Oefentoets Biologie: Bloed - transfusie | VMBO theoretische leerweg, 2

Deze oefentoets bevat 7 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

7

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 2

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Bloed

2/7 Plasmaferese.

In het bloedplasma bevindt zich een stof die betrokken is bij de bloedstolling.

Wat is de naam van deze stof?

Deze stof heet [invulveld]

Bloed

3/7 Plasmaferese.

Om bloed af te nemen wordt een naald in een armader van de donor geprikt. Een armader ligt dichter onder de huid en heeft een dunnere wand dan een armslagader.

Noem nog een ander verschil tussen een armader en een armslagader.

Bloed

4/7 Plasmaferese.
Zie figuur B 2992 van de bijlage.

In de afbeelding is een doorsnede van het hart weergegeven. Na de plasmaferese worden de bloeddeeltjes teruggevoerd naar het bloed in de armader. Dit bloed stroomt uiteindelijk weer naar het hart toe.

In welk deel van het hart komt dit bloed dan als eerste terecht?

afbeeldingafbeelding

Bloed

5/7 Plasmaferese.

Uit het plasma dat bij de plasmaferese wordt opgevangen, worden verschillende eiwitten gehaald, onder andere antistoffen. Bepaalde antistoffen worden toegediend aan mensen met hepatitis.

Hoe heten de bloeddeeltjes die antistoffen maken?

Bloed

6/7 Plasmaferese.

Is de toediening van antistoffen actieve of passieve immunisatie? Leg je antwoord uit.

Bloed

7/7 Plasmaferese.

Plasmaferese heeft minder gevolgen voor het lichaam van een donor dan gewone bloeddonatie, omdat de bloeddeeltjes weer teruggevoerd worden in het bloed van de donor. Het aanmaken van nieuwe bloeddeeltjes na een gewone bloedafname duurt ongeveer vier tot zes weken.

Welk weefsel maakt nieuwe bloeddeeltjes?