Oefentoets Biologie: Bloed - Algemeen | VWO 5/VWO 6 | variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Bloed

Bloedsomloop.
Zie figuur B 2363 van de bijlage.

Op een aantal plaatsen in de bloedsomloop van een proefpersoon worden de volgende vier grootheden bepaald:

1. de bloeddruk,
2. de stroomsnelheid van het bloed,
3. het oppervlak van de totale inwendige doorsnede van de bloedvaten,
4. de hoeveelheid bloedplasma per mL bloed.

De resultaten van de metingen van een van deze grootheden zijn in het diagram van de afbeelding uitgezet.

Van welke van de genoemde grootheden zijn de resultaten van de metingen in het diagram uitgezet?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Lucht in de longblaasjes.

De tabel geeft de druk weer van zuurstof (pO2 ), koolstofdioxide (pCO2 ) en stikstof (pN2 ) in de lucht in de longblaasjes van de mens, in het bloed in de aorta en in het bloed in de holle aders.

afbeeldingafbeelding

Naar aanleiding van deze gegevens worden de volgende uitspraken gedaan:

1. het bloed in de longslagader heeft een pO2 van ongeveer 5,3 kPa;
2. de pCO2 in de weefsels is gelijk aan of hoger dan 6,0 kPa;
3. de pN2 in het bloed van de longhaarvaten is duidelijk lager dan 76,5 kPa.

Welke uitspraak kan of welke uitspraken kunnen juist zijn?

Bloed

Ademhaling en bloed.

Een proefpersoon bevindt zich in rust. Op een bepaald moment wordt hem gevraagd een aantal keren achter elkaar snel en diep in en uit te ademen, terwijl hij verder in rust blijft.

Welke verandering treedt er in het bloed in de longader op door deze diepe en snelle ademhalingen?

Bloed

Bloedgassen.
Zie figuur B 282 van de bijlage

Bij een inktvissoort S is de O2 -verzadiging van het bloed bij verschillende pO2 bepaald. De resultaten zijn in de diagrammen door de grafieken e en f weergegeven.
Grafiek e geldt voor een pCO2 = 267 Pa en grafiek f voor een pCO2 = 800 Pa. (1 Pa = 7,5 x 10-3 mm Hg)
Inktvissoort T leeft in een milieu met minder O2 en meer CO2 dan soort S.
De dieren zijn goed aan hun milieu aangepast.

Hoe zullen de zuurstofdissociatiecurven van het bloed van inktvissoort T lopen bij pCO2 = 267 Pa en hoe bij pCO2 = 800 Pa?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bloed

Bloed.

Het bloed van de mens verschilt van het bloed van een regenworm omdat

Bloed

Een bloedvatenstelsel.
Zie figuur B 1688 en B 1689 van de bijlage.

In de afbeelding B 1688 is het bloedvatenstelsel van een bepaald weekdier schematisch weergegeven De hartkamer is aangegeven met W; de hartboezems zijn aangegeven met R. Op de plaatsen P en S bevinden zich kleppen tussen de kamer en de bloedvaten.

Zie figuur B 1689 van de bijlage.

In de schema's van de afbeelding B 1689 zijn de standen van de kleppen bij P en S op vier verschillende wijzen weergegeven. De hartkamer Q trekt zich samen.

In welk van deze schema's zijn de standen van de kleppen in die situatie juist getekend?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Bloed

Doorstroming en temperatuur.
Zie figuur B 195 van de bijlage.

De tekening stelt een dwarsdoorsnede voor van een onderarm van een mens.
Afhankelijk van de omstandigheden stroomt er per minuut meer of minder bloed door de oppervlakkig gelegen aders dan door de dieper gelegen aders. Ook kan de totale hoeveelheid bloed die door de aders stroomt, variëren.
De hoeveelheid bloed die door de oppervlakkig gelegen aders stroomt, wordt in onderstaande situaties bepaald:

1. bij een hoge omgevingstemperatuur en tijdens inspanning;
2. bij een hoge omgevingstemperatuur en tijdens rust;
3. bij een lage omgevingstemperatuur en tijdens inspanning;
4. bij een lage omgevingstemperatuur en tijdens rust.

In een van deze situaties stroomt er meer bloed door de oppervlakkig gelegen aders dan in de andere situaties.

In welke situatie is dit het geval?

afbeeldingafbeelding

Bloed

De (schematische) bloedsomloop van een vis.
Zie figuur B 220 van de bijlage.

In de figuur staat een deel van de bloedsomloop van een vis schematisch getekend.

Welke organen worden voorgesteld door de cijfers 1 en 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bloed

1/8 Bloed en lymfe.
Zie figuur A 420 van de bijlage.

De afbeelding geeft een gedeelte weer van het bloedvatenstelsel en van de organen in de buikholte van de mens.
Er zijn geen slagaders getekend. Drie plaatsen in aders zijn met letters (p, q en r) aangegeven.
Naar aanleiding van de afbeelding worden twee beweringen gedaan:

1. Per tijdseenheid stroomt langs plaats q een groter bloedvolume dan langs plaats p.
2. De bloeddruk op plaats q is lager dan die op plaats p.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Bloed

2/8 Bloed en lymfe.
Zie figuur A 420 van de bijlage.

Een proefpersoon heeft gedurende 24 uur geen voedsel genuttigd.

Is de hoeveelheid glucose per ml bloed bij p kleiner dan, gelijk aan of groter dan die bij r?

afbeeldingafbeelding

Bloed

3/8 Bloed en lymfe.

De hoeveelheid lymfe die in een orgaan wordt gevormd, hangt samen met de bloeddruk in de ader en de bloeddruk in de slagader van dat orgaan. Vier gebeurtenissen zijn:

1. de bloeddruk in de ader van het orgaan daalt,
2. de bloeddruk in de ader van het orgaan stijgt,
3. de bloeddruk in de slagader van het orgaan daalt,
4. de bloeddruk in de slagader van het orgaan stijgt.

Door welke van deze gebeurtenissen vindt een toename plaats van de hoeveelheid lymfe die uit dit orgaan wordt afgevoerd?

Bloed

4/8 Bloed en lymfe.

Enkele bloedgroep-antigenen zijn: antigeen A, antigeen B en resusantigenen.
Bij een kind van drie jaar wordt onderzocht tegen welke van de genoemde bloedgroep-antigenen zich antistoffen in het bloed bevinden.
Het kind en zijn moeder hebben bloedgroep O en zijn resuspositief; het kind heeft geen bloedtransfusie of bloedpreparaten gehad.

Kunnen er antistoffen tegen de genoemde antigenen in het bloed van dit kind worden aangetroffen?
Zo ja, welke?

Bloed

5/8 Bloed en lymfe.
Zie figuur C 168 van de bijlage.

Een onderzoeker voert een reeks experimenten over bloedstolling uit. In experiment 1 neemt hij bloed van een gezonde proefpersoon af. Hierbij verhindert hij dat het bloed in aanraking komt met de beschadigde bloedvatwand.
Vervolgens doet hij het bloed in een open plastic schaaltje. Dit bloed blijft gedurende uren vloeibaar. In experiment 2 neemt hij op dezelfde wijze bloed af, maar nu komt het bloed wel in contact met de beschadigde bloedvatwand. Hij doet het bloed in eenzelfde open plastic schaaltje.

Stolt het bloed in experiment 2 niet, of wel, of is dat niet te zeggen?

afbeeldingafbeelding

Bloed

6/8 Bloed en lymfe.

De onderzoeker voert een derde experiment uit op dezelfde wijze als experiment 1.
Ditmaal doet hij het bloed in een open glazen schaaltje. Het bloed stolt. Na onderzoek met behulp van de elektronenmicroscoop kan hij een verklaring geven voor dit verschijnsel.

Wat heeft hij met de elektronenmicroscoop gezien?

Bloed

7/8 Bloed en lymfe.

In een beschadigd bloedvat is een stolsel (trombus) ontstaan. Dit stolsel blijkt na enige dagen te verdwijnen.

Noem twee omzettingen die tot gevolg hebben dat het stolsel verdwijnt.

Bloed

8/8 Bloed en lymfe.

In een experiment wordt een reageerbuis (1) gevuld met bloed. Wanneer het bloed in de buis is gestold, bevindt zich bovenin de buis serum. Een andere reageerbuis (2) wordt gevuld met onstolbaar gemaakt bloed. Aan dit bloed is natriumoxalaat toegevoegd waardoor Ca2+ -ionen zijn gebonden. Na enige tijd zakken de bloedcellen onderin buis 2 en bevindt zich bovenin buis 2 plasma.
Een leerlinge onderzoekt het stollingsvermogen van serum en plasma. Zij vult een reageerbuis (3) met serum uit buis 1 en een reageerbuis (4) met plasma uit buis 2.
Vervolgens voegt zij aan beide buizen calciumchloride (CaCl2 ) toe.

In welke van de buizen 3 en 4 ziet zij stolling optreden?

Bloed

1/6 Bloed, bloedvaten, bloedsomloop.

Jij doet onderzoek over hemolyse bij rode bloedcellen. Onder hemolyse verstaat men het vrijkomen vanhemoglobine uit rode bloedcellen, nadat de cellen zijn gebarsten. De osmotische waarde in een rode bloedcel is gelijk aan die van een NaCl-oplossing van 0,9%. Nu wil jij bepalen bij welke concentratie van een NaCl-oplossing hemolyse begint op te treden.
Gebruik de volgende materialen: vijf reageerbuizen, een maatcilinder, een pipet van 10 ml, een weegschaal, NaCl, water, onstolbaar gemaakt bloed. Je kunt in de maatcilinder één bepaalde NaCl-oplossing maken.

Beschrijf de opzet en uitvoering van een experiment waarmee je kunt bepalen tussen welke concentraties van NaCl-oplossingen hemolyse begint op te treden.

Bloed

2/6 Bloed, bloedvaten, bloedsomloop.
Zie figuur B 1601 van de bijlage.

In de afbeelding is een dwarsdoorsnede van een bepaald type haarvat getekend. Enkele delen zijn met cijfers aangegeven.

Noem de namen van de delen die met 1, 2 en 3 zijn aangegeven.

afbeeldingafbeelding

Bloed

3/6 Bloed, bloedvaten, bloedsomloop.

Noem twee verschillende typen van transport waardoor stoffen uit de holte van een haarvat in het cytoplasma terechtkomen.

Bloed

4/6 Bloed, bloedvaten, bloedsomloop.

In het haarvat bevindt zich een bloedplaatje. Een bloedplaatje heeft geen kern. In een bloedplaatje bevinden zich onder andere eiwitten.
Over deze eiwitten worden twee beweringen gedaan:

1. de hoeveelheid intacte eiwitten in een bloedplaatje neemt gedurende de levensduur van het bloedplaatje af;
2. in het bloedplaatje zijn bepaalde eiwitten en enzymen werkzaam.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding