Oefentoets Biologie: Ecologie - ecosystemen | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 1

Deze oefentoets bevat 17 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

17

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

2/7 Grazende diergemeenschappen.
Zie figuur B 5187 van de bijlage.

De gewichtsratio van de grazersgemeenschap bepaalt voor een belangrijk deel de soortenrijkdom.
Hoe kleiner het verschil tussen twee opeenvolgende soorten, des te meer grazers er een plaatsje op de savanne vinden. Het verschil tussen de zwaarste en de lichtste grazer in een gebied geeft samen met de gewichtsratio de soortenrijkdom aan.

Welke conclusie kun je nu trekken over het aantal soorten in gilde I en gilde II?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Veranderingen in een ecosysteem.

Welke van de volgende veranderingen zal in een ecosysteem plaats vinden, als door één of andere oorzaak het aantal trofische niveaus zou toenemen?

Ecologie

Duiven.

Op een grote groep eilanden voor de kust van Papoea Nieuw Guinea komen twee duivensoorten voor.
Van 33 eilanden zijn er 14 waar de ene duivensoort voorkomt, 6 waar de andere soort voorkomt en 13 eilanden waar geen van beide soorten duiven voorkomt.

Welk van de volgende verklaringen is hier het meest waarschijnlijk?

Ecologie

Weiland langs de kust.

Een deel (A) van een weiland langs de kust van de Waddenzee wordt regelmatig overstroomd met zeewater. Een ander deel (B) van het weiland wordt door een dijkje beschermd tegen overstroming.
Over deel A en deel B van het weiland worden de volgende beweringen gedaan:

1. De osmotische waarde van de cellen van de kruidachtige planten in deel A is lager dan de osmotische waarde van de cellen van de kruidachtige planten in deel B.
2. Gemiddeld zal het aantal huidmondjes per cm2 bladoppervlak bij de planten in deel A groter zijn dan dat aantal in B.
3. Zowel in deel A als in deel B komen bloeiende planten voor.

Kruis het nummer van de juiste bewering of de nummers van de juiste beweringen aan.

Ecologie

Ecosysteem.
Zie figuur B 5236 van de bijlage.

Nevenstaande figuur heeft betrekking op een ecosysteem.

Zet de begrippen in de rechter kolom bij de juiste nummers in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • totale biomassa

  • bruto productie

  • ademhaling van de totale gemeenschap

  • netto productie

  • 1

  • 2

  • 3

  • 4

Ecologie

Zoetwaterecosysteem.

In stabiele zoetwatersystemen houden de diverse onderdelen van de voedselkringloop elkaar in evenwicht. Het water is helder. Licht dringt ver door, zodat op de bodem waterplanten kunnen groeien. Deze waterplanten bieden snoeken een schuilplaats. Bovendien zet de snoek zijn eieren af op waterplanten. Er is weinig algengroei in dit water. Hieronder staat een achttal beweringen.

Kies uit welke combinatie van beweringen juist is.

1. Het aantal soorten in dit ecosysteem is constant.
2. Het water is soortenrijk en arm aan individuen.
3. Het water is soortenarm en rijk aan individuen.
4. Het aantal individuen van een soort schommelt rond een evenwicht;
5. Het water is oligotroof;
6. Het water is eutroof;
7. Het water is zuurstofarm door de waterplanten;
8. Een snoek is een predator en een consument;

Ecologie

1/4 Stabiliteit van een ecosysteem.

Lees onderstaand artikel.

Model voorspelt stabiliteit ecosysteem
Met een nieuw wiskundig model kunnen Nederlandse biologen veranderingen in ecosystemen beter voorspellen dan voorheen werd gedacht. Dat doen ze door te berekenen hoe sterk de relaties zijn tussen roofdieren en hun prooien. Ook het bepalen van de invloed van klimaatverandering komt een stukje dichterbij.
In theorie, in elk geval. Biologen uit Utrecht, Wageningen en Yerseke in Zeeland publiceerden in het wetenschappelijke tijdschrift Nature een model waarop lang is gewacht. Het is het eerste onderzoek waaruit wiskundig blijkt dat ecosystemen hun voedselwebben zelf heel goed in stand kunnen houden na verstoringen. Want de stabiliteit van een complex systeem zit hem in de kracht van de relaties tussen soorten.

Onbewijsbaar vermoeden
Hoe meer soorten samen in één ecosysteem zitten, hoe meer relaties er tussen hen bestaan. Een roofdier eet een bepaalde prooi, maar daardoor wordt de hoeveelheid prooien kleiner. Dat heeft weer invloed op de hoeveelheid roofdieren. Het aandeel van een soort in een ecosysteem wordt niet gemeten in hoeveelheid dieren, maar in de biomassa van die soort. In complexe voedselwebben is de hoeveelheid biomassa van de toppredator het kleinst. Een roofdier gebruikt dan ook niet alle energie in het voedsel om van te groeien. Een complex systeem kun je tekenen als een piramide, waarbij het toproofdier bovenin zit en de laagste prooi onder.
Ecologen denken al jaren dat grotere en daarmee complexere systemen stabieler zijn dan systemen met weinig soorten. Door de vele relaties tussen prooien en roofdieren reageren alle soorten snel op verstoringen en is het systeem snel weer stabiel. Maar dit was nooit wiskundig aangetoond. Sterker nog, de modellen bewezen juist het tegengestelde. Ingewikkelde voedselwebben waren volgens de computer juist zwakker. De reden daarvoor zou kunnen zijn dat iedere soort in het systeem op een onvoorspelbare manier invloed kan hebben op elke andere soort.

Voorbeeld van een voedselweb: de Golf van Alaska
Zeeotters die alleen leven van zee-egels, hebben ook invloed op de hoeveelheid sponzen, zeeanemonen en nog veel meer soorten in de Golf van Alaska. Dat komt doordat de zeeegels grazen van het kelpwoud, gigantische onderzeese bossen van tientallen meters lange bruinwieren. In dat kelpwoud leeft een enorme diversiteit aan dieren. Enkele jaren geleden bleek dat zeeotters steeds meer ten prooi vallen aan orka’s. Die laatste leefden voorheen van de grootste dieren ter aarde: baleinwalvissen. Maar doordat er nog maar weinig van die reuzenprooien te vinden zijn, is de orka overgestapt op een muizenhapje, de zeeotter. Daar heeft hij heel wat exemplaren van nodig om aan zijn dagelijkse kostje te komen. Zo is nu nog minder dan tien procent van de oorspronkelijke otterpopulatie in leven. Dat de grote jager van het kelpwoudgebied, de zeeotter, het loodje legde was te merken aan de andere aanwezige soorten. Zee-egels bleven massaal in leven en deden zich tegoed aan de lange slierten bruinwier. Acht procent van de bruinwierbiomassa bleef over. Dat bedreigt ook de vele soorten die de kelp normaal beschermt.

Prooi beïnvloedt roofdier
De Nederlandse biologen hebben zich nu op een ander kenmerk van het voedselweb gericht. Niet de hoeveelheid onderlinge relaties, maar de kracht van die relaties was belangrijk. Met een nieuwe rekenmethode konden ze bepalen hoe sterk de relaties tussen soorten op zandbodems op Schiermonnikoog en op de Veluwe zijn. Als in het nieuwste model een prooi wordt gegeten door een roofdier, kijken de onderzoekers naar de invloed van de prooi op het roofdier. Hoe sterker de ‘terugkoppeling’ van de prooi, hoe meer het roofdier te lijden heeft van het eten van de prooi. De invloed van een prooi kan reiken tot wel enkele roofdieren omhoog de piramide in. Met hun model kunnen de wetenschappers bijvoorbeeld berekenen hoeveel invloed een nieuw roofdier op een ecosysteem heeft. Maar ook verschijnselen als klimaatverandering zou je kunnen zien als zo’n nieuw roofdier. Het zorgt voor veranderingen in hoeveelheden biomassa en daarna voor een nieuw evenwicht. Wellicht hebben de Nederlandse biologen met hun model dus meer invloed dan ze van tevoren hadden verwacht.

bron: http://www.kennislink.nl/publicaties/model-voorspelt-stabiliteit-ecosysteem

Zie volgende scherm

Ecologie

Vulkanen in de diepzee.

Tekst:
Op de bodem van de Stille Oceaan vinden vulkaanuitbarstingen plaats. Daarbij komen anorganische stoffen in het water. Op deze diepte dringt geen licht door. In organismen die hier leven, vindt koolstofassimilatie plaats met behulp van de energie die vrijkomt bij de omzetting van de vulkanische verbindingen.
Van deze organismen leven weer andere diepzeeorganismen en zo is een volledige koolstofkringloop mogelijk met onder andere organismen die dode resten afbreken.
Het is een eigenaardig idee, dat hier een compleet ecosysteem functioneert zonder zonlicht!

Organismen zijn naar hun functie in een ecosysteem in te delen in de groepen consumenten, producenten en reducenten.

Welke van deze groepen komt of welke komen in het beschreven ecosysteem voor?

Ecologie

Een paradijsvogel.
Zie figuur B 5331 van de bijlage.

Parotia lawesii is een kleurige paradijsvogel, die alleen op Papoea-Nieuw-Guinea voorkomt (zie afbeelding hiernaast). Dat betreft het mannetje. Het vrouwtje is egaal bruin gekleurd.
Naast de limoenkleurige binnenkant van zijn bek en zijn blauwe of gele ogen heeft hij een bijzonder veelkleurige borst.
Tijdens de paringsdans veranderen de borstveren heel plotseling van kleur. De zogeheten baardjes, haakjes aan de zijwaartse vertakkingen van de veerschacht, blijken boemerangvormig in plaats van plat. "De veer werkt als een drievoudige spiegel. In het midden van de boemerangvorm reflecteert het baardje oranje, aan de zijkanten blauw. Door de veer iets te kantelen verandert het spectrum en wordt het gereflecteerde licht ineens geel, groen of paars", vertelt biofysicus Doekele Stavenga, eerste auteur van een artikel waarin dit verschijnsel wordt beschreven.

(bewerkt naar "Parotia lawesii: Veelkleurige hofmaker", door Maartje Kouwen, in Bionieuws van 22 januari 2011)

Hoe noemt men een soort die slechts op één bepaald eiland, zoals hier Papoea-Nieuw-Guinea, voorkomt?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Eieren verwijderen bij de grote ani.
Zie de figuren B 5340 en A 1183 van de bijlage.

De grote ani (Crotophaga major, zie afbeelding hiernaast) is een vogelsoort uit de koekoekenfamilie.
De grote ani komt onder andere voor in Suriname. Op het kaartje van afbeelding A 1183 is de verspreiding van deze vogelsoort te zien.
Elk klein vierkant stelt minstens één waargenomen vogel voor of een groep, grotere vierkanten minstens vier verschillende dagen met waarnemingen en de grootste vierkanten minstens 10. De kleur geeft aan: blauw voor de kustvlakte, geel voor savanne en rood voor het oerwoud.

Wat is blijkbaar de favoriete omgeving van de grote ani?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding