Oefentoets Biologie: Genetica - dihybried | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 2

Deze oefentoets bevat 58 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

58

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genetica

Een dihybride kruising.

Een plant die heterozygoot is was voor twee eigenschappen werd gekruist met een andere plant die homozygoot recessief was voor beide eigenschappen. Er werden 195 zaden verkregen, die werden uitgezaaid.

Welke van onderstaande getallenreeksen is in overeenstemming met de verwachting voor de fenotypen in de volgende generatie als er geen koppeling is?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Honden.

Bij honden is donkere vachtkleur (allel A) dominant over albino (geen kleurstof, allel a). Kort haar (allel B) is dominant over lang haar (allel b). De genen erven onafhankelijk van elkaar over.

Hieronder staan van een kruising de fenotypen gegeven van de ouders en van de nakomelingen, plus de aantallen nakomelingen.

afbeeldingafbeelding

De mogelijke genotypen van de ouders zijn

Genetica

Een dihybride kruising.

Bij een kruising van twee homozygote planten, waarvan één brede bladeren en rode bloemen heeft en de ander smalle bladeren en witte bloemen, ontstaat een F1 met brede bladeren en roze bloemen.
De genen voor bladbreedte en bloemkleur zijn niet gekoppeld.
Door onderlinge kruising van F1 -individuen wordt een F2 verkregen.

Van welk deel van deze F2 zal met zekerheid het genotype voor zowel bladbreedte als bloemkleur zonder verdere kruisingen kunnen worden vastgesteld?

Genetica

Een dihybride kruising.

Bij muizen is het allel voor een bruine vacht dominant over dat voor een witte vacht; het allel voor donkere ogen is dominant over dat voor rode ogen.
Een homozygote bruinharige, donkerogige muis wordt gekruist met een witharige, roodogige muis. De betrokken genen zijn niet gekoppeld en niet X-chromosomaal.

Hoeveel verschillende genotypen kunnen in de F2 worden aangetroffen?

Genetica

Ayrshire rundvee.

Bij Ayrshire rundvee zijn individuen met het genotype RR roodbruin en die met het genotype rr rood; stieren met het genotype Rr zijn roodbruin, maar koeien met het genotype Rr zijn rood.

Wat is het geslacht van een roodbruin kalf van een homozygoot rode koe?
Wat is het geslacht van een rood kalf van een roodbruine koe?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Druivenkruising.

Onderstaand schema geeft het proces weer waardoor bij druiven kleurstof ontstaat.
afbeeldingafbeelding
In dit schema zijn met 1 en 2 enzymen aangeduid. Voor de vorming van enzym 1 is het dominante allel E nodig en voor de vorming van enzym 2 het dominante allel F.

Twee planten die blauwe druiven kunnen produceren, worden onderling bestoven (kruisbestuiving). Onder de nakomelingen bevinden zich planten die blauwe druiven produceren en planten die gele druiven produceren.

Welke van onderstaande genotypen van de ouderplanten geven dit resultaat?

Genetica

Schimmelkruising.

Het onderstaande schema geeft de vorming van stof S weer in haploïde schimmels.
afbeeldingafbeelding
De omzetting P -® Q staat onder invloed van het allel E.
Bij aanwezigheid van het allel e verloopt deze omzetting niet.
De omzetting Q -® R staat onder invloed van het allel F.
Bij aanwezigheid van het allel f verloopt deze omzetting niet.

Een bepaalde schimmel kan stof S alleen maken als stof Q of stof R aan het voedingsmedium wordt toegediend.

Wat is het genotype van deze schimmel?

Genetica

Een dihybride kruising.

Bij een zoogdier is de vachtkleur het gevolg van twee onafhankelijk overervende genen, die elkaars werking versterken.
Bij dieren met het genotype EEFF is de vacht donkerbruin en bij dieren met het genotype eeff is deze wit. Als er drie dominante allelen voorkomen, is de vacht bruin; bij twee dominante allelen lichtbruin en bij één dominant allel beige.
Na een kruising ontstaat een talrijke nakomelingschap, waarin de fenotypen in de volgende verhouding voorkomen:

1 donkerbruin : 3 bruin : 3 lichtbruin : 1 beige.

Welke van de onderstaande mogelijkheden kan tot dit resultaat hebben geleid?

Genetica

Een dihybride kruising.

Een bepaalde schimmelsoort heeft in het algemeen een bruine kleur.
Deze schimmel is alleen gedurende het zygotestadium diploïd, dus in andere stadia haploïd.
De kleur van deze schimmel wordt bepaald door twee genen, die in verschillende chromosomen liggen.
Schimmels met genotype EF zijn bruin. De andere genotypen veroorzaken een gele kleur.
Een bruine schimmel wordt gekruist met een gele schimmel; 50% der nakomelingen is bruin en 50% is geel.

Welk genotype kan de gele ouder hebben?

Genetica

Bananenvliegen.

Bij Drosophila wordt de oogkleur bepaald door twee genen: een gen voor de aanwezigheid of afwezigheid van bruin pigment en een gen voor de aanwezigheid of afwezigheid van rood pigment. Dieren met witte ogen zijn voor beide genen homozygoot recessief. Aanwezigheid van alleen het dominante allel voor bruin pigment geeft bruine ogen. Aanwezigheid van alleen het dominante allel voor rood pigment geeft scharlakenrode ogen. Indien beide dominante allelen aanwezig zijn, wordt de oogkleur steenrood.
De betrokken genen zijn niet gekoppeld en liggen niet in het X-chromosoom.
Een witogig mannetje wordt gekruist met een voor beide genen homozygoot bruinogig vrouwtje. Twee van hun nakomelingen worden daarna gekruist.

Welk fenotype is of welke fenotypen zijn in welke verhoudingen te verwachten bij de nakomelingen uit deze laatste kruising?


-

Genetica

Transformer-allel en geslacht.

Bij Drosophila kan een zo geheten transformer-allel voorkomen. Dit allel is niet X-chromosomaal. Als een zygote met twee X-chromosomen dit recessieve transformer-allel in tweevoud bevat, ontwikkelt deze zygote zich tot een steriel mannetje: het dier is fenotypisch mannelijk, maar de testes zijn niet ontwikkeld. Bij zygoten met zowel een X- als een Y-chromosoom heeft dit allel geen invloed op de ontwikkeling van het geslacht. Een Drosophila-mannetje en een Drosophila-vrouwtje hebben ieder één transformer-allel per celkern en zijn dus heterozygoot voor de betrokken eigenschap.

Hoe zal de fenotypische geslachtsverhouding zijn in de talrijke nakomelingschap van dit mannetje en dit vrouwtje?

De verhouding mannetjes : vrouwtjes zal zijn

Genetica

Planten kruisen.
Zie figuur B 1711 van de bijlage.

In de figuur staan de kiemplanten van de variëteiten I en II van één plantensoort.
De plant van variëteit I vertoont voor beide eigenschappen de dominante aanleg. Als men later beide planten met elkaar kruist, vertoont de volgende generatie kiemplanten de reeds genoemde combinaties van eigenschappen.
Bovendien vertoont deze generatie de combinaties: blauwe stengel met gave bladeren en groene stengel met ingesneden bladeren.

Welk van onderstaande beweringen over de erfelijke aanleg van de planten I en II is juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Bloemen kruisen.

Een grote plant met witte bloemen werd gekruist met een grote plant met rode bloemen.
De fenotypen van de nakomelingen en hun verhoudingen waren:

- grote planten met rode bloemen (3),
- grote planten met witte bloemen (3),
- kleine planten met rode bloemen (1),
- kleine planten met witte bloemen (1),

Gebruik bij het antwoord de volgende gegevens:

- E en e zijn allelen voor de grootte van de plant;
- F en f zijn allelen voor de kleur van de bloemen;
- de genen zijn niet gekoppeld; er zijn geen intermediaire heterozygoten.

Welk genotype kan de grote ouderplant met rode bloemen hebben gehad?

Genetica

Een bonenras.

Bij een bepaald bonenras komen bonen voor met een bruine zaadhuid en bonen met een witte zaadhuid. Het is bekend dat het genotype van de zaadhuid gelijk is aan het genotype van de moederplant. De kleur van de zaadhuid wordt bepaald door twee allelen: het allel voor bruine kleur is dominant over dat voor witte kleur. Een ander allelenpaar bepaalt de kleur van de zaadlobben. Het allel voor gele zaadlobben is dominant over dat voor groene zaadlobben. Bij een bonenplant van dit ras, die heterozygoot is voor de genoemde eigenschappen, vindt
zelfbestuiving plaats. Er ontstaat een groot aantal zaden (bonen).

Welke verschillende fenotypen hebben deze bonen en in welke verhouding zijn deze fenotypen aanwezig?

Genetica

Drosophila.

Bij Drosophila zijn mutanten bekend met een zwart lichaam, met gebogen vleugels en met sepiakleurige ogen.
Deze eigenschappen berusten op recessieve allelen. Een normale fruitvlieg heeft een grijs lichaam, rechte vleugels en rode ogen.
Om te onderzoeken of de genen voor de genoemde drie eigenschappen gekoppeld zijn, kruist men twee dieren die voor alle drie eigenschappen heterozygoot zijn. Het optreden van het verbreken van de koppeling wordt zeer onwaarschijnlijk geacht.

De uitslag van twee van dergelijke kruisingen staat hieronder:

afbeeldingafbeelding

Uit deze gegevens valt af te leiden, dat de volgende genen gekoppeld zijn:

Genetica

Een kruising.

Een kruising tussen twee homozygote individuen van een bepaalde diersoort waarvan één gegolfde, lange en bruine beharing heeft en de ander gladde, korte en kleurloze beharing, geeft een nakomelingschap (F1 ) met gegolfde, lange en bruine beharing.
Individuen van deze F1 worden gekruist met individuen, die homozygoot recessief zijn voor genoemde eigenschappen, met als resultaat:

30 nakomelingen met: gegolfde, lange, bruine beharing
4 nakomelingen met: gegolfde, korte, bruine beharing
28 nakomelingen met: gegolfde, lange, kleurloze beharing
3 nakomelingen met: gegolfde, korte, kleurloze beharing
4 nakomelingen met: gladde, lange, bruine beharing
31 nakomelingen met: gladde, korte, bruine beharing
3 nakomelingen met: gladde, lange, kleurloze beharing
30 nakomelingen met: gladde, korte, kleurloze beharing.

Welke genen zijn gekoppeld?

Genetica

Planten kruisen.

Een kruising tussen een plant met brede, behaarde bladeren en een soortgenoot met smalle, kale bladeren geeft een grote nakomelingschap (F1 ) met brede, kale bladeren. De beide ouderplanten zijn homozygoot en de betrokken genen zijn gekoppeld. Er treedt geen crossing-over op.
De F1 -plant zich voort door zelfbestuiving. De vele nakomelingen worden de F2 genoemd.

Hoe groot zal het deel van de F2 zijn dat smalle, kale bladeren heeft?

Genetica

Planten kruisen.

Bij een bepaalde plantensoort kunnen de bladeren behaard of onbehaard zijn en de bladrand gezaagd of gaaf.
Een plant die behaarde bladeren heeft met gezaagde bladranden en homozygoot is voor deze eigenschappen, wordt gekruist met een plant die onbehaarde bladeren heeft met gave bladranden. Er ontstaat een talrijke F1 , waarvan alle individuen behaarde bladeren met gezaagde randen hebben.
Door onderlinge kruising van deze F1 -individuen ontstaat een F2 -generatie met de volgende samenstelling:

613 planten met behaarde bladeren en gezaagde bladranden
15 planten met behaarde bladeren en gave bladranden
21 planten met onbehaarde bladeren en gezaagde bladranden
204 planten met onbehaarde bladeren en gave bladranden

Valt uit de resultaten af te leiden dat het gen voor wel of geen beharing en het gen voor bladrandvorm gelegen zijn in hetzelfde chromosoom?
Zo ja, waaruit blijkt dat?

Genetica

Koppeling bij wormen.
Zie figuur B 1131 van de bijlage.

In de afbeelding zijn de wijzen van voortplanting van een bepaalde soort worm weergegeven. Met de pijlen zijn processen aangeduid. Bij de wormen van deze soort zijn geen mannelijke dieren bekend. De wormen zijn diploïd en kunnen zich zowel ongeslachtelijk als geslachtelijk voortplanten.
Uit een lichaamscel van een worm kan een nakomeling ontstaan. Ook kan een worm eieren produceren. Als een eicel niet wordt bevrucht, verandert deze in een spermacel. Zo'n spermacel kan een andere eicel bevruchten.
Een worm van deze soort is heterozygoot voor twee gekoppelde genen. Deze worm plant zich zowel ongeslachtelijk als geslachtelijk voort. Er ontstaat een groot aantal nakomelingen. Er wordt van uitgegaan dat er geen mutatie, maar wel crossing-over optreedt.

Hoeveel verschillende genotypen kunnen maximaal onder deze nakomelingen voorkomen?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Oogkleur bij muizen.

Er vindt een kruising plaats tussen een zwarte muis met bruine ogen en een witte muis met blauwe ogen. Deze muizen zijn voor beide eigenschappen homozygoot. Alle F1 -dieren zijn zwart en hebben bruine ogen. Uit deze F1 ontstaat de volgende F2 :

164 zwart met bruine ogen;
27 wit met bruine ogen;
28 zwart met blauwe ogen;
37 wit met blauwe ogen.

Is het waarschijnlijk dat de genen voor vachtkleur en oogkleur in hetzelfde chromosomenpaar voorkomen?
Zullen door de F1 -dieren ongeveer evenveel gameten gevormd zijn met allelen voor zwarte vacht en bruine ogen als er gameten gevormd zijn met allelen voor witte vacht en blauwe ogen?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Koppelingsgroepen.
Zie figuur B 2399 van de bijlage.

In de figuur is de plattegrond getekend van drie paar homologe chromosomen in één kern, waarop de ligging van de allelen A t/m H en a t/m h is aangegeven.

Hoeveel koppelingsgroepen zijn in deze figuur weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Vruchtvormen.

De vruchtjes van het herderstasje zijn rond of driehoekig.
Een kruising van een plant met driehoekige vruchtjes en een plant met ronde vruchtjes levert een F1 op met driehoekige vruchtjes.
Na zelfbestuiving van de F1 -individuen ontstaat een F2 waarin planten met driehoekige vruchtjes en een planten met ronde vruchtjes voorkomen in een verhouding van 15:1.

Hoeveel allelenparen zijn ten minste betrokken bij de totstandkoming van de vorm van de vruchtjes?

Genetica

Aantallen haren.

Bij een insectensoort wordt het aantal haren (drie, vier of vijf) op het rugschild bepaald door twee onafhankelijk van elkaar overervende allelenparen (E, e; F, f). Er bestaan van deze soort drie homozygote rassen: met drie, vier of vijf haren.
Een homozygoot dier met vijf haren en een homozygoot dier met vier haren worden gekruist. In de F1 worden uitsluitend dieren met vijf haren gevonden.
Na onderlinge kruising van de F1 blijkt dat één zestiende deel van de talrijke nakomelingen op het rugschild drie haren heeft.

Wat zijn de genotypen van de dieren in de P-generatie?

Genetica

Oogkleur.

Bij ratten komt de oogkleur tot stand onder invloed van twee gekoppelde allelenparen. Als er van elk allelenpaar tenminste één dominant allel aanwezig is, dan heeft de desbetreffende rat een donkere oogkleur.
Als er van één of van elk van beide allelenparen alleen het recessieve allel aanwezig is, dan heeft de desbetreffende rat een lichte oogkleur. Homozygoot donkerogige ratten worden gekruist met homozygoot recessieve ratten. De F1 -dieren worden vervolgens weer gekruist met homozygoot recessieve soortgenoten. Uit deze laatste serie kruisingen ontstaan in totaal 450 donkerogige en 550 lichtogige nakomelingen.

Wat is het percentage nakomelingen met een genotype dat door crossing-over is ontstaan?

Genetica

1/3 Cavia's kruisen.

Gegeven een kruising van cavia's:

- zwart, gladharig x wit, ruwharig.

De F1 -dieren zijn alle zwart, ruwharig.

Hoe erven de eigenschappen over?

Genetica

2/3 Cavia's kruisen.

Werk de genotypen uit tot en met de F2 .

Genetica

1/3 Duiven.
Zie figuur B 1410 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
Een bepaald ras sierduiven (Altstümmer Tuimelaars) kan wit, witpen of geëksterd zijn. In de afbeelding is de overerving van de verentekening en van de veerkleur weergegeven.
Homozygote witpen duiven (eenkleurig met witte buitenste slagpennen) worden gekruist met homozygote witte duiven. De talrijke nakomelingen vertonen alle een geëksterde tekening.
In de talrijke F2 die uit deze nakomelingen wordt gefokt, komen witpen, geëksterde en witte exemplaren voor in de verhouding 1 : 2 : 1.

De volgende twee verklaringen voor dit kruisingsresultaat worden geopperd:

1. Bij de beschreven kruising spelen twee onafhankelijk overervende allelenparen een rol; het ene allelenpaar bepaalt de kleur (witpen of wit), het andere allelenpaar bepaalt de verentekening (geëksterd of niet-geëksterd). De duiven in de F1 hebben zowel allelen voor kleurstof als voor geëksterd.
2. Bij de beschreven kruising spelen twee gekoppelde allelenparen een rol waartussen geen crossing-over optreedt: het ene allelenpaar bepaalt de kleur (witpen of wit), het andere allelenpaar bepaalt de verentekening (geëksterd of niet-geëksterd). De witpenduif uit de P-generatie heeft wel de allelen voor kleurstof, maar niet voor geëksterd. De witte duif uit de P-generatie heeft niet de allelen voor kleurstof, maar wel voor geëksterd.

Zie volgende scherm

Genetica

2/3 Duiven.

Geef een volledige en stapsgewijze uitwerking van beide verklaringen. Bereken voor elk van beide verklaringen welke verhouding van de fenotypen op grond van die verklaring in de F2 te verwachten is.

afbeeldingafbeelding

Genetica

3/3 Duiven.

Is op grond van deze berekeningen verklaring 1 of verklaring 2 juist?

Genetica

1/3 Een kruising.

Gegeven een kruising van cavia's: zwart, gladharig x wit, ruwharig.

De F1 -dieren zijn alle zwart, ruwharig.

Hoe erven de eigenschappen over?

Genetica

2/3 Een kruising.

Werk de genotypen uit tot en met de F2 .

Genetica

3/3 Een kruising.

Wat is de verhouding van de fenotypen in de F2 ?

Genetica

1/3 Een kruising.

Men kruist een erwtenplant met gele, ronde zaden met een plant met groene kantige zaden.
Er ontstaan in de F1 vier verschillende fenotypen in de zaden.
Geel en rond zijn dominant.

Wat is het genotype van de ouderplant met gele, ronde zaden?

Genetica

2/3 Een kruising.

Welke andere genotypen kunnen planten met gele, ronde zaden hebben?

Genetica

3/3 Een kruising.

Wat is het resultaat (fenotype) van de terugkruising van planten met gele, ronde zaden met de dubbelrecessieve ouder?

Genetica

Maïs kruisen.

Bij maïsplanten bestaat de bloeiwijze uit een bloeikolf in de oksel van een blad en waarop de vrouwelijke bloemen zitten. De mannelijke bloemen bevinden als een bloeipluim in de top van de plant.
Men kruist twee maïsplanten waarvan de maïskorrels zijn:

- zwart, geschrompeld en geel, glad.

In de F1 ontstaan planten waarvan de kolven geheel uit zwarte en geschrompelde korrels bestaan.

Geef met een kruisingsschema aan hoe de maïskolven in de F2 er uit zullen zien?

Genetica

Koeien kruisen.

Bij runderen bestaat het zogenaamde 'blaarkop'-type uit een dier met een egale lichaamskleur en een witte kop.
Gekruist worden twee homozygote runderen:

- rode, blaarkop koe x zwart, bonte stier.

Alle F1 -dieren zijn zwart en blaarkop.
Na onderlinge kruising van de F1 -dieren ontstaat een F2 met:

zwart, blaarkop,
zwart, bont,
rood, blaarkop,
rood, bont.

Hoe erven de kleur en het kleurpatroon bij runderen over? Verklaar deze uitspraak met een snelrekenschema.

Genetica

1/2 Leeuwenbekjes.

Gegeven een kruising van leeuwenbekjes:

- rode, onregelmatige bloemen x witte, regelmatige bloemen.

De F2 ziet er als volgt uit:

119 rose, onregelmatig,
61 rode, onregelmatig,
21 rode, regelmatig,
62 witte onregelmatig,
39 rose, regelmatig,
18 witte, regelmatig.

Wat is het genotype van de ouders?

Genetica

2/2 Leeuwenbekjes.

Wat zijn de geno- en fenotypen van de F1 -planten?

Genetica

Genetica van kanaries.

Bij kanaries bepalen drie genen, A, B en D, de kleur van de veren.
Zijn A, B en D alle drie minstens eenmaal dominant aanwezig, dan wordt de kanarie groen. Ontbreekt alleen het dominante allel B, dan wordt de kanarie bruin. Als alleen het dominante allel D ontbreekt, dan wordt de kanarie agaatkleurig. Als zowel B als D ontbreken en alleen A als dominant allel aanwezig is, dan wordt de kanarie isabelkleurig.
Een homozygoot groene mannetjeskanarie wordt gekruist met een homozygoot isabelkleurig vrouwtje. De F1 wordt onderling gekruist. De drie betrokken factoren erfelijk onafhankelijk van elkaar over.

Wat is de verhouding van de kleuren in de F2 ?

Genetica

Tweelingen.

Twee eeneiige tweelingbroers Peter en Robert trouwen met twee eeneiige tweelingzussen Thea en Suzan.
Peter heeft rood haar (veroorzaakt door een autosomaal recessief gen r). Zijn schoonzus Suzan heeft blond haar en bloedgroep B. Haar man Robert heeft bloedgroep A.
Peter en Thea hebben twee kinderen. Abel heeft rood haar en bloedgroep AB. Christien is kleurenblind, net als haar moeder.
Robert en Suzan hebben één kind, Bart. Hij heeft rood haar en bloedgroep O.

Geef de volledige genotypen voor drie kenmerken van Peter, Robert, Thea en Suzan.

Genetica

Grasparkieten.
Zie figuur B 5427 van de bijlage.

De verenkleur van grasparkieten wordt bepaald door twee genen. Vogels met Y.B. zijn groen, vogels met yyB. zijn blauw en vogels met yybb zijn wit.
Twee blauwe parkieten werden gekruist. Zij produceerden in totaal 22 jongen, waarvan vijf witte.

Wat zijn de meest waarschijnlijke genotypen van de ouders?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Twee ziekten.

Stel er zijn twee ziekten A en B, die beide recessief overerven. Men weet uit onderzoek dat het allel dat bij ziekte A betrokken is, op het zelfde chromosoom ligt als het gen dat zorgt voor kleurenziend of kleurenblind. Van ziekte B weet men dat het allel dat daarbij betrokken is, op het chromosoom ligt dat betrokken is bij het syndroom van Down.
Een aantal vrouwen in verwachting vraagt om een vruchtwaterpunctie, sommige omdat ze bang zijn dat hun kind ziekte A heeft en anderen met angst voor ziekte B.

Hoe zal de betrokken specialist handelen?

Genetica

2/4 Fruitvliegjes.

In 1922 had de onderzoeker Thomas Hunt Morgan 2000 genen ontdekt op de 4 verschillende chromosomen van het fruitvliegje.

Hoe groot is de kans dat twee van die genen toevallig op hetzelfde chromosoom liggen en dus gekoppeld zijn? Ga ervan uit dat de chromosomen allemaal even lang zijn.

Genetica

1/2 Labradors.
Zie figuur B 5447 van de bijlage.

Twee verschillende genen bepalen de vachtkleur bij Labradorhonden (zie afbeelding hiernaast). Het ene gen zorgt ervoor dat de basiskleur van de vacht zwart of bruin wordt, waarbij zwart domineert over bruin. Het andere gen zorgt voor een 'verbleking' van de vacht, waardoor deze geel wordt. Als een Labrador homozygoot recessief is voor dit tweede gen, wordt de vacht van de hond geel, ongeacht de zwarte of bruine basiskleur.
De kleur van de snuit van Labradors hangt alleen af van het gen voor de basiskleur.
Vijf voor alle beschreven kleuren homozygote zwarte teven worden gedekt door gele reuen die allen homozygoot zijn voor bruin.
De jongen die hieruit ontstaan, worden onderling gekruist.
Van de nakomelingen heeft x/16 een gele vacht.

Hoe groot is x?
x = ...

[invulveld]

afbeeldingafbeelding

Genetica

2/2 Druiven.

Door onderlinge bestuiving van twee planten met witte druiven ontstaan uitsluitend planten met blauwe druiven (tweede generatie). Men kweekt deze planten met blauwe druiven verder door middel van zelfbestuiving.

Hoe groot is de kans op planten met blauwe druiven als uit willekeurige planten met witte druiven uit de laatste generatie door zelfbestuiving nieuwe planten gekweekt worden?
... %

Genetica

1/3 Ziekte van Tay-Sachs en korte vingers.

De ziekte van Tay-Sachs wordt veroorzaakt door een autosomaal (=niet geslachtschromosoom gekoppeld), recessief gen dat gelokaliseerd is op chromosoom nummer 15. In homozygote vorm (tt) veroorzaakt dit voortschrijdende afwijkingen in het zenuwstelsel waardoor de patiënt binnen 4 jaar na de geboorte overlijdt. Het dominante allel veroorzaakt een normaal fenotype.
Abnormale korte vingers worden veroorzaakt door het heterozygote genotype: BBL . BL is een letaal allel dat niet is gelokaliseerd op chromosoom 15. Vingers met een normale lengte hebben het genotype BB.

Welke genotypen kun je verwachten onder tieners waarvan beide ouders abnormale korte vingers hebben en beide heterozygoot zijn voor de ziekte van Tay-Sachs?

Genetica

Pompoenen.

Pompoenen kunnen drie kleuren hebben: wit, geel of groen. Deze kleuren worden bepaald door de genen R, r, T en t.
Planten met genotype Rr of RR hebben witte vruchten, ongeacht welke allelen er aanwezig zijn op de andere locus.
Bij planten met genotype rr is de vrucht geel als er een dominant allel T aanwezig is en groen als dit allel niet aanwezig is.
Men kruist twee planten met witte vruchten. Dit levert een F1 op met de volgende verhouding:

· 3/4 planten met witte vruchten;
· 3/16 planten met gele vruchten;
· 1/16 plant met groene vruchten.

Noteer de genotypen van de beide ouderplanten.

Genetica

Pigmentatie.

In 1913 stelde C.B. Davenport dat pigmentatie van de huid bij mensen uit het Caraïbische gebied berust op twee niet gekoppelde allelenparen. De hoeveelheid pigment wordt bepaald door het aantal dominante allelen.
Hij onderscheidde vijf huidskleuren:

- blank,
- lichte mulattenkleur,
- mulattenkleur,
- donkere mulattenkleur,
- zwart.

Hoeveel procent van de nakomelingen van mensen met een lichte mulattenkleur zal twee dominante allelen hebben volgens de theorie van Davenport?
Dat is ... %.

[invulveld]

Genetica

Pseudohermaphroditismus masculinus.

De genetische afwijking Pseudohermaphroditismus masculinus bij de mens houdt in dat een XY-genotype uitgroeit tot een vrouwelijk fenotype.
Van deze afwijking komen twee vormen voor, elk berustend op een autosomaal overervend gen.

Type 1 noemt men wel het 'hairless' syndroom: de betrokken personen hebben wel borstontwikkeling, maar geen secundaire lichaamsbeharing. De afwijking wordt veroorzaakt door een autosomaal dominant allel H, dat zich echter alleen kan uiten bij XY-genotypen.
Type 2 noemt men wel 'pseudovaginale'. Ook deze afwijking uit zich alleen bij XY-genotypen ; zij vertonen geen borstontwikkeling, maar hebben wel een vrouwelijk patroon van lichaamsbeharing. De afwijking wordt veroorzaakt door een autosomaal recessief allel p.

Welke primaire of secundaire1 fenotypische geslachtsverhouding meisje : jongen kun je verwachten bij de kinderen van een volledig heterozygote vrouw (HhPp) en een normale man die drager is van pseudohermaphroditisme (hhPp)?
1 primair = bij de bevruchting; secundair = bij de geboorte

Genetica

Genetica van katten.

Kruist men een rode poes met een zwarte kater, dan heeft 50% van de jongen een lapjespatroon en is 50% rood. Kruist men een zwarte poes met een rode kater, dan heeft 50% van de jongen een lapjespatroon en is 50% zwart.

Welk van de volgende beweringen is of welke zijn van toepassing op deze kruisingen?

Genetica

Chimpansee-genetica.

Bij chimpansees wordt lang haar veroorzaakt door een recessief allel (l) en kort haar door een dominant allel (L). Zwart haar wordt veroorzaakt door het dominante allel B en bruin haar door het recessieve allel b.

Als een heterozygoot kortharig bruin vrouwtje paart met een dubbel heterozygoot kortharig zwart mannetje, wat is dan de verhouding kort : lang haar bij de jongen?
En wat is de verhouding zwart: bruin haar bij de jongen?
Laat de kruisingsschema's zien.

Genetica

Genetica van erwtenplanten.

Bij erwtenplanten is het allel voor gele erwten (G) dominant over dat voor groene erwten (g).
Het allel voor ronde erwten (R) is dominant over dat voor hoekige erwten (r).
Het resultaat van een kruising tussen twee erwtenplanten staat in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Wat waren de genotypen van de ouders?