Oefentoets Biologie: Ademhaling | VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 9

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ademhaling

Insecten.

Bij insecten komt de voor verbranding benodigde zuurstof voornamelijk in de organen

Ademhaling

Een kever.
Zie figuur B 2306 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een deel van het inwendige van een kever, een geleedpotig dier, weer.

Welk orgaanstelsel is in de afbeelding donker weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Tracheeën.
Zie figuur B 1552 van de bijlage.

De afbeelding geeft enkele delen van een insect schematisch weer.

Bevindt zich bij plaats P koolstofdioxide?
En zuurstof?
En bloed met rode bloedlichaampjes?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Vis uit water.

Goudvissen kunnen buiten het water niet in leven blijven, doordat

Ademhaling

Kikker in de winter.

Een volwassen kikker verblijft tijdens de winter in de modderlaag op de bodem van een sloot.

Door welk(e) orgaan (organen) vindt dan de ademhaling plaats?

Ademhaling

Ademhalingsorganen.

Met welke organen kan een kikkervisje en met welke organen kan een volwassen kikker ademhalen?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Gaswisseling bij insecten.

Waardoor is het gaswisselingsoppervlak bij volwassen insecten vergroot?

Ademhaling

Een oogdiertje en een oorworm.
Zie figuur B 3511 van de bijlage.

In de afbeelding zijn een oogdiertje en een oorworm getekend. Een oogdiertje leeft in het water, een oorworm op het land. Bij de tekeningen staan de afmetingen van de dieren vermeld.
Eén van beide dieren heeft speciale gaswisselingsorganen, het andere dier niet.

Bij welk dier zijn deze gaswisselingsorganen te verwachten?
Waarom?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Een amoebe en een pantoffeldiertje.
Zie figuur B 3512 van de bijlage.

In de afbeelding zijn een amoebe en een pantoffeldiertje getekend.

Bij welk(e) van deze dieren vindt gaswisseling plaats via het celmembraan?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Een vissenkop.
Zie figuur B 3513 van de bijlage.

In de afbeelding is een doorsnede van een vissenkop schematisch getekend.

Met welk nummer is een deel aangegeven waar uitwisseling van gassen tussen water en bloed plaatsvindt?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Wespen.

Bij wespen vindt gaswisseling plaats in tracheeën.

Hoe kunnen wespen de lucht in de tracheeën snel verversen?

Ademhaling

Uitademlucht.

De door de mens uitgeademde lucht bevat onder andere zuurstof, stikstof en kooldioxide.

De juiste percentages van de uitgeademde gassen zijn gewoonlijk

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Longblaasjes en bloed.
Zie figuur B 1943 van de bijlage.

In lucht is het gehalte koolstofdioxide veel lager dan het zuurstofgehalte. In het bloed van de mens is dit omgekeerd.
De afbeelding geeft enkele longblaasjes van de mens weer met daarbij behorende bloedvaten. De pijlen geven de stroomrichting van het bloed aan. Op plaats P en plaats Q worden het zuurstof- en het koolstofdioxidegehalte van het bloed gemeten.

Zie figuur B 1944 van de bijlage.

In welk van afgebeelde diagrammen in figuur B 1944 kunnen de resultaten van deze metingen juist zijn weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ademhaling

Lucht.

Bij een onderzoek bepaalt men de samenstelling van de lucht die een proefpersoon in- en uitademt. Van de lucht die de proefpersoon inademt, is de volgende samenstelling gemeten:

79% stikstof,
21 % zuurstof,
0,04% koolstofdioxide.

Wat kan de samenstelling zijn van de lucht die de proefpersoon uitademt?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

In- en uitademlucht.

Als men bij de mens de samenstelling van de in- en uitgeademde lucht met elkaar vergelijkt, blijkt onder andere dat de uitgeademde lucht bevat

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

In- en uitademlucht.

Hieronder volgen vier beweringen over de samenstelling van de in- en uitgeademde lucht bij de mens.

1. De ingeademde lucht bevat zuurstof;
2. De ingeademde lucht bevat koolstofdioxide;
3. De uitgeademde lucht bevat zuurstof;
4. De uitgeademde lucht bevat koolstofdioxide.

Welke van deze beweringen zijn juist?

Ademhaling

Longblaasjes en bloed.
Zie figuur B 3506 van de bijlage.

In de afbeelding zijn een longblaasje en een longhaarvat schematisch getekend. De pijlen geven de stroomrichting weer van lucht of van bloed.

Twee beweringen naar aanleiding van deze afbeelding zijn:

1. De luchtstroom met de meeste zuurstof wordt aangegeven met pijl R.
2. Bij S bevat het bloed meer zuurstof dan bij P.

Welke van deze beweringen is (zijn) juist?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

In- en uiutademlucht.

Het percentage stikstof in ingeademde lucht wordt vergeleken met het percentage stikstof in uitgeademde lucht.

Welke van de volgende beweringen hierover is juist?

Ademhaling

Longen en spieren.
Zie figuur B 958 van de bijlage.

De pijlen in de tekeningen geven de gaswisseling aan in een longblaasje en in een spiervezel.

Welke pijl bij het longblaasje geeft de richting aan waarin de meeste zuurstof verplaatst wordt en welke bij de spiervezel?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Een orgaan.
Zie figuur B 812 van de bijlage.

De tekening stelt schematisch een orgaan in het lichaam van de mens voor met een aanvoerend en een afvoerend bloedvat.

Welk orgaan is dat?

afbeeldingafbeelding