Stofwisseling en Doping
Stofwisseling en Doping.
Op grond van welke twee grondwettelijke artikelen kan een sporter bezwaar maken tegen het afnemen van bloed voor een dopingcontrole?
Deze oefentoets bevat 24 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
24
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Stofwisseling en Doping.
Op grond van welke twee grondwettelijke artikelen kan een sporter bezwaar maken tegen het afnemen van bloed voor een dopingcontrole?
Doping.
Geef van 4 groepen geheel verboden dopingmiddelen een korte uitleg van hun werking (met de nadruk op het voordeel dat de sporter er van heeft).
Doping.
Leg in het kort de werking uit van het nieuwe dopingmiddel (fosfo)creatine. Verklaar tevens de aantrekkelijkheid van dit middel.
Fosfocreatine.
Waarom is de aanleg van grote voorraden fosfocreatine bij zeezoogdieren in de loop van de evolutie zo'n groot voordeel gebleken?
Doping.
Welke factor uit de tweede diffusiewet van Fick wordt vooral beïnvloed door het gebruik van EPO of het toepassen van bloeddoping?
Doping.
Welke verschuiving in het gebruik van doping heeft zich voorgedaan bij de middelen waaraan Knut Jensen en Tom Simpson overleden naar de middelen waarop in de Tour de France 1998 jacht werd gemaakt?
1/3 Creatine.
Creatine speelt een belangrijke rol in de energiehuishouding van spierweefsel. Creatinemoleculen zijn relatief klein: COOH-CH2
-NCH3
-CNH-NH2
.
Een volwassen mens heeft ongeveer 23 gram creatine per dag nodig, waarvan 12 gram door de nieren en de lever wordt gevormd. De rest wordt uit het voedsel opgenomen.
In spierweefsel wordt creatine omgezet in creatinefosfaat (CP) en opgeslagen. CP wordt gebruikt om ADP om te zetten in ATP.
Drie waarnemingen zijn:
1. de concentratie van creatine in het spierweefsel kan oplopen tot het tienvoudige van de concentratie in het bloed;
2. hoe hoger de activiteit van spierweefsel, hoe sneller daar de opname van creatine uit het bloed plaatsvindt;
3. als extra creatine aan de voeding wordt toegevoegd, blijkt in de spieren meer opslag van creatine plaats te vinden.
Uit welke van deze waarnemingen blijkt dat creatine door actief transport in spiercellen wordt opgenomen?
2/3 Creatine.
Een sportieve proefpersoon loopt de 100 meter sprint in 15 seconden. Bij de sprint wordt de voorraad ATP in zijn beenspieren in ongeveer 2 seconden verbruikt. Daarna houdt vooral CP de ATP-concentratie nog rond de 6 seconden op peil. Vervolgens kan ATP nog gedurende tenminste 32 seconden door anaërobe dissimilatie worden vrijgemaakt. Pas na circa 40 seconden gaat de aërobe dissimilatie in de beenspieren een belangrijke rol spelen.
Bij welke van de onderstaande omzettingen komt de proefpersoon in de laatste seconden van de sprint aan energie in de beenspieren?
3/3 Creatine.
Zie figuur B 2988 van de bijlage.
De sportieve prestaties van twee groepen proefpersonen op de sprint worden vergeleken.
Groep I slikte voorafgaand aan de inspanning gedurende enige tijd extra creatine, groep II niet. In het diagram van de afbeelding zijn de relatieve CP-concentraties en de relatieve ATP-concentraties in het spierweefsel van de twee groepen tijdens een sprint weergegeven.
In een schaatsteam wordt overwogen om voorafgaand aan de lange afstanden extra creatine te slikken.
Leg uit op grond van bovenstaande informatie of dat zinvol is.
afbeelding
1/11 EPO.
Lees het onderstaande artikel uit Trouw van 8 november 2006
'Zonder EPO heb je niets te zoeken in het peloton'
[…] Een Nederlandse veldrijder heeft mij in 2002 verteld wat er gebruikt werd. Hij had er geen baat bij om te liegen. Het ging om Aranesp (een variant van epo). Ik adviseerde hem om dat niet te gebruiken omdat het goed op te sporen is. Dat bleek toen kort daarna de Spaanse langlaufer Muehlegg in Salt Lake City erop werd gepakt. […]
[…] Volgens Nikkels is het aantoonbaar gezonder om 'onder zware omstandigheden' gedoseerd het gewraakte middel epo (erythropoiëtine) te gebruiken. Nieuwe onderzoeken hebben dat nog eens bevestigd, zegt hij. Kunstmatig EPO stimuleert …..I….. en zorgt daardoor voor een toename van …..II….. met vijf tot tien procent. Nikkels spreekt van een 'bescherming van het weefsel en de organen.' Hij zegt zelf het middel niet te verstrekken, maar geeft diverse Nederlandse wielrenners wel advies: hoe en wanneer ze het kunnen gebruiken. Ze weten zelf wel waar ze het moeten halen. "Steeds weer worden er jongens aan de schandpaal genageld, maar dat lost allemaal niets op. Renners weten dat ze niets te zoeken hebben in het internationale peloton als ze het niet doen. De Tour kun je best zonder EPO uitrijden, maar dan strijd je mee om de rode lantaarn. Als je niet tegen de lamp wilt lopen moet je gewoon zorgen dat je niet naar de dopingcontrole hoeft." […]
[…] Over het competitievervalsende aspect van doping stapt hij gemakkelijk heen. Hij wil een medische en geen ethische discussie voeren. Voor een uurtje veldrijden lijkt geen medische noodzaak voor epo te zijn. "Daar kun je inderdaad over discussiëren. Het is veel minder een uitputtingsslag."
Maar als je zo'n efficiënt middel dan toch vrijgeeft, zoals u bepleit, staat dat toch gelijk aan het verplichten van EPO?
"Dat is nu al de realiteit. Ik heb jankende profs op mijn stoel gehad omdat ze geen naald in hun lichaam wilden zetten. Okay, zei ik, dan ga je stoppen. Dat zijn emotionele momenten. Ze weten dat hun carrière dan niet lang meer duurt." […]
[…] "Kortere etappes, minder koersdagen, ja, dat is een oplossing", zegt Nikkels. "Ik heb mij de afgelopen Tour mateloos geïrriteerd toen ik in Carcassonne was. Het was 42 graden. Ze hadden de eerste 100 kilometer van die etappe geneutraliseerd moeten rijden. Maar dat kon natuurlijk niet. Wat deden ze? De renners mochten een bidon extra aannemen. Nou, hulde! Tom Boonen had gelijk toen hij zei dat op deze manier de Tourorganisatie doping in de hand werkt." Nikkels had graag zitting gehad in de UCI-commissie onder leiding van de Leuvense professor Sturbois. Tot 2000 zat hij wel in de adviescommissie doping van de KNWU. "Ik ben absoluut vóór dopingcontroles, maar wel met een opgeschoonde lijst. Amfetamine, groeihormonen en insuline zijn heel gevaarlijke middelen, een snufje EPO is dat niet", meent Nikkels. […]
Zie volgende scherm
-
6/11 EPO.
Zie figuur B 5561 van de bijlage.
Op 20 juli 2006 zette wielrenner Floyd Landis de Ronde van Frankrijk op zijn kop.
Een dag nadat hij door een geweldige inzinking de gele trui had verloren, sloeg Landis op weg naar Morzine genadeloos terug met een ritzege. Twee dagen later heroverde hij in de laatste individuele tijdrit de leiderstrui ten koste van de Spanjaard Oscar Pereiro Sio. Op 23 juli werd hij op de Champ Elysées gehuldigd als Tourwinnaar.
Vier dagen later maakte de ploegleiding van Phonak bekend dat Landis na zijn etappezege in de Tour was betrapt op een te hoge concentratie van het mannelijke geslachtshormoon testosteron. Landis ontkende het spierversterkende hormoon te hebben gebruikt.
Omdat moeilijk kan worden aangetoond dat iemand testosteron toegediend heeft gekregen, wordt er gekeken naar de verhouding testosteron/ epitestosteron, een afbraakproduct van testosteron.
Bij normale mensen is die verhouding 1:1. Als bij iemand een verhouding groter dan 4:1 wordt aangetroffen, wordt er vanuit gegaan dat er testosteron is toegediend.
Waarom is het moeilijk aan te tonen dat iemand testosteron is toegediend?
afbeelding
7/11 EPO.
Leg uit dat het toedienen van een kleine hoeveelheid testosteron geen enkel effect heeft zou hebben gehad op zijn prestatie.
8/11 EPO.
Anabole steroïden zoals testosteron hebben vele bijwerkingen, maar ze worden genomen voor de prestatiebevordering.
Wat is (concreet) beoogde het effect van testosteron op organisatieniveau?
Wat is (concreet) het beoogde effect van testosteron op orgaanniveau?
Wat zou (concreet) het beoogde effect van testosteron op celniveau kunnen zijn?
9/11 EPO.
Als je de vorige vraag goed hebt beantwoord, weet je dat het gebruik van testosteron nooit het hierboven genoemde snelle herstel kan verklaren. Landis blijft dan ook ontkennen dat hij dit middel gebruikt heeft.
Landis verklaart de verhouding 8:1, doordat hij van nature een trage afbraak van testosteron zou hebben.
Waardoor zijn mensen met een aangeboren trage testosteronafbraak als sporter in het voordeel?
10/11 EPO.
Een collega-wielrenner van Landis wil testosteron als doping gebruiken. En dus in een dermate grote hoeveelheid, dat het zijn prestatie bevordert. Natuurlijk wil hij niet betrapt worden.
Op welke simpele manier zou hij kunnen voorkomen dat hij bij een dopingtest positief wordt bevonden?
11/11 EPO.
Bij superzware wedstrijden zoals een Tour de France komt het voor dat renners tijdens een rit te weinig eten.
Het gevolg is dat hun prestatie dramatisch verslechtert en hun spieren vreselijk zeer gaan doen.
Wielrenners noemen dit "stukzitten" en klagen over ernstige vermoeidheid en veel pijn.
Mogelijk is dit Landis overkomen, maar meestal zijn wielrenners hier niet in één dag van hersteld.
Wat is er in hun spieren gebeurd ten gevolge van het voedseltekort?
EPO.
Meerdere renners van de Duitse wielerploeg Team Telekom bekenden EPO te hebben gebruikt. De bekendste zijn Erik Zabel en Bjarne Riis; zij gaven toe in 1996 EPO te hebben gebruikt. Riis won dat jaar de Tour de France. Deze zege zal hem niet worden afgenomen. EPO is een menselijk hormoon.
Wat doet EPO in je lichaam?
Steroïden.
Sommige atleten nemen steroïden in een poging om hun prestaties te verbeteren.
Hierdoor kan een verlaging in spermaproductie en zelfs steriliteit ontstaan.
Wat is daarvan de oorzaak?
EPO en sport.
EPO leent zich voor misbruik in de sportwereld. Dat kan wel gelden voor duursporters (bijvoorbeeld wielrenners), maar niet voor sprinters (die 100 m in ongeveer 10 seconden lopen).
Wat is een juiste verklaring voor het gegeven dat EPO niet van nut is voor sprinters?