Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - assimilatie_dissimilatie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 2

Deze oefentoets bevat 10 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

10

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Compensatiepunt.

Bij het compensatiepunt in de fotosynthese geldt dat

Plantenfysiologie

Sluitcellen.

In tegenstelling tot de andere cellen van de bladopperhuid, bevatten de sluitcellen van een huidmondje wel chloroplasten.

Wat gebeurt er ten gevolge van de fotosynthese in deze sluitcellen?

Plantenfysiologie

Productie.
Zie figuur A 1213 van de bijlage.

In nevenstaand diagram zijn de CO2 -opname en afgifte van een plant bij verschillende verlichtingssterktes weergegeven.
Aangenomen wordt dat de intensiteit van de dissimilatie niet wordt beïnvloed door de verlichtingssterkte.

Bereken bij welke verlichtingssterkte deze plant bij de fotosynthese 30 mmol glucose per uur produceert.

Bij een verlichtingssterkte van __________ mW/cm2.

[invulveld]

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

1/2 Stofwisseling.
Zie figuur B 5758 van de bijlage.

In het schema hiernaast staan nummers bij de reacties.
Die reacties kunnen zijn:

p. de donkerreactie
q. glycolyse en citroenzuurcyclus
r. lichtreactie
s. ademhalingsketen (oxidatieve fosforylering)

Welke combinatie is juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Dwarsdoorsnede door een blad.
Zie figuur B 5768 van de bijlage.

Nevenstaande tekening toont een dwarsdoorsnede van een blad dat zich in het donker bevindt.
De pijlen hebben betrekking op de diffusie van O2 , CO2 en H2 O.

Zet de processen in de rechter kolom bij de juiste cijfers in de linker kolom,.

afbeeldingafbeelding
  • diffusie van CO2

  • diffusie van H2 O

  • diffusie van O2

  • I

  • II

  • III

Plantenfysiologie

Plantengroei.

Welke van de uitspraken hieronder is of welke zijn juist?

Bij toename van atmosferische CO2

I. vormen anorganische nutriënten in de bodem de beperkende factor voor plantengroei.
II. groeien C4 -planten beduidend beter dan C3 -planten in een omgeving waar water beperkt is.
III. zorgt een toegenomen C:N ratio in afval ervoor dat de snelheid van afbraak door bodem micro-organismen toeneemt.

Plantenfysiologie

2/2 Onderzoek aan CO2 .
Zie figuur B 5797 van de bijlage.

In een tweede onderzoek werd de hoeveelheid CO2 bepaald die vrijkwam uit de bodem bij het onderste deel van dennenbomen uit dit bos op verschillende dagen tijdens de groeiperiode.
Per deelonderzoek werden 3 bomen gebruikt. Bij deelonderzoek 1 werd een ring van schors en bast verwijderd in juni (witte driehoekjes in de grafiek hiernaast). Bij deelonderzoek 2 werd een ring verwijderd in augustus (witte vierkantjes in grafiek). Bij deelonderzoek 3 werd er geen ring verwijderd (zwarte cirkels in de grafiek). Dit is de controlegroep.
De hoeveelheden geproduceerde CO2 staan in de grafiek. De zwarte pijlen geven het moment van verwijderen van de ring aan.

Welke combinatie van uitspraken geeft het best het resultaat van de proef aan?

I. De variatie tussen de deelonderzoeken overlapt elkaar en een eventueel effect berust op toeval.
II. De productie van CO2 wijst op een seizoensvariatie.
III. In juni is het effect van het verwijderen van de ring op de totale CO2 -productie veel minder sterk dan in augustus.
IV. De afname in CO2 -productie in de bodem na verwijderen van de ring kan niet alleen het gevolg zijn van seizoensvariatie.
V. De productie van CO2 in de bodem is altijd lager bij bomen waar een ring is verwijderd.

afbeeldingafbeelding