie de afbeelding).
Abiotische milieufactoren zijn water, licht, bodem, temperatuur, wind en lucht.
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
afbeelding
Ecologie
2/4 Vegetatiezones. Zie figuur B 3624 van de bijlage.
Onder biodiversiteit wordt hier verstaan het aantal verschillende soorten in een ecosysteem. In bovenstaande afbeelding zijn vier zones aangegeven met de letters P, Q, R en S.
In welke zone is de biodiversiteit het kleinst?
afbeelding
Ecologie
3/4 Vegetatiezones.
Bogotá ligt op een hoogvlakte op 2550 meter boven zeeniveau. Vroeger was deze hoogvlakte de bodem van een meer tussen twee bergruggen; 30.000 jaar geleden viel dit meer droog. Op de hoogvlakte zijn stuifmeelkorrels te vinden van planten die vroeger rond het meer stonden en van planten die op de berghellingen stonden. Iedere plantensoort heeft zijn eigen type stuifmeelkorrels (pollenkorrels). Door pollenanalyse wordt bepaald wat het aandeel is van de verschillende typen stuifmeelkorrels in de lagen die op de bodem van het meer zijn afgezet.
Onder welke omstandigheden blijven stuifmeelkorrels het best bewaard?