Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
HAVO 1, HAVO 2, VWO 1, VWO 2
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Ademhaling
Luchtpijp. Zie figuur A 893 van de bijlage.
In de afbeelding is een doorsnede van de wand van de luchtpijp van de mens weergegeven. Drie delen van de wand zijn ernaast uitgetekend.
Twee weefseltypen zijn met de letters P en Q aangegeven.
- Geef van elk van deze twee weefseltypen de naam. - Geef kort aan welke functie elk weefseltype heeft in de luchtpijp of voor de luchtpijp zelf.
afbeelding
Ademhaling
Zeehonden verdrinken.
Zeehonden moeten in tegenstelling tot vissen regelmatig naar het wateroppervlak kunnen zwemmen. Zij verdrinken als zij onder water verstrikt raken in de netten die vissers gebruiken om vissen te vangen. Hiervan worden per jaar talrijke zeehonden het slachtoffer.
Leg uit waarom het voor zeehonden wel noodzakelijk is naar het wateroppervlak te zwemmen en voor vissen niet.
Ademhaling
Een wesp. Zie figuur B 1103 van de bijlage.
Een wesp in rust maakt met zijn achterlijf pompende bewegingen als hij op een takje zit. Deze bewegingen zijn schematisch aangeduid in de afbeelding.
Waarvoor maakt een wesp deze bewegingen?
afbeelding
Ademhaling
Kikkers en schildpadden vergelijken.
Er zijn kikkers en schildpadden die een groot deel van hun leven in het water doorbrengen. Deze kikkers gebruiken longen en huid voor de ademhaling. Deze schildpadden gebruiken [invulveld] voor de ademhaling. Kikkers en schildpadden behoren tot de gewervelde dieren. De gewervelde dieren zijn in vijf groepen verdeeld. De kikkers behoren daarbij tot de amfibieën. De schildpadden behoren daarbij tot de [invulveld]
Vul de ontbrekende woorden in.
1. ......... 2. .........
Ademhaling
Walvissen.
Walvissen moeten in tegenstelling tot vissen regelmatig naar het wateroppervlak zwemmen.
Leg uit waarom dit voor walvissen noodzakelijk is en voor vissen niet.
Ademhaling
Een proef met ademen. Zie figuur C 214 van de bijlage.
De aanwezigheid van waterdamp in lucht kan met behulp van de proefopstellingen van de afbeelding worden aangetoond. Door de lage temperatuur van het ijs blijft in de buizen water uit de lucht achter.
Via opstelling 1 wordt gedurende 15 minuten buitenlucht ingeademd. Uitademen gebeurt door de neus. Via opstelling 2 wordt gedurende 15 minuten lucht uitgeademd. Inademen gebeurt door de neus. Na het ademhalen is in de buis van opstelling 2 meer water achtergebleven dan in de buis van opstelling 1. Ook is bij de buis van opstelling 2 meer ijs gesmolten dan bij de buis van opstelling 1.
Op grond van deze resultaten zijn twee conclusies te trekken over het verschil tussen buitenlucht en uitgeademde lucht.
Schrijf deze twee conclusies op.
afbeelding
Ademhaling
Schaatsen op grote hoogte. Zie figuur A 488 van de bijlage.
In de figuur is weergegeven de relatie tussen enerzijds zuurstofopname en luchtdichtheid en anderzijds de eventueel realiseerbare tijd op de 5000 m schaatsen op 4000 m hoogte.
Leg uit waarom de tijd van 6.05.00 min op grotere hoogten niet verbeterd kan worden.
afbeelding
Ademhaling
Uitlaatgassen.
Bepaalde uitlaatgassen tasten de slijmlaag van de luchtwegen aan. Het verwarmen van de lucht in de luchtwegen wordt hierdoor niet beïnvloed.
Noem twee functies van de slijmlaag van de luchtwegen.
Ademhaling
Borstkas en hoofd. Zie figuur A 119 van de bijlage.
De afbeelding geeft een schematische doorsnede van een deel van een mens weer.
Benoem de genummerde onderdelen.
1. [invulveld] 2. [invulveld] 3. [invulveld]
afbeelding
Ademhaling
Teer in de longen.
Door roken kan teer in de longen worden afgezet.
Leg uit waardoor de opname van zuurstof in de longen verandert, als er teer is afgezet.
Ademhaling
CARA (COPD).
CARA (COPD) is een verzamelnaam voor verschillende ziekten aan het ademhalingsstelsel. Eén van deze ziekten is longemfyseem.
Noem twee andere ziekten die ook wel worden aangeduid met CARA (COPD).
Ademhaling
1/2 De huig.
In de keelholte van de mens kruisen de luchtweg en de voedselweg elkaar. De huig en het strotklepje zorgen ervoor dat voedsel en lucht op de juiste plaats terechtkomen. Wanneer dit niet goed gebeurt, kunnen we ons verslikken. Wanneer we ons verslikken gaan we hoesten.
Waardoor ontstaat de hoestprikkel?
Ademhaling
2/2 De huig.
Wat is daarbij de functie van de huig?
Ademhaling
1/2 Mond-op-mondbeademing. Zie figuur B 436 van de bijlage.
Door verschillende oorzaken kunnen bij de mens de ventilatiebewegingen tot stilstand komen. In sommige gevallen is het echter mogelijk met behulp van mond-op-mondbeademing de ventilatiebewegingen weer op gang te brengen.
Zie figuur B 436 van de bijlage.
Bij mond-op-mondbeademing blaast de hulpverlener lucht direct in de luchtwegen van het slachtoffer. Eerst blaast de hulpverlener 5-10 maal snel achter elkaar een hoeveelheid lucht in; daarna blaast hij met tussenpozen van ongeveer 5 seconden. Wanneer de beademing succes heeft, komen de ventilatiebewegingen van het slachtoffer weer op gang.
Heeft de ingeblazen lucht alleen invloed op de CO2
-concentratie, alleen op de O2
-concentratie of op de concentraties van beide gassen in de lucht in de longen van het slachtoffer?
afbeelding
Ademhaling
2/2 Mond-op-mondbeademing.
Longblaasjes hebben onder andere de volgende kenmerken:
1. ze zijn omgeven door haarvaten, 2. de wanden zijn dun, 3 de wanden zijn elastisch.
Door welk van deze kenmerken kan het slachtoffer de ingeblazen lucht uitademen?
Ademhaling
Long met bloedvaten. Zie figuur B 964 van de bijlage.
In de figuur is een deel van een long getekend met de daarbij behorende bloedvaten.
Is bloedvat P een slagader of een ader en bevat dit bloedvat zuurstofrijk of zuurstofarm bloed?
Bloedvat P is
afbeelding
Ademhaling
Longblaasjes en bloed. Zie figuur B 2186 van de bijlage.
De tekening stelt enkele longblaasjes van de mens voor met haarvaten. De pijlen geven de stroomrichting van het bloed aan.
Van welk bloedvat is H een vertakking?
afbeelding
Ademhaling
Zuurstof en bloed.
Waar komt bij de mens de zuurstof die in het bloed wordt opgenomen terecht: in bloedvaten van de grote bloedsomloop of in bloedvaten van de kleine bloedsomloop?
Ademhaling
Longblaasjes en bloed. Zie figuur B 1705 van de bijlage.
De afgebeelde tekening stelt een longblaasje met een haarvat voor.
Welke uitspraak ten aanzien van de samenstelling van het bloed is nu juist?
afbeelding
Ademhaling
Longblaasjes en bloed. Zie figuur B 2024 van de bijlage.
De afbeelding geeft schematisch een longblaasje en een haarvat weer. Pijl Q geeft de binnenstromende lucht weer en pijl R de naar buiten stromende lucht. De pijlen bij P en S geven de stroomrichting van het bloed weer. Enkele beweringen naar aanleiding van deze afbeelding zijn:
1. De luchtstroom met de meeste zuurstof wordt aangegeven met pijl R. 2. Bij S bevat het bloed meer zuurstof dan bij P. 3. Het bloed bij P wordt aangevoerd uit een slagadertje.