Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie - Osmose_diffusie | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 58 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

58

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Diffusie

In de kieuwen van een vis & de O2 -spanning.

In de kieuwen van een vis wordt het verschil tussen de O2 -spanning van het water en de O2 -spanning van het bloed onder andere gehandhaafd doordat

Diffusie

Gaswisseling bij muggen.
Zie figuur B 1127 van de bijlage.

Bij insecten vindt gaswisseling plaats via tracheeën. Bij muggenlarven die in het water leven, staan de tracheeën via trachee-openingen die boven het water worden uitgestoken, in verbinding met de lucht.
Malaria is een ziekte van de mens die wordt veroorzaakt door een parasiet. Deze parasiet wordt via bepaalde muggensoorten van mens op mens overgebracht. De larven van deze muggen leven in het water. In het kader van de malariabestrijding werd weleens zeep gespoten op het water waarin de muggenlarven leven. De muggenlarven zakken onder water en gaan dan dood doordat de tracheeën vol met water lopen.
Op de diffusie van zuurstof van een trachee-opening naar de lichaamscellen hebben onder andere de volgende factoren invloed:

- de diffusie-afstand,
- de diffusieconstante,
- en het zuurstofconcentratieverschil.

Welke van deze factoren verandert of welke veranderen wanneer de tracheeën van de muggenlarven gevuld raken met water?

-

afbeeldingafbeelding

Diffusie

Diffusie van natrium.

De doornhaai en de kabeljauw leven in zee. Het tiendoornige stekelbaarsje leeft in zoet water.
In de tabel staan de totale concentraties van opgeloste deeltjes en de concentraties van natriumionen in het bloed van een doornhaai, in het bloed van een kabeljauw en in het bloed van een tiendoornig stekelbaarsje. Bovendien zijn deze concentraties weergegeven van zeewater en van zoet water.

afbeeldingafbeelding
Diffusie van natriumionen door het slijmvlies van de kieuwen van doornhaai, kabeljauw en stekelbaarsje is mogelijk.

Welke vis zal of welke vissen zullen via de kieuwen door diffusie zowel meer water als meer natriumionen opnemen uit hun natuurlijke milieu dan eraan afgeven?

Diffusie

Verdrinking bij mensen.

De diffusiesnelheid van een stof die bij de mens het bloed binnendringt kan men met de volgende vergelijking aangeven:

Diffusiesnelheid =
afbeeldingafbeelding

waarin C = diffusieconstante;
O = diffusie-oppervlak;
P1 = gasdruk buiten het bloed;
P2 = gasdruk in het bloed;
d = lengte diffusieweg.

De oorzaak waardoor mensen kunnen verdrinken is dat

Diffusie

Diffusiesnelheid van O2 in een long van de mens.

De diffusiesnelheid van O2 in een long van de mens wordt vergroot door onder andere de longventilatie, hemoglobine in het bloed en snel stromend bloed.

Deze aanpassingen zorgen alle voor

Osmose-diffusie

1/3 Een amoebe.
Zie figuur A 377 van de bijlage.

In tekening 1 van de afbeelding is een amoebe weergegeven. In tekening 2 van de afbeelding is de kloppende vacuole van deze amoebe vergroot weergegeven. De kloppende vacuole trekt zich regelmatig samen en perst daarbij zijn inhoud naar buiten.
Over de functie van de kloppende vacuole worden de volgende beweringen gedaan.

1. De functie van de kloppende vacuole is het uitscheiden van water en zouten.
2. De functie van de kloppende vacuole is het rondpompen van het cytoplasma.
3. De functie van de kloppende vacuole is regeling van de turgor van de amoebe.

Welke van deze beweringen is juist?


-

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/3 Een amoebe.

Een amoebe dissimileert 1 mol glucose.

Hoeveel mol ATP kan bij deze dissimilatie maximaal ontstaan?

Osmose-diffusie

3/3 Een amoebe.

De kloppende vacuole wordt begrensd door een membraan en omgeven door een laag kleine blaasjes die gevuld zijn met vloeistof. Deze blaasjes legen regelmatig hun inhoud in de kloppende vacuole.
In een experiment met een zoetwateramoebe zijn de concentraties van verschillende stoffen gemeten in de kloppende vacuole, in het cytoplasma en in het omringende milieu. De resultaten zijn weergegeven in de onderstaande tabel.

afbeeldingafbeelding

Ter verklaring van deze resultaten worden de volgende beweringen gedaan:

1. Er vindt selectief transport van Na+ plaats van het cytoplasma naar de blaasjes.
2. Er vindt selectief transport van K+ plaats van het cytoplasma naar de blaasjes.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Osmose-diffusie

1/2 Kreeftjes.
Zie figuur B 1419 van de bijlage.

Een onderzoeker bestudeerde drie nauwverwante soorten kleine kreeftjes. Hij onderzocht het verband tussen de concentratie van opgeloste deeltjes in de lichaamsvloeistof van de kreeftjes en de concentratie van opgeloste deeltjes in het milieu.
In het diagram in de afbeelding zijn de resultaten voor deze drie verschillende soorten kreeftjes weergegeven.
Elke grafiek geeft het traject weer waarbinnen de soort in leven kan blijven.
Over de invloed van de concentratie van opgeloste deeltjes in het milieu op de water- en zouthuishouding van de kreeftjes worden drie beweringen gedaan:

1. Bij afnemende concentratie van opgeloste deeltjes in het milieu zullen deze kreeftjes steeds minder water uitscheiden.
2. Deze kreeftjes zullen binnen zekere grenzen de concentratie van opgeloste deeltjes in de lichaamsvloeistof actief verhogen als deze te laag is.
3. Wanneer de concentratie van opgeloste deeltjes in het milieu stijgt, zullen deze kreeftjes steeds meer water uit het milieu opnemen.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/2 Kreeftjes.

Welke grafiek geeft het verband weer tussen de concentratie van opgeloste deeltjes in de lichaamsvloeistof en de concentratie van opgeloste deeltjes in het milieu van de soort die niet in zoet water kan leven?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Conservering van jam.

Jam kan worden geconserveerd door er veel suiker aan toe te voegen.

Waarop berust deze conserveringsmethode?

Osmose

Wadpieren & osmose.

Wadpieren, bodemdieren van het getijdengebied, kunnen in omvang toenemen door osmotische wateropname via de huid.

Door wateropname vergrote wadpieren, kunnen op het wad worden verwacht onder de volgende omstandigheden:

Osmose

Waterverlies van zeedieren.
Zie figuur C 13 van de bijlage.

Van drie in zee levende diersoorten: doornhaai, kabeljauw en soepschildpad, en van de aan zoet water gebonden groene kikker worden de concentraties van opgeloste deeltjes in het bloed gemeten. De resultaten zijn weergegeven in het diagram. In dit diagram zijn ook de concentraties van opgeloste deeltjes in zeewater en zoet water aangegeven.

Welk dier zal in zijn natuurlijk milieu onder water via de huid en de ademhalingsorganen in verhouding tot het lichaamsgewicht het grootste waterverlies hebben?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Gewichtstoename van een brakwaterdier.
Zie figuur B 89 van de bijlage.

Het diagram geeft het verband aan tussen de gewichtstoename van een brakwaterdier en de tijd, nadat het is overgebracht van brak water in water met een ander zoutgehalte.

Is dit dier overgebracht in water met een hoger of lager zoutgehalte dan het brakke water?
Komt de aanpassing na ongeveer tien uur door stijging of door daling van de osmotische waarde van het lichaamsvocht?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Osmose

In een sloot levende pantoffeldiertjes.

In een sloot leven pantoffeldiertjes die in hun cytoplasma een hogere concentratie aan opgeloste stoffen hebben dan het slootwater. Door een kloppende vacuole wordt met een bepaalde frequentie overtollig water uit de pantoffeldiertjes verwijderd.
Op een bepaalde dag wordt een grote hoeveelheid water uit de sloot gepompt, zodat er nog maar een klein laagje water, met daarin pantoffeldiertjes, achterblijft. (situatie 1).
De volgende dag komt er kunstmest in de sloot terecht dat in het slootwater oplost (situatie 2); hierdoor verandert de frequentie van de kloppende vacuole van de pantoffeldiertjes.

Zal in situatie 1 de frequentie van de kloppende vacuole zijn veranderd of gelijk zijn gebleven?
Zal in situatie 2 de frequentie van de kloppende vacuole zijn toegenomen of zijn afgenomen?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Twee soorten zeepieren in brakwater.
Zie figuur B 88 van de bijlage.

In het diagram zijn de veranderingen in het lichaamsgewicht aangegeven van twee soorten zeepieren (P en Q), die tijdens een experiment in brak water werden geplaatst.
Uit het diagram blijkt dat de twee soorten verschillend reageren op het overbrengen van zeewater naar brak water (op tijdstip 0).

Wat is een mogelijke verklaring voor het verloop van de grafieken tussen 10 en 30 uur?

afbeeldingafbeelding

Osmose

De kloppende vacuole.
Zie figuur B 131 van de bijlage.

De tekening stelt een pantoffeldiertje voor. Pantoffeldiertjes leven in zoet water. Bij deze eencellige dieren komen kloppende vacuolen voor, die overtollig water uit de cel verwijderen, waardoor de concentratie opgeloste stoffen in de cel constant blijft. Over de water- en zouthuishouding bij dit pantoffeldiertje worden vier uitspraken gedaan:

1. de hoeveelheid water in het pantoffeldiertje neemt door osmose af;
2. de concentratie van opgeloste stoffen in het cytoplasma is lager dan die in het milieu;
3. de concentratie van opgeloste stoffen in de kloppende vacuolen is lager dan die in het cytoplasma;
4. de hoeveelheid vloeistof die door de kloppende vacuolen wordt afgegeven, stijgt als de concentratie van opgeloste stoffen in het milieu toeneemt.

Welke uitspraak is juist?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Amoeben in gedestilleerd water of zeewater.

Amoeben zijn eencellige diertjes die onder andere in slootwater leven. Bij deze diertjes komen 'kloppende vacuolen' voor. Hiermee wordt overtollig water naar buiten gepompt.
Er wordt een experiment uitgevoerd waarbij een aantal uit slootwater afkomstige amoeben in zeewater worden gelegd en een aantal in gedestilleerd water. Eén van beide groepen amoeben verliest door osmose water.

Welke groep is dat?
Bij welke groep amoeben zullen kloppende vacuolen aanwezig zijn die met hoge frequentie samentrekken?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een zalm die een rivier opzwemt.

Bij een zalm komt de concentratie van opgeloste stoffen in het bloed overeen met een oplossing van ongeveer 0,9% NaCl. Door veranderingen in het milieu kunnen bij de zalm de volgende verschijnselen optreden:

1. de nieren gaan minder urine produceren,
2. de buitenste laag van de huid wordt dikker, waardoor minder water wordt opgenomen,
3. de concentratie van opgeloste stoffen in de urine wordt lager.

Het milieu van een zalm verandert wanneer het dier in de voortplantingstijd van zeewater naar zoet water zwemt. De concentratie NaCl in zeewater is ongeveer 3%, in zoet water lager dan 0,01 %.

Welk van de genoemde verschijnselen kan of welke kunnen optreden wanneer een zalm uit zee een rivier op zwemt?

Osmose

Vier typen vissen & veranderingen van het externe milieu.
Zie figuur B 1732 van de bijlage

Van een viertal typen vissen werd nagegaan of hun interne osmotische waarde bestand was tegen of aangepast was aan veranderingen in de zoutconcentratie van het externe milieu (de paling kan in zoetwater en in zeewater leven). In het afgebeelde diagram zijn de resultaten weergegeven. Begin- en eindpunten van de krommen geven de osmotische waarde van het uitwendig milieu aan, waarbij de vis doodgaat.

Uit de resultaten kan men afleiden dat de vier curven typerend zijn voor

afbeeldingafbeelding

Osmose

Platwormen uit rivierdelta's.

Een bepaalde soort platworm leeft in het water van rivierdelta's. Als gevolg van eb en vloed verandert de osmotische waarde in dit milieu voortdurend. Bij laag water (eb) is het water waarin de worm leeft, minder zout dan bij hoog water (vloed).
Deze platworm heeft in het lichaam blazen waarin zich water en opgeloste deeltjes bevinden. Het aantal opgeloste deeltjes in deze blazen is constant. Met behulp van deze blazen wordt de osmotische waarde van de lichaamsvloeistof van de worm binnen zekere grenzen constant gehouden.
De osmotische waarde van de vloeistof in de blazen en van het omringende milieu wordt bepaald bij eb en bij vloed. In alle situaties blijft de worm volledig onder water.

Is de osmotische waarde van de vloeistof in de blazen bij eb lager of hoger dan bij vloed?
En is het gewicht van de worm bij eb lager of hoger dan bij vloed?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Osmose in bloedcellen.
Zie figuur B 93 van de bijlage.

Enkele reageerbuizen bevatten elk 9 ml NaCl-oplossing van verschillende gehaltes. Bij een experiment wordt aan de inhoud van elke buis 1 ml bloed van een mens toegevoegd. Hierna wordt de inhoud van elke buis gecentrifugeerd. Er ontstaat onder in elke buis een laag vaste bloedbestanddelen. Daarboven bevindt zich vloeistof. Bij elke buis wordt het totale volume van de vaste bloedbestanddelen bepaald.
In het diagram is het verband weergegeven tussen dit volume en het NaCl-gehalte van de oplossing waaraan het bloed is toegevoegd.

Zal de vloeistof boven de vaste bloedbestanddelen in de buis met een NaCl-gehalte van 0,3 g/100 ml een rode kleur hebben?
En de vloeistof boven de vaste bloedbestanddelen in de buis met NaCl-gehalte van 0,9 g/100 ml?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Osmose

Menselijk bloed in gedestilleerd water

Een druppel menselijk bloed wordt verdund met eenzelfde hoeveelheid gedestilleerd water.

Wat gebeurt er dan met de rode bloedcellen?

Osmose

Bloedcellen.

In elk van vier reageerbuizen bevindt zich eenzelfde hoeveelheid onstolbaar gemaakt menselijk bloed. Bij elk van deze buizen worden gelijke hoeveelheden van oplossingen met verschillende keukenzoutconcentraties gevoegd.
Na centrifugeren werden de volumepercentages van vloeistof en sediment (cellen en celfragmenten) evenals de kleur van de vloeistof bepaald en in onderstaande tabel vermeld.
afbeeldingafbeelding

De buizen worden gerangschikt van laagste naar hoogste zoutconcentratie.

Wat is de juiste volgorde?

Osmose

Osmose in bloedcellen.

Bij een experiment worden rode bloedcellen uit bloed van een mens in water gebracht waarin ureum is opgelost.
De concentratie van ureummoleculen in de ureumoplossing is even groot als de concentratie van opgeloste deeltjes in het cytoplasma van de rode bloedcellen. De celmembranen laten de opgeloste deeltjes van het cytoplasma niet door, maar de ureummoleculen wel.

Heeft het overbrengen van de rode bloedcellen vanuit het bloed in de ureumoplossing gevolgen voor hun grootte?

Osmose

Een experiment met rode bloedcellen.

Het bloedplasma van de mens heeft een gemiddelde concentratie van opgeloste deeltjes die gelijk is aan die van een 0,9% NaCl-oplossing.
Bij een experiment worden rode bloedcellen in een oplossing P gelegd met een onbekende concentratie van opgeloste deeltjes.
De opgeloste deeltjes in oplossing P kunnen geen celmembranen passeren.
Na enige tijd worden de rode bloedcellen onder de microscoop bekeken. Het blijkt dat ze gezwollen zijn.

Is de concentratie van opgeloste deeltjes in deze gezwollen rode bloedcellen kleiner dan, gelijk aan of groter dan die van een 0,9% NaCl-oplossing?

Osmose

Een experiment met rode bloedcellen.

Het bloedplasma van de mens heeft een gemiddelde concentratie van opgeloste deeltjes die gelijk is aan die van een 0,9% NaCl-oplossing. Bij een experiment worden rode bloedcellen in een oplossing P gelegd met een onbekende concentratie van opgeloste deeltjes. De opgeloste deeltjes in oplossing P kunnen geen celmembranen passeren. Na enige tijd worden de rode bloedcellen onder de microscoop bekeken. Het blijkt dat ze gezwollen zijn.
Terwijl de gezwollen rode bloedcellen nog onder de microscoop liggen, wordt een oplossing Q onder het dekglaasje gebracht. Het volume van de cellen wordt daardoor kleiner.

Is de oplossing Q hypotonisch, hypertonisch of isotonisch ten opzichte van de oplossing P?

Osmose

Zoogdierbloed wordt gedestilleerd water.
Zie figuur B 92 van de bijlage.

Eén deel zoogdierbloed wordt met vier delen gedestilleerd water verdund en vervolgens gecentrifugeerd.

In welke figuur is het resultaat hiervan op een juiste wijze weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Bloed verdund met een 0.9% NaCl-oplossing.

Bloed wordt soms voor microscopisch onderzoek verdund met een 0.9% NaCl-oplossing.
Bij gebruik van zuiver water in plaats van deze zoutoplossing kan geen juist beeld van de vorm van de rode bloedcellen verkregen worden.

Dat komt doordat de rode bloedcellen in zuiver water

Osmose

Keukenzoutoplossing met onstolbaar gemaakt bloed.

Twee reageerbuizen bevatten elk 5 ml keukenzoutoplossing. De concentratie hiervan in de ene buis verschilt van die in de andere buis. Aan beide buizen wordt eenzelfde hoeveelheid onstolbaar gemaakt bloed toegevoegd.
Na enige tijd ontstaat in beide buizen en laag onopgeloste deeltjes op de bodem (bezinkingslaag). In één van de buizen is de vloeistof boven de bezinkingslaag rood gekleurd.
Door een bepaalde toevoeging en vervolgens even schudden kan de kleur van de vloeistof boven de bezinkingslaag in één van de buizen veranderd worden, waardoor de vloeistof in beide buizen dezelfde kleur krijgt.

Door welke van onderstaande toevoegingen kan dit gebeuren en hoe verandert dan de kleur?

Osmose

Rode bloedcellen in een bepaalde zoutoplossing.

Bij een experiment bevinden zich rode bloedcellen van een zoogdier in een bepaalde zoutoplossing. Deze zoutoplossing heeft hetzelfde aantal opgeloste deeltjes per volume-eenheid als het cytoplasma van de rode bloedcellen. De celmembranen van de rode bloedcellen zijn volledig doorlatend voor gasmoleculen en voor water- en ureummoleculen.
De zoutoplossing met rode bloedcellen wordt in gelijke hoeveelheden verdeeld over drie buizen 1, 2 en 3. Aan elk van deze buizen worden vervolgens gelijke hoeveelheden van andere oplossingen toegevoegd:

1. in buis 1 een zoutoplossing met per volume-eenheid een kleiner aantal opgeloste deeltjes van hetzelfde zout;
2. in buis 2 een zoutoplossing met per volume-eenheid een groter aantal opgeloste deeltjes van hetzelfde zout;
3. in buis 3 een zoutoplossing met per volume-eenheid hetzelfde aantal opgeloste deeltjes van hetzelfde zout als in de oorspronkelijke oplossing, aangevuld met ureum dat vrij door de celmembranen heen gaat.

In welke buis of in welke buizen zullen de rode bloedcellen opzwellen en/of barsten?

Osmose; Uitscheiding

1/5 Waterverlies en watervergiftiging.
Zie figuur B 4705 van de bijlage.

"Water is gif voor marathonlopers", met deze kop vroeg een artikel in de krant aandacht voor een onderschat en vaak ook niet goed gediagnosticeerd probleem bij duurlopers. In de inleiding wordt de kop genuanceerd: "Wie de marathon loopt, moet onderweg voldoende drinken maar pas op: te veel is ook niet goed. Dan hoopt het vocht zich op in het lichaam, wat fatale gevolgen kan hebben."
Problemen met de waterbalans liggen op de loer bij zware inspanningen die langer dan een uur duren. Iemand die een paar uur hardloopt, verliest al gauw een paar liter vocht door transpiratie.
Tijdens het lopen van een marathon is transpiratie niet de enige vorm van vochtverlies. Ook door ademhaling verliest de loper water, doordat de uitgeademde lucht meer waterdamp bevat dan de ingeademde lucht.

Leg uit waardoor de uitgeademde lucht meer waterdamp bevat.

afbeeldingafbeelding

Osmose; Uitscheiding

2/5 Waterverlies en watervergiftiging.

Tijdens het lopen van een marathon kun je het waterverlies compenseren door regelmatig te drinken. Bij Europese marathons zorgt de organisatie voor drinkposten om de vijf kilometer. Door tijdens de loop bij iedere drinkpost een bekertje water te drinken, kun je het waterverlies goed compenseren zolang de omstandigheden niet extreem zijn.
Als je teveel water drinkt, kan dat echter leiden tot ‘watervergiftiging'. Bij watervergiftiging zijn hoofdpijn en misselijkheid symptomen die duiden op hersenoedeem.

Leg uit hoe watervergiftiging hersenoedeem kan veroorzaken.

Osmose; Uitscheiding

3/5 Waterverlies en watervergiftiging.
Zie figuur B 4706 & figuur C 418 van de bijlage.

In het menselijk lichaam worden twee vloeistofcompartimenten onderscheiden: de intracellulaire vloeistof (ICV) in de cellen, en de extracellulaire vloeistof (ECV) buiten de cellen. De ECV wordt onderverdeeld in weefselvloeistof en bloedplasma. Bij een volwassen man van 70 kg is het volume van de ICV gemiddeld 28 liter en van de ECV 14 liter (zie de afbeelding B 4706).

Zie figuur C 418 van de bijlage.

In de afbeelding c 418 is een model weergegeven waarin voor een aantal situaties de verhouding tussen de ECV en de ICV is weergegeven.
Situatie 1 is de normale situatie: de ECV en ICV hebben hun normale volume en in beide compartimenten heerst de normale osmotische waarde.
Bij bloedverlies verandert de verhouding ICV/ECV doordat het volume van de ECV verandert.
Een verandering van de verhouding ICV/ECV kan ook veroorzaakt zijn door verlies of opname van water of zout.
De situaties 2a, 3a, 4a en 5a laten elk een bepaalde verandering zien ten opzichte van de normale situatie. In respectievelijk 2b, 3b, 4b en 5b wordt de daardoor veroorzaakte vloeistofverplaatsing weergegeven.
Tijdens een marathon drinkt een atleet meer water dan nodig is ter compensatie van het waterverlies.

Door welke combinatie van situaties (zie de afbeelding C 418) wordt de hierdoor veroorzaakte verandering in de verhouding ICV/ECV en de osmotische waarde in zijn lichaam weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Osmose; Uitscheiding

4/5 Waterverlies en watervergiftiging.

De eerste verschijnselen van watervergiftiging zijn niet goed te onderscheiden van de eerste verschijnselen van uitdroging, terwijl de therapie juist tegengesteld is.

Welke vloeistof krijgt een atleet met watervergiftiging intraveneus toegediend?

Osmose; Uitscheiding

5/5 Waterverlies en watervergiftiging.

Eigenlijk is watervergiftiging een vorm van hyponatremie. Dat is een te laag Na+ -gehalte in de ECV. Homeostatische mechanismen die bij hyponatremie in actie komen, zullen dat ook bij watervergiftiging doen. Daarbij zal een bepaald hormoon minder worden afgegeven en van een reeks van vier andere hormonen de afgifte juist toenemen.

- Noteer de naam van het hormoon dat minder afgegeven wordt.
- Leg uit waarom de afgifte ervan bij watervergiftiging geremd wordt.
- Noteer de naam van het vierde hormoon van de bovengenoemde reeks.
- Leg uit waarom de afgifte daarvan bij watervergiftiging verhoogd wordt.

Osmose

Pantoffeldiertjes.

In een milieu waarin pantoffeldiertjes voorkomen, worden twee factoren gevarieerd.

De frequentie waarmee de kloppende vacuole van deze diertjes samentrekt zal het laagst zijn in een milieu met

Osmose

Kloppende vacuole.

Wanneer we een zoetwateramoebe in zeewater brengen, dan zal

Osmose

Waterdiertjes.

In een praktische opdracht krijgt Stella twee buisjes met eencellige diertjes. In het ene buisje zitten diertjes uit het Alkmaardermeer, in het andere buisje zitten diertjes uit de Noordzee. Zij moet uitzoeken in welk buisje de diertjes uit de beide gebieden nu precies zitten.

Wat kan Stella nu het beste doen?

Osmose

Celplasma van een amoebe.

Het celplasma van een amoebe heeft een hogere concentratie aan opgeloste stoffen dan het zoetwater waarin dit diertje leeft.

Hoe wordt die hogere concentratie veroorzaakt?

Osmose

Menselijk bloed.

Menselijk bloed heeft een concentratie aan opgeloste stoffen die vergelijkbaar is met een 0,9% NaCl-oplossing.
Infuusvloeistof moet eenzelfde concentratie hebben. Een verpleegster heeft de beschikking over een fles met 1L 10% NaCl-oplossing. Zij heeft echter 5L infuusvloeistof nodig.

Wat moet ze bij elkaar doen om die 5L te verkrijgen?

Osmose

Vochtafgifte bij zoetwaterprotozoën.

Het verband tussen de vochtafgifte van een soort die behoort tot de zoetwaterprotozoën en de concentratie van het omringende medium werd onderzocht door een aantal diertjes in verschillende concentraties te brengen.
De resultaten zijn afgebeeld in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Wat is de juiste conclusie die je op grond van die resultaten kunt trekken?

Osmose

Turgor.

De sterkte van de celwand en/of celmembraan neemt af in de reeks: epidermis bij de kers - wortelhaar bij de tuinkers - rode bloedcel bij de mens - cel van de zoetwateramoebe.
De osmotische waarde van de cel neemt toe in de reeks: cel van de zoetwateramoebe - rode bloedcel bij de mens - wortelhaar bij de tuinkers - epidermis bij de kers.

Bij welke cellen kan de hoogste turgor bereikt worden?

Osmose

Mariene organismen.

Bepaalde mariene organismen (organismen uit zee) gaan dood als ze in zoetwater worden gebracht.

Wat is hiervan de meest waarschijnlijke verklaring?

Osmose

Pantoffeldiertjes.

In een milieu waarin pantoffeldiertjes voorkomen, worden twee factoren gevarieerd.

De frequentie waarmee de kloppende vacuole van deze diertjes samentrekt zal het laagst zijn in een milieu met

Osmose

Kloppende vacuole.

Wanneer we een zoetwateramoebe in zeewater brengen, dan zal

Osmose

Mariene beenvissen.

Mariene beenvissen hebben een veel lagere osmotische waarde in hun inwendig milieu dan het zeemilieu om hen heen. Er is dus osmoregulatie nodig.

Welke van de volgende uitspraken is geen verklaring voor osmoregulatie bij deze mariene beenvissen?

Osmose

Bloed, bloedvaten, bloedsomloop.

Jij doet onderzoek over hemolyse bij rode bloedcellen. Onder hemolyse verstaat men het vrijkomen vanhemoglobine uit rode bloedcellen, nadat de cellen zijn gebarsten. De osmotische waarde in een rode bloedcel is gelijk aan die van een NaCl-oplossing van 0,9%. Nu wil jij bepalen bij welke concentratie van een NaCl-oplossing hemolyse begint op te treden.
Gebruik de volgende materialen: vijf reageerbuizen, een maatcilinder, een pipet van 10 ml, een weegschaal, NaCl, water, onstolbaar gemaakt bloed. Je kunt in de maatcilinder één bepaalde NaCl-oplossing maken.

Beschrijf de opzet en uitvoering van een experiment waarmee je kunt bepalen tussen welke concentraties van NaCl-oplossingen hemolyse begint op te treden.

Osmose

1/3 Transpiratie.
Zie figuur B 4394 van de bijlage.

In de afbeelding is een zweetklier schematisch weergegeven. In het gekronkelde deel wordt door de epitheelcellen het primaire secreet in de afvoerbuis afgescheiden. De samenstelling hiervan komt overeen met die van weefselvloeistof. Tijdens het transport door de afvoerbuis op weg naar de huid vindt terugresorptie plaats van opgeloste stoffen, gevolgd door osmose.
Uit de gegevens in de tabel hieronder blijkt dat de resorptie van de vijf ionen, Na+ , K+ , Cl- , Ca2+ en Mg2+ , gemiddeld niet in dezelfde mate plaatsvindt.
afbeeldingafbeelding

Welk ion wordt gemiddeld naar verhouding het sterkst geresorbeerd?

afbeeldingafbeelding

Osmose

2/3 Transpiratie.

Waardoor treedt tijdens de passage van het primaire secreet in de afvoerbuis osmose op?

Osmose

3/3 Transpiratie.

Leg uit waarom vermindering van het verlies van Na+ in het zweet een gunstige aanpassing is.

Diffusie

Spieren en zuurstofverbruik.

Bij de mens neemt als gevolg van training het aantal haarvaten per volume-eenheid van een spier toe. Een getrainde spier wordt vergeleken met een ongetrainde spier. Neem aan dat de bloeddruk in de getrainde en ongetrainde spier gelijk is en dat de spieren beide lichte arbeid verrichten.

Beschrijf de verschillen tussen deze spieren ten aanzien van de volgende aspecten:

1. het totale bloedvolume dat per tijdseenheid de spieren passeert,
2. de diffusie-afstand tussen haarvaten en spierweefsel,
3. de grootte van het oppervlak waardoor zuurstof vanuit de haarvaten in de spiercellen diffundeert.

Uitscheiding

Rust en arbeid.

Er is altijd een verschil tussen de pO2 van de lucht in de longblaasjes en de pCO2 van het bloed in de longhaarvaten.
De totale hoeveelheid zuurstof die vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloed diffundeert, wordt onder andere beïnvloed door de volgende factoren:

1. het totale oppervlak van de longblaasjes,
2. de dikte van de wand van de longblaasjes,
3. de longventilatie,
4. het stromen van het bloed in de longhaarvaten.

Welke van deze factoren zijn er de oorzaak van dat er altijd een verschil bestaat tussen de pO2 van de lucht in de longblaasjes en de pO2 van het bloed in de longhaarvaten?

Osmose

Peritoneale dialyse.
Zie figuur A 997 van de bijlage.

Als de nieren chronisch niet goed functioneren, wordt gebruik gemaakt van nierdialyse. De nierfunctie wordt dan overgenomen door een niervervangende therapie.
De afvalstoffen en het overtollige water worden uit het lichaam afgevoerd door het gebruik van een dialysevloeistof.
Een van de typen behandelingen is peritoneale dialyse. Bij deze laatste vorm van dialyse worden het buikvlies (= peritoneum) en de buikholte gebruikt als orgaan om het bloed te zuiveren.
Bij peritoneale dialyse (zie de afbeelding) wordt een bepaalde hoeveelheid spoelvloeistof steriel in de buikholte gebracht via een permanent in de buikholte aangelegde katheter. Bij deze vorm van dialyse wordt het buikvlies als membraan gebruikt tussen het te zuiveren bloed en de spoelvloeistof.
De spoelvloeistof blijft enige tijd in de buikholte en wordt vervolgens weer afgevoerd. De dialysepatiënt moet bij deze dialyse dagelijks vier tot vijf keer de spoelvloeistof wisselen. Daarvoor is geen machine nodig. Hoe vaak de wisselingen nodig zijn, is afhankelijk van de medische situatie van de patiënt.
Het gereguleerd wisselen van de spoelvloeistof neemt ongeveer veertig minuten in beslag en kan thuis of op het werk plaatsvinden.
De spoelvloeistof die in de buikholte van de patiënt wordt gebracht, bevat naast zouten een bepaalde vaste hoeveelheid glucose. De glucoseconcentratie van de dialysevloeistof ligt hoger dan die van het bloedplasma.

Wat is de functie van deze glucose in de spoelvloeistof?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een infuus.

Een infuusvloeistof met 40% glucose bevat meer opgeloste deeltjes per mL dan het bloedplasma. Er wordt onderzocht of de infuusvloeistof daardoor invloed heeft op de wandcellen van het bloedvat vlakbij de plaats waar de infuusnaald in dit bloedvat is ingestoken.

Zal de concentratie van opgeloste deeltjes in deze wandcellen lager worden, gelijk blijven of hoger worden?