Oefentoets Biologie: Voortplanting - mens_algemeen | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 30 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

30

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

Voortplanting van de mens.

Hieronder staan vier uitspraken over de voortplantingsorganen van de mens:

1. spermacellen blijven in de voortplantingsorganen van een vrouw ten hoogste enkele dagen in staat een eicel te bevruchten;
2. bij een man van wie de spermaleiders onderbroken zijn, kunnen geen hormonen uit de testes worden afgevoerd;
3. de opslag van spermacellen vindt plaats in de zaadblaasjes;
4. spermacellen ontstaan in de testes en in de zaadblaasjes.

Welke uitspraak is juist?

Voortplanting

De vorming van een mannelijke zygote.

Bij de vorming van een mannelijke zygote bij de mens leveren de beide ouders niet eenzelfde aantal genen en niet eenzelfde hoeveelheid cytoplasma.

Welke ouder levert de meeste genen?
Welke ouder levert het meeste cytoplasma?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Meiose in voortplantingscellen.

Bij de vorming van voortplantingscellen bij mannen ondergaan de zogenaamde spermamoedercellen meiose. Hierna vindt differentiatie plaats tot spermacellen.

Hoeveel spermacellen ontstaan er uit één spermamoedercel?
Verandert bij de differentiatie het aantal chromosomen in de cel?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

De vorming van een eicel.
Zie figuur B 510 van de bijlage.

Het schema geeft de vorming van een eicel bij een zoogdier weer.
Zes delingsproducten zijn aangegeven met een cijfer.

Welk delingsproduct is of welke delingsproducten zijn haploïd?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Een twee-eiige tweeling.

Een vrouw (v) bevalt van een twee-eiige tweeling.

Zijn de eicellen waaruit deze tweeling is ontstaan, in dezelfde eierstok tot rijping gekomen of is de ene eicel in de linker en de andere eicel in de rechter eierstok tot rijping gekomen of is het niet te bepalen?

Voortplanting

Spermacellen.

Over de vorming van spermacellen in de testes van een man worden drie beweringen gedaan:

1. aan het begin van de meiose-II bestaat elk chromosoom uit twee chromatiden;
2. de spermamoedercellen ontstaan in de testes door mitotische celdelingen;
3. vermindering van de hoeveelheid cytoplasma en vorming van de staart van een spermacel vinden plaats na afloop van de meiose-II.

Welke van deze beweringen zijn juist?

Voortplanting

Vruchtwaterpunctie.
Zie figuur B 1503 van de bijlage.

Het is met behulp van verschillende technieken mogelijk informatie te krijgen over een embryo in de baarmoeder van een vrouw. Eén van die technieken is vruchtwaterpunctie (zie de afbeelding). Bij vruchtwaterpunctie wordt met een fijne naald een kleine hoeveelheid vruchtwater opgezogen, waarin zich onder andere losse cellen van het embryo bevinden.
Een onderzoeker wil embryonale cellen bestuderen om vast te stellen of er een afwijking bestaat in het aantal chromosomen per cel of in de vorm van de chromosomen.

Welke eigenschappen moeten de cellen uit het vruchtwater hebben, zodat ze geschikt zijn voor het onderzoek?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Het ontstaan van tweelingen.

Over het ontstaan van tweelingen bij de mens worden vier beweringen gedaan:

1. Een tweeling kan ontstaan na de bevruchting van één eicel door één spermacel.
2. Een tweeling kan ontstaan na de bevruchting van één eicel door twee spermacellen.
3. Een tweeling kan ontstaan na de bevruchting van twee eicellen door dezelfde spermacel.
4. Een tweeling kan ontstaan na de bevruchting van twee eicellen elk door één spermacel.

Welke beweringen zijn de juiste?

Voortplanting

Tijdens de zaadlozing.

Urine is zaaddodend.

Hoe wordt zaadlozing een urinelozing voorkomen?

Voortplanting

Zaadcellen en warmte.

Wanneer de testes zich in de buikholte bevinden, waar de temperatuur 37°C is, wordt een normale hoeveelheid testosteron gevormd, doch de vorming van de spermacellen vindt dan niet of nauwelijks plaats.
Wanneer de testes zich in de balzak bevinden, waar de temperatuur 35°C is, worden zowel een normale hoeveelheid testosteron als spermacellen gevormd.

Op grond van het bovenstaande worden de volgende uitspraken gedaan:

1. de temperatuur beïnvloedt de vorming van testosteron en daardoor de vorming van spermacellen.
2. de vorming van spermacellen is zelf is temperatuurgevoelig.

Is uitspraak 1 een juiste conclusie uit de gegevens?
En uitspraak 2?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Sperma.

Sperma is

Voortplanting

1/2 Prenatale genetische diagnostiek (PGD).

Tegenwoordig is men in staat om, voordat bevruchte eicellen in de baarmoeder worden teruggeplaatst, deze genetisch te onderzoeken op erfelijke afwijkingen.

Welke consequenties kan prenatale gendiagnostiek hebben voor het sluiten van een levensverzekering?

Voortplanting

2/2 Prenatale genetische diagnostiek (PGD).

En welke voor het krijgen van een latere arbeidstoekomst?

Voortplanting

1/2 Een tweeling.

Een vrouw (v) bevalt van een twee-eiige tweeling.

Zijn de eicellen waaruit deze tweeling is ontstaan, in dezelfde eierstok tot rijping gekomen of is de ene eicel in de linker en de andere eicel in de rechter eierstok tot rijping gekomen of is het niet te bepalen?

Voortplanting

2/2 Een tweeling.
Zie figuur B 1134 van de bijlage.

In de afbeelding is een stamboom weergegeven. Vrouw v heeft het fenotype dat behoort bij een bepaalde erfelijke eigenschap (fenotype Q).

Kan op grond van de gegevens in deze stamboom met zekerheid worden bepaald hoe groot de kans is dat kind r of kind s fenotype Q heeft?
Zo ja, hoe groot is die kans?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

1/3 In verwachting van een tweeling.
Zie figuur B 1248 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een doorsnede van de baarmoeder van een zwangere vrouw weer. Zij verwacht een tweeling (foetus 1 en foetus 2). Vier organen zijn met letters aangegeven. Gelet op de resusbloedgroepen en de bloedgroepen van het ABO-stelsel, behoren de moeder en beide foetussen in de afbeelding tot de volgende bloedgroepen:

moeder: resusnegatief, bloedgroep A;
foetus 1: resuspositief, bloedgroep A;
foetus 2: resusnegatief, bloedgroep B.

Vlak vóór de bevalling vertoont alleen foetus 1 verschijnselen van een resuskind. Dit betekent dat bij foetus 1 verhoogde bloedafbraak optreedt en een hoge concentratie van afbraakproducten van hemoglobine in het bloed ontstaat.
Over foetus 2 worden de volgende beweringen gedaan:

1. In het bloed van foetus 2 ontbreken resusantigenen, zodat de resusantistoffen uit het bloed van de moeder geen bloedafbraak bij foetus 2 veroorzaken.
2. In het bloed van foetus 2 komen specifieke antistoffen voor die resusantistoffen uitschakelen; hierdoor wordt verhoogde bloedafbraak verhinderd.
3. In het bloed van foetus 2 ontbreken resusantistoffen, zodat de resusantigenen uit het bloed van de moeder geen bloedafbraak bij foetus 2 veroorzaken.
4. Resusantistoffen van foetus 2 zijn in het bloed van de moeder terechtgekomen; hierdoor zijn de resusantigenen van de moeder uitgeschakeld.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/3 In verwachting van een tweeling.
Zie figuur B 1248 van de bijlage.

De ouders van de tweeling kunnen normaal kleuren zien. Het allel voor normaal kleuren zien is dominant over dat voor rood-groen-kleurenblindheid. Deze allelen zijn X-chromosomaal. In de celkernen van de cellen van orgaan R in de afbeelding komt het allel voor kleurenblindheid voor.

In welk of in welke van de organen P, Q en S bevatten de cellen zeker het allel voor kleurenblindheid?

In het orgaan/de organen:

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

3/3 In verwachting van een tweeling.
Zie figuur B 1248 van de bijlage.

Een slagader vervoert bloed van de moeder naar orgaan Q (zie de afbeelding). De pO2 van dit bloed is 9,3 kPa. De pO2 van het bloed in een ader die bloed van de moeder van orgaan Q wegvoert, is 5,5 kPa.
De pO2 van het bloed in een navelstrengslagader wordt vergeleken met die in de bovengenoemde ader en slagader van de moeder.

Hoe groot is de pO2 van het bloed in een navelstrengslagader?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Ontwikkeling.
Zie figuur B 3804 van de bijlage.

In de afbeelding is in figuur 1 het voortplantingsstelsel van een vrouw schematisch getekend.

1. Welk nummer geeft de vagina aan? [invulveld]
2. Met welk nummer is het deel aangegeven waar zich follikels bevinden? [invulveld]
3. Na bevruchting vindt ontwikkeling van het embryo plaats. In de afbeelding is in figuur 2 een gedeelte van deze ontwikkeling weergegeven.

In welk deel van figuur 1 vindt deze ontwikkeling plaats? [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Implantaten, libido, endocrinoloog, gynaecoloog, obstetrie.

Geef de betekenis van de volgende termen.

a. implantaten,
b. libido,
c. endocrinoloog,
d. gynaecoloog,
e. obstetrie.

Voortplanting

Hapje poep.
Zie figuur B 5874 van de bijlage.

In het blad BioNieuws stond het volgende artikel:
Bij een natuurlijke geboorte bepalen vooral de bacteriën van je moeder de samenstelling van je darmflora. Na ongeveer twee weken verandert de flora niet meer, net zoals een vingerafdruk. Een baby uit een keizersnede mist deze bagage van de moeder en krijgt een darmflora van slechte ziekenhuis-bacteriën, met allergie op latere leeftijd als gevolg. Gastro-intestinaal fysioloog professor Lois Akkermans kwam op het symposium Darmflora in Beweging met een oplossing. Laat babies vlak na hun geboorte een hapje poep van hun moeder nemen, net als olifantjes. Een smerig idee? Even rollen in de poep is ook effectief.

Wanneer komen bij een natuurlijke geboorte de bacteriën uit de darmflora van de moeder in het lichaam van de baby terecht?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Erectie.

Wat gebeurt er in de bloedvaten, als een menselijke penis in erectie komt?

Voortplanting

Secundaire geslachtskenmerken.

Welk van de volgende kenmerken hoort niet tot de secundaire geslachtskenmerken van de mens?

Voortplanting

Thomas Quasthoff.
Zie figuur B 5892 van de bijlage.

Hiernaast zie je de Duitse zanger Thomas Quasthoff, die een aangeboren afwijking aan zijn armen heeft. De afwijking is ontstaan door gebruik van het slaapmiddel thalidomide (Softenon) door zijn moeder tijdens de zwangerschap.

Kan Thomas kinderen krijgen met normale armen? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Erfelijke afwijkingen.

Om erfelijke afwijkingen van een embryo vóór de geboorte op te sporen past men een vlokkentest toe.

Van wie zijn de te onderzoeken cellen afkomstig?

Voortplanting

Eicel.

Het binnendringen van een spermacel in een eicel (secundaire oöcyt) bij de mens heeft voor gevolg dat

Voortplanting

Ontwikkeling van eicellen.

De ontwikkeling van eicellen (oögenese) verschilt sterk van de ontwikkeling van zaadcellen (spermatogenese).

Welke van de volgende uitspraken omtrent de ontwikkeling van eicellen is niet juist?

Groei en ontwikkeling

Groeicurven.
Zie figuur B 5935 van de bijlage.

In nevenstaand diagram staan voor de mens drie groeicurven aangegeven (I, II en III). Deze groeicurven hebben betrekking op lichaamslengte, volume van hersenen en hoofd en volume van de voortplantingsorganen.

Zet de curves in de rechter kolom bij het juiste nummer in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • volume van hersenen en hoofd

  • lichaamslengte

  • volume van de voortplantingsorganen

  • I

  • II

  • III

Voortplanting

Erfelijke afwijkingen.
Zie de figuren A 630 en A 631 van de bijlage.

De volgende methoden worden gebruikt om een eventuele erfelijke afwijking bij een embryo vast te stellen:

1. de vroege biopsie',
2. de late biopsie',
3. de vruchtwaterpunctie.

Een echtpaar zoekt argumenten op basis waarvan het kan kiezen uit deze methoden.

Geef voor methode 1 een medisch-biologisch argument om die methode wel toe te passen òf een medisch-biologisch argument om die methode niet toe te passen. Geef aan of je argument vóór of tegen toepassing is.
Doe hetzelfde voor methode 2 en voor methode 3. Je argumenten moeten verschillend zijn.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Voortplanting

1/2 Ziekte van Huntington.
Zie figuur B 4395 van de bijlage.

In 1873 beschreef George Huntington een ziektebeeld, waarbij de patiënt door aantasting van de zenuwcellen de controle over bewegingen, spraak en gedrag steeds verder verliest. De naar hem vernoemde ziekte van Huntington is nog niet te behandelen en leidt uiteindelijk tot de dood.
Het is een dominant overervende ziekte die zich pas op latere leeftijd openbaart. Jarenlang hebben onderzoekers op een klein stukje van chromosoom 4 gezocht naar het gen dat veranderd is bij de ziekte van Huntington. In 1993 kwam de doorbraak. Ze isoleerden het gen en noemden het eiwit dat erdoor wordt gecodeerd huntingtine.
Behalve de eerder beschreven DNA-test na de geboorte is er ook een prenatale test mogelijk. Bij een vlokkentest wordt met behulp van een echoscoop de plaats bepaald van waaruit, via de buikwand of via de vagina, met een holle naald (katheter) wat chorionweefsel wordt opgezogen. Deze test kan plaatsvinden vanaf de 10e week van de zwangerschap. Bij een vruchtwaterpunctie wordt wat vruchtwater opgezogen via de buikwand of via de vagina. Deze test wordt meestal in de 16e of 17e week van de zwangerschap uitgevoerd.
In afbeelding 2 zijn beide methoden weergegeven.
De prenatale test moet uitgevoerd worden door een arts met voldoende ervaring in deze techniek vanwege het risico op een miskraam: 1 tot 2% van de gevallen bij een vlokkentest en rond 0,5% bij een vruchtwaterpunctie.
Hiermee moet dus rekening worden gehouden bij het beslissen voor een prenatale test.

Noem nog een consequentie waarmee rekening moet worden gehouden bij het nemen van de beslissing over het al of niet uitvoeren van een prenatale test.

afbeeldingafbeelding