Oefentoets Biologie: Dierfysiologie | VWO 1/VWO 2/VWO 3 | variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Dierfysiologie

Lichamelijke inspanning.

Er worden drie beweringen gedaan over de effecten van lichamelijke inspanning:

1. de warmteproductie neemt toe,
2. de longventilatie neemt af,
3. de warmte-afgifte wordt geremd.

Welke van deze drie beweringen is(zijn) juist?

Dierfysiologie

Luchtdichte bak met muizen.
Zie figuur B 850 van de bijlage.

In een bak worden enkele muizen gezet. De bak wordt daarna luchtdicht afgesloten. De eerste 10 minuten rennen de muizen heen en weer, daarna gaan ze slapen. Regelmatig wordt het zuurstofgehalte in de bak gemeten.
De resultaten zijn uitgezet in een diagram.

Welk diagram kan deze resultaten juist weergeven?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Luchtdichte bak met muizen. (2)
Zie figuur B 381 van de bijlage.

Vier even grote muizen bevinden zich in afgesloten bakken met lucht (zie tekening).
Muizen hebben energie nodig om hun lichaamstemperatuur constant te houden.
De temperatuur in de bakken 1 en 3 is 5°C.
De temperatuur in de bakken 2 en 4 is 20°C.
De muizen in de bakken 1 en 2 slapen.
De muis in bak 3 is net zo actief als die in bak 4.

In welke bak neemt waarschijnlijk het zuurstofgehalte het snelst af?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Processen in het lichaam van een dier.

Twee beweringen over processen in het lichaam van een dier zijn:

I. Het vrijmaken van energie uit glucose met behulp van zuurstof is een verbrandingsproces.
II. Het opbouwen van eiwitten is een verbrandingsproces.

Dierfysiologie

Onderzoek naar de hartslag.
Zie figuur B 700 van de bijlage.

De inspanning van een proefpersoon was gedurende een uur niet steeds dezelfde.
Tijdens dit uur werd bij de proefpersoon het aantal hartslagen per minuut bepaald.
De resultaten zijn uitgezet in het diagram.

In welk kwartier nam de lichamelijke inspanning zeker toe?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Ruimten met gelijke aantallen witte muizen.

In twee luchtdicht afgesloten even grote ruimten bevinden zich gelijke aantallen witte muizen.
Beide ruimten zijn met lucht gevuld.
In ruimte 1 zitten de muizen stil.
In ruimte 2 rennen de muizen heen en weer.
Na 10 minuten worden de hoeveelheden zuurstof en kooldioxide in beide ruimten bepaald.

Wat zal nu blijken?

Dierfysiologie

Een kikker in de zomer en in de winter.

Een kikker kan in een sloot in de modder overwinteren.
Raakt dit dier echter 's zomers in de modder, dan zal hij na enige tijd sterven.

Men bekijkt nu de volgende factoren zowel 's zomers als 's winters:

1. het stofwisselingsniveau van de kikker,
2. de grootte van het ademhalingsoppervlak,
3. het zuurstofgehalte van modder,
4. de diffusiesnelheid van zuurstof.

Welke van deze factoren zal/zullen zodanig veranderen dat overwinteren in de modder mogelijk is?

Dierfysiologie

Dieren met een wisselende lichaamstemperatuur.

Dieren met een wisselende lichaamstemperatuur zullen in de winter

Dierfysiologie

Zuurstofverbruik bij volwassen Groene kikkers.

Volwassen Groene kikkers overwinteren in de modder op de bodem van een sloot.
Tijdens de overwintering verbruiken deze kikkers zuurstof.

Is het zuurstofverbruik in de winter hoger of lager dan in de zomer?
Wordt de zuurstof 's winters opgenomen via de huid of via de longen?

Dierfysiologie

Energieverbruik bij dieren.

Zowel bij koudbloedige als bij warmbloedige dieren varieert het energieverbruik in de loop van het jaar.

Het energieverbruik is relatief hoog bij

Dierfysiologie

Temperatuur en zuurstof.

Aangenomen wordt dat een zeehond en een kikker zich elk in water van 10°C bevinden, waarvan de temperatuur in vrij korte tijd tot 20°C stijgt. Bovendien wordt aangenomen dat beide dieren voor, gedurende en na de temperatuurstijging in rust zijn.

Van welk dier stijgt de lichaamstemperatuur gedurende de temperatuurverhoging van het water het meest?
Welk dier verbruikt bij een watertemperatuur van 20°C meer zuurstof dan bij een watertemperatuur van 10°C?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Energieverbruik bij dieren.

Zowel bij koudbloedige als bij warmbloedige dieren verandert het energieverbruik in de loop van het jaar.

Het energieverbruik is hoog bij

Dierfysiologie

Zeehond en een kikker vergeleken.

Aangenomen wordt dat een zeehond en een kikker zich elk in water van 10°C bevinden, waarvan de temperatuur in vrij korte tijd tot 20°C stijgt.
Bovendien wordt aangenomen dat beide dieren voor, gedurende en na de temperatuurstijging in rust zijn.

Van welk dier stijgt de lichaamstemperatuur gedurende de temperatuurverhoging van het water het meest?
Welk dier heeft bij een watertemperatuur van 10°C een hoger zuurstofverbruik dan bij een watertemperatuur van 20°C?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Twee muizen en twee kikkers.
Zie figuur B 791 van de bijlage.

Twee muizen en twee kikkers liggen elk in een afgesloten bak te slapen (zie tekening).
De vier dieren zijn elk ongeveer even zwaar.

Welk dier verbruikt in een uur waarschijnlijk de grootste hoeveelheid energie?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

De waterbalans bij de mens.

Het lichaam van de mens bestaat voor ongeveer 70% uit water.
Elke dag moet een mens ongeveer evenveel water opnemen als afgeven.
In een gematigd klimaat, zoals in Nederland, neemt een volwassen mens elke dag zo'n 1 à 2 liter water op.
In tropische gebieden is die hoeveelheid wel zo'n 4 à 5 liter per dag.

Raakt de mens water kwijt bij de uitademing?
Wordt water gebruikt voor het maken van spijsverteringssappen?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Lichaamstemperatuur van zes groepen dieren.

Hieronder worden zes groepen dieren genoemd:

- amfibieën, reptielen, vogels, insecten, vissen, zoogdieren.

Welke van deze dieren hebben een constante lichaamstemperatuur?

Dierfysiologie

Wachten in de kou.

Jan staat op een winterdag bij de bushalte te wachten. Hij heeft het koud. Als de bus stopt, stapt Jan in. In de bus is het warm.

Gaat er bij Jan in de bus per minuut meer bloed door de huid stromen dan toen Jan in de kou stond?
Zal Jan per minuut meer zweet gaan vormen?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

'lichaamsbekleding' van vogels en zoogdieren.

Bij veel vogels en zoogdieren die in ons klimaat in de vrije natuur leven, zal de 'lichaamsbekleding'

Dierfysiologie

Dalende omgevingstemperatuur

Een proefpersoon bevindt zich in een ruimte waarin de temperatuur daalt van 20°C naar 5°C. Hij trekt geen extra kleren aan.

Neemt het warmteverlies van deze persoon toe of af?
En de warmteproductie?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Een experiment met goudvissen.

Iemand doet een experiment met goudvissen.

In aquarium 1 heeft hij één goudvis.
In aquarium 2 heeft hij één goudvis en een aantal waterplanten met bladgroen.
In aquarium 3 heeft hij vijftien goudvissen.
In aquarium 4 heeft hij vijftien goudvissen en een aantal waterplanten met bladgroen.

Alle aquaria zijn even groot en bevatten even veel water. Bij het begin van de proef zijn de omstandigheden in elk aquarium hetzelfde. Alle aquaria staan in het zonlicht. Om de dertig minuten wordt gedurende een minuut het aantal ademhalingsbewegingen van een goudvis uit elke bak geteld en opgeschreven in een tabel.
afbeeldingafbeelding

Welke van de bovenstaande tabellen is waarschijnlijk van toepassing op aquarium 3, waarin alleen de vijftien goudvissen zitten?