Oefentoets Biologie: Voeding | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 12

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voeding

2/2 Conserveren van melk.

De twee methoden om melk te conserveren worden vergeleken op de houdbaarheid van melk.

Bij welke methode is de houdbaarheid het langst of is er geen verschil in houdbaarheid?

Voeding

1/2 Conservering.

Twee conserveringsmethoden zijn: invriezen en steriliseren.

Bij welke van deze methoden wordt alleen de groei van de organismen die het bederf veroorzaken, geremd, zonder al deze organismen te doden?

Voeding

2/2 Conservering.

Welke twee groepen organismen veroorzaken bederf van voedsel?

Voeding

1/2 Pizza.
Zie figuur A 20 van de bijlage.

Twee leerlingen bekijken de informatie op een verpakking van een diepvries-vispizza die zij in een winkel hebben gekocht. De informatie is weergegeven in de afbeelding.

De beide leerlingen doen een uitspraak over het bewaren van de pizza:

1. Wanneer je de pizza bewaart in een diepvriezer, gaan alle bacteriën dood.
2. Bij het bewaren van de pizza in een diepvriezer wordt de vermeerdering van bacteriën meer geremd dan bij het bewaren in een koelkast.

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Voeding

2/2 Pizza.

Bereken hoeveel gram water volgens de gegevens 100 gram pizza maximaal bevat.

afbeeldingafbeelding

Voeding

1/4 Energie.

Verbranding van energierijke stoffen levert energie op. Vooral koolhydraten zijn belangrijk als brandstof.
Enkele voedingsmiddelen zijn: brood, melk, kaas en vlees.

Welk van deze voedingsmiddelen bevat vooral veel koolhydraten?

Voeding

2/4 Energie.

Koolhydraten uit voeding worden afgebroken tot glucose. Glucose wordt omgezet in glycogeen en onder andere in de spieren opgeslagen.

Noem nog een ander orgaan waarin veel glycogeen wordt opgeslagen.

Dit orgaan is de/het [invulveld].

Voeding

3/4 Energie.

Uit onderzoek blijkt dat de voeding van veel sporters te weinig koolhydraten en te veel vetten bevat.
In een boek over voeding voor sporters staat de volgende aanbeveling: Let erop dat de energie die u uit uw voeding haalt voor 55-60% afkomstig is uit koolhydraten.
Lisette doet veel aan sport. Op een avond eet ze macaroni met kaassaus.

Voldoet deze maaltijd aan de hierboven genoemde aanbeveling? Leg je antwoord uit met een berekening.
Gebruik de gegevens uit de onderstaande tabel.

afbeeldingafbeelding





-

Voeding

4/4 Energie.

Als je gaat sporten, wordt glycogeen in het lichaam omgezet in glucose. Glucose wordt verbruikt bij de verbranding.

Welke andere stof wordt er behalve glucose bij de verbranding verbruikt?

Voeding

1/2 Gezond snacken?

Het aantal mensen dat te zwaar is, is in de afgelopen twintig jaar flink toegenomen. Eén van de oorzaken is, dat er veel energierijke snacks gegeten worden.

Overgewicht kan schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid.

Noem twee van zulke gevolgen.

Voeding

2/2 Gezond snacken?

Wouter houdt van snacken, maar wil wel op zijn gewicht letten. Op een etiket van gewone chips ziet hij de onderstaande informatie.
afbeeldingafbeelding
Wouter vraagt zich af of light chips minder energie leveren dan gewone chips. Hij vindt op internet de volgende informatie.
afbeeldingafbeelding
Energie wordt door drie groepen voedingsstoffen geleverd: eiwitten, koolhydraten en vetten (zie de tabel).
afbeeldingafbeelding

Levert 100 gram light chips minder kJ aan energie dan 100 gram gewone chips? Leg je antwoord uit met een berekening. Gebruik hierbij de bovenstaande informatie.





-

Voeding

1/3 Melk tegen salmonella-infectie.

Als eiwitrijk voedsel niet voldoende verhit is geweest, kan dat ertoe leiden dat salmonellabacteriën het lichaam binnenkomen. Slechts een klein deel van de bacteriën bereikt de dunne darm.

Leg uit waardoor de meeste salmonellabacteriën de maag niet levend verlaten.

Voeding

2/3 Melk tegen salmonella-infectie.

Salmonellabacteriën kunnen de wand van de dunne darm passeren en gaan dan met het bloed onder andere naar de lever.

Hoe heet het bloedvat waardoor de bacteriën vanuit de dunne darm rechtstreeks de lever bereiken?

Voeding

3/3 Melk tegen salmonella-infectie.

Uit onderzoek met ratten is gebleken dat calcium de darmwand zo beïnvloedt, dat de bacteriën er niet meer doorheen kunnen. Melk bevat veel calcium. Men vermoedt daarom dat melk een salmonella-infectie tegengaat.
Voor het onderzoek gebruikte men twee groepen ratten, die voedsel hadden gekregen dat besmet was met salmonella.

Beschrijf een werkplan van een onderzoek met twee even grote groepen ratten, waarmee onderzocht kan worden of melk een salmonella-infectie tegengaat.

Voeding

1/2 Een vermageringsdieet.

In een tijdschrift stond een 5-daags vermageringsdieet, het zogenaamde "Scarsdale" dieet. Hieronder volgt wat men volgens dit dieet mag eten.

Ontbijt: 1/2 grapefruit of ander vers fruit, 1 sneetje geroosterd volkorenbrood zonder beleg, koffie/thee zonder melk en suiker.

Lunch: een bordje gemengd koud vlees zoals kip, kalkoen, tong, mager rundvlees rauw, gestoofd of gegrild) en tomaten, koffie/thee zonder melk en suiker, of sodawater.

Diner: een normale portie van allerlei soorten vis of schaaldieren, gemengde salade van zoveel bladgroente als u wilt, 1 sneetje geroosterd volkorenbrood, 1 verse vrucht, koffie of thee zonder melk of suiker.

Een verantwoord menu moet eiwitten, koolhydraten, mineralen, vetten en vitamines bevatten.
Van twee van deze voedingsstoffen krijg je met een menu volgens het "Scarsdale" dieet veel minder binnen dan normaal.

Van welke twee voedingsstoffen?

Voeding

2/2 Een vermageringsdieet.

Leg uit waarom te verwachten is dat iemand die dit dieet volgt, zal afvallen en een slanker figuur zal krijgen.

Voeding

1/2 Mannen en vrouwen en hun voeding.

In een folder raadt het Voorlichtingsbureau voor de Voeding (tegenwoordig Voedingscentrum genaamd) volwassen mannen en vrouwen aan om dagelijks bepaalde hoeveelheden van bepaalde voedingsmiddelen te eten. Die hoeveelheden staan in de tabel hieronder vermeld.
afbeeldingafbeelding

Welke van de volgende beweringen over de aanbevelingen uit de tabel is of zijn juist?

1. Mannen wordt aangeraden een grotere hoeveelheid energierijke voedingsmiddelen te eten dan vrouwen.
2. Vrouwen wordt aangeraden een grotere hoeveelheid eiwitrijke voedingsmiddelen te eten dan mannen.




-

Voeding

2/2 Mannen en vrouwen en hun voeding.

afbeeldingafbeelding
Een leerling krijgt de opdracht te berekenen hoeveel voeding met koolhydraten een vrouw per dag moet eten volgens de aanbevelingen. Hij bekijkt de tabel met de aanbevolen hoeveelheden en maakt dan de volgende berekening: 175 gram + 175 gram = 350 gram
Zijn lerares zegt dat zijn berekening niet goed is. "Voor de opdracht heb je niet genoeg aan de gegevens uit de tabel."

Welk gegeven heeft de leerling ook nodig om wel de goede berekening te kunnen maken?




-

Voeding

1/4 Voedingsstoffen in voedingsmiddelen.

De tabel hieronder geeft een overzicht van een aantal voedingsmiddelen met daarachter per 100 gram de energie die deze voedingsmiddelen leveren en de voedingsstoffen die erin voorkomen.
afbeeldingafbeelding

In de tabel staan voedingsmiddelen waarvan de delen die je opeet, alleen de zaden zijn.

Noem al deze voedingsmiddelen.





-

Voeding

2/4 Voedingsstoffen in voedingsmiddelen.

De tabel hieronder geeft een overzicht van een aantal voedingsmiddelen met daarachter per 100 gram de energie die deze voedingsmiddelen leveren en de voedingsstoffen die erin voorkomen.
afbeeldingafbeelding

Noem het voedingsmiddel of de voedingsmiddelen uit de tabel waarvan de delen die je opeet, vruchten zijn.





-