Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 - variant 7

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

2/2 Een muis in een doolhof.

Na enkele uren loopt de muis niet meer de doolhof in, als hij bij de ingang wordt gezet.

Noem de inwendige prikkel die dan ontbreekt om de doolhof in te gaan.

Gedrag

1/2 Jonge eendjes.

Bij een onderzoek naar het gedrag van jonge eendjes worden enkele eendeneieren uitgebroed door een kip.
Tijdens het onderzoek zijn er geen andere eenden in de buurt. Als de jonge eendjes uit het ei komen, beschouwen ze de kip als hun 'moeder'. Ze lopen achter de kip aan, zoals pas uitgekomen eendjes achter een moedereend aanlopen. Als de kip bij een sloot komt, springen de eendjes zonder aarzelen in het water en zwemmen heen en weer. De kip blijft op de kant achter en loopt langs de sloot op en neer op de plek waar de eendjes in de sloot zwemmen.

Na het uitkomen van de eieren leren de jonge eendjes dat de kip hun 'moeder' is.

Hoe wordt deze vorm van leren genoemd?

Gedrag

2/2 Jonge eendjes.

Als de eendjes aan de slootkant komen, springen ze in het water.

Is dit gedrag erfelijk of aangeleerd? Leg je antwoord uit.

Gedrag

1/2 Varkens.

In een tijdschrift stond de volgende tekst:
Op het biologische varkensbedrijf van Hans Donkers lopen alle dieren los in hun hok. Als de boer een hok binnenstapt, vliegen de biggen alle kanten op. Het moederdier staat langzaam op, maar doet verder niets. Als boer Donkers een big oppakt, begint de big te krijsen. Meteen schiet het moederdier naar voren. Ze gromt, snuift en duwt met haar kop tegen Donkers' benen.

Wat is de uitwendige prikkel voor het gedrag van het moederdier als een big wordt opgepakt?

Gedrag

2/2 Varkens.

Wat is de functie van dit gedrag?

Gedrag

1/3 Leeuw en gazelle.

Een leeuw besluipt een gazelle, die aan het drinken is bij een kleine waterplas. Wanneer de leeuw op ongeveer tien meter van de gazelle is, neemt hij een aanloop om de gazelle te bespringen. De gazelle ziet de leeuw op het allerlaatste moment en sprint weg. De leeuw doet nog een poging om de gazelle te achterhalen, maar de gazelle is veel sneller en kan gemakkelijk ontsnappen.

Wat is de inwendige prikkel voor het sluipgedrag van de leeuw? Deze prikkel is [invulveld]

Gedrag

2/3 Leeuw en gazelle.

Wat is de uitwendige prikkel voor het sluipgedrag van de leeuw?

Gedrag

3/3 Leeuw en gazelle.

Wat is de uitwendige prikkel voor het vluchtgedrag van de gazelle?

Gedrag

1/2 Gedrag bij visarenden.
Zie figuur B 3345 van de bijlage.
Zie figuur B 3346 van de bijlage.

Visarenden zijn roofvogels die soms in groepen leven.
Onderzoekers tellen in een bepaalde periode hoe vaak en in welke richting de visarenden uit een groep wegvliegen. De resultaten worden in de afbeelding B 3346 weergegeven.

Leid uit de afbeeldingen af hoeveel visarenden tijdens het onderzoek weggevlogen zijn in richtingen tussen noord en oost (deel 2 in de afbeelding).

dit aantal is [invulveld]

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Gedrag bij visarenden.
Zie figuur B 3346 van de bijlage.

De gegevens in de afbeelding zijn uit een periode dat geen enkele visarend met een vis terugkeerde naar de groep. Op een bepaald moment komt een visarend uit het noorden terugvliegen met een vis in zijn bek. In de periode hierna verandert het uitvlieggedrag van de andere vogels sterk.
De resultaten van tellingen in die periode zijn in de afbeelding weergegeven.

De resultaten van de tellingen uit beide perioden worden vergeleken.

Vergelijk de resultaten en schrijf een conclusie op over het uitvlieggedrag van de visarenden.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/3 Flitsende insecten.

Tekst:
Bij veel soorten van de vuurvliegfamilie speelt bij de balts het geven van lichtflitsen een belangrijke rol. Elke soort heeft een eigen patroon van flitsen. In bepaalde gebieden komen diverse soorten van deze familie naast elkaar voor.
Bij de vuurvlieg Photinus consimilis geeft het mannetje, zwevend boven de grond, "flitstreintjes" (series lichtflitsen) af. Ongeveer 6-10 seconden na een flitstrein begint het vrouwtje, zittend op de grond, met een zwakker licht terug te seinen. Deze reactie kan ervoor zorgen dat het mannetje naar de grond komt en er een paring plaatsvindt.
Twee onderzoekers bestudeerden de reactie van het vrouwtje op zowel de flitsfrequentie als op de flitslengte van de flitsen van een mannetje.

bewerkt naar: M. Branham en M. Greenfield, Flashing males win mate success, Nature 381, 27 juni 1996, 745-746

Leg uit dat het voor een vruchtbaar nageslacht belangrijk is dat het vrouwtje van een bepaalde vuurvliegsoort de frequentie en/of lengte van lichtflitsen van een mannetje kan bepalen.

Gedrag

2/3 Flitsende insecten.

Wat is de biologische term voor de serie lichtflitsen die bij het vrouwtje een terugseinreactie opwekt?

Gedrag

3/3 Flitsende insecten.
Zie figuur B 2976 van de bijlage.

In de afbeelding is onder andere de relatie tussen de flitsfrequentie en de flitslengte van mannetjes en het percentage vrouwtjes dat hierop reageert uitgezet.

Welke van de volgende conclusies over de voorkeur van vrouwtjes is juist of welke conclusies zijn juist, op grond van de diagrammen?

1. Vrouwtjes hebben een voorkeur voor mannetjes met een hoge flitsfrequentie.
2. Vrouwtjes hebben een voorkeur voor mannetjes met een korte flitslengte.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/2 Haaien.

Haaien vallen meestal geen mensen aan. Zij beschouwen mensen niet als prooidieren. Toch zijn er mensen die vervelende ervaringen hebben met haaien. Soms vallen haaien langs de Amerikaanse kust mensen aan die rustig liggen te dobberen op hun surfplank.
Onlangs meenden duikers een verklaring voor dit gedrag van de haaien te hebben gevonden. Van onderaf gezien lijkt een surfer met de benen naast de surfplank op een zeehond. Zeehonden staan wel op het menu van haaien.
In het beschreven aanvalsgedrag van de haaien spelen motiverende factoren en prikkels een rol.

Wat is de motiverende factor voor het aanvalsgedrag van een haai? dit is [invulveld]

Gedrag

2/2 Haaien.

En wat is de prikkel?

Gedrag

1/2 Apengedrag.

In een dierentuin zie je vaak dat apen elkaar ‘vlooien'. De ene aap plukt dan pluisjes, zandkorrels of huidschilfers uit de vacht van een andere aap. Vlooien is eigenlijk geen goede naam, want apen hebben zelden vlooien.
Uit het vlooigedrag is de rangorde af te leiden. Wie hoog in de rangorde staat, wordt gevlooid door een aap uit een lagere orde.
Het gedrag van een groepje van vier apen wordt in een dierentuin bestudeerd.
Eerst wordt een ethogram gemaakt (zie de tabel).

afbeeldingafbeelding

'Vlooien' en 'gevlooid worden' zijn vormen van sociaal gedrag.

Noem twee andere gedragselementen uit het ethogram die behoren tot sociaal gedrag.

Gedrag

2/2 Apengedrag.
Zie figuur A 962 van de bijlage.

Gedurende enkele weken wordt anderhalf uur per dag het gedrag van de vier apen bestudeerd en in een protocol genoteerd. De resultaten worden in een diagram uitgezet (zie de afbeelding).

Volgens de informatie kan uit het vlooigedrag van de vier apen afgeleid worden, welke aap het hoogst in de rangorde staat.

Geef de naam van deze aap. Leg je antwoord uit met behulp van de resultaten van het onderzoek.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/3 Apengedrag.
Zie figuur A 741 van de bijlage.

Veel apensoorten leven in groepen. In zo'n groep vertonen de apen onder andere sociaal gedrag.
Wetenschappers hebben bij twee apensoorten onderzocht hoeveel tijd werd besteed aan verschillende vormen van sociaal gedrag. De resultaten zijn weergegeven in de afbeelding.

Hoeveel procent van de tijd die aan sociaal gedrag werd besteed, werd door de beide apensoorten gebruikt voor vlooien?

soort P: [invulveld] %
soort Q: [invulveld] %

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/3 Apengedrag.
Zie figuur A 741 van de bijlage.

Uit de afbeelding blijkt, dat tijdens het onderzoek alleen soort Q agressief gedrag vertoonde.

Noem een functie van agressief gedrag binnen een groep.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

3/3 Apengedrag.

Noem nog een andere vorm van sociaal gedrag die alleen bij soort Q werd waargenomen.

afbeeldingafbeelding