Oefentoets Biologie: Spijsvertering | HAVO 4/HAVO 5 | variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

Spijsvertering.

Wanneer zullen bij de mens de kringspieren van de maagportier zich ontspannen: als de inhoud van de twaalfvingerige darm meer zuur wordt of als deze minder zuur wordt?

Door welk spijsverteringssap wordt deze verandering in pH veroorzaakt?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Braken.

Braken is een reflexbeweging.
De maag wordt samengedrukt, waardoor de maaginhoud via de slokdarm naar buiten wordt geperst. Dit samendrukken gebeurt niet doordat de wand van de maag zich samentrekt, maar doordat de druk op de maaginhoud door andere oorzaken wordt vergroot. Hierbij blijft de maagportier gesloten. Er wordt beweerd dat de volgende spierbewegingen voor het samendrukken van maag verantwoordelijk zijn:

1. de spieren van de buikwand,
2. de spieren van het middenrif,
3. de spieren in de wand van de dunne darm.

Door het samentrekken van welke spieren wordt bij braken de druk op de maaginhoud vergroot?

Spijsvertering

Spijsvertering.

In de dunne en in de dikke darm spelen zich een aantal processen af, zoals:

1. afgifte van enzymen aan het voedsel,
2. kneedbewegingen,
3. activiteit van bacteriën.

Welk(e) van deze processen zal (zullen) leiden tot een toename van de hoeveelheid stoffen, die geresorbeerd kunnen worden?

Spijsvertering

Resorptie vanuit dunne darm.

De resorptie van voedingsstoffen vanuit de dunne darm is voornamelijk een actief proces.
Voor deze stelling worden de volgende feiten aangevoerd:

1. in de darmvlokken bevinden zich veel lymfevaten,
2. er worden stoffen opgenomen waarvan de concentratie in de darmholte lager is dan in het bloed,
3. via dood darmepitheel worden nauwelijks stoffen opgenomen.

Welke feiten ondersteunen de stelling?

Spijsvertering

Wateropname.

In welk van onderstaande delen van het spijsverteringskanaal van de mens wordt de grootste hoeveelheid water in het bloed opgenomen?

Spijsvertering

Alvleesklier.

Bepaalde cellen van de alvleesklier produceren het hormoon insuline.
Insuline speelt een rol bij de regeling van de hoeveelheid glucose in het bloed.

Waardoor wordt de hoeveelheid insuline, die op een bepaald moment aan het bloed afgegeven wordt, geregeld?

Spijsvertering

Insuline.

Insuline heeft invloed op de omzetting van glucose in glycogeen en op de opname van glucose in cellen.

Hoe veranderen deze processen bij verhoging van het insulinegehalte van het bloed?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Glucose.

De glucoseconcentratie in het lichaam van de mens wordt in normale situaties op een waarde van ongeveer 70 mg glucose per 100 mL bloed gehouden.
Vier organen zijn: een beenspier, de dunne darm, het hart en de lever.

Welk van deze organen is direct betrokken bij het constant houden van de glucoseconcentratie in het bloed?

Spijsvertering

Verwijdering galblaas.

Als bij een patiënt de galblaas is verwijderd, wordt een speciaal dieet voorgeschreven.

Van welke voedingsstoffen moet deze patiënt zo weinig mogelijk eten?

Spijsvertering

Vetvertering.

In drie bekerglazen (p, q en r) bevindt zich melk. Aan elk van de bekerglazen wordt een oplossing toegevoegd (zie tabel). Het vetgehalte in elk bekerglas wordt aan het begin van de proef bepaald en eveneens na 3 uur.

afbeeldingafbeelding

Naar aanleiding van de resultaten van dit experiment worden de volgende uitspraken over de vertering van vetten gedaan:

1. alvleessap verteert alleen vetten in aanwezigheid van gal;
2. alvleessap verteert ook vetten indien er geen gal aanwezig is;
3. alvleessap heeft zijn vetverterende werking verloren als het gekookt is.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist op grond van de resultaten van het experiment?




-

Spijsvertering

Vetvertering.

Bij de vertering van vetten ontstaan vetzuren.
Bij een experiment worden in vier reageerbuizen de volgende mengsels gedaan:

buis 1: 0,5 mL olijfolie en 9,5 mL water,
buis 2: 0,5 mL olijfolie, 1,5 mL alvleessap en 8,0 mL water,
buis 3. 0,5 mL olijfolie, 1,0 mL gal en 8,5 mL water,
buis 4: 0,5 mL olijfolie, 1,5 mL alvleessap, 1,0 mL gal en 7,0 mL water.

De buizen worden in een schudapparaat geplaatst, waardoor de stoffen goed gemengd blijven. Dit gebeurt bij een temperatuur van 37°C.
In twee van de vier buizen wordt de oplossing zuurder.

In welke buis gebeurt dit het snelst?

Spijsvertering

Vetvertering.

In een experiment met gesteriliseerde volle melk werd de vertering van melkvet door lipase onderzocht.
Hierbij werd gebruik gemaakt van het gegeven dat er bij de vertering van vetten vetzuren worden gevormd.
Vier mengsels (zie tabel) waarvan de pH door toevoeging van een base op 8,5 was gebracht, werden onderzocht bij een temperatuur van 35°C.
De gebruikte indicator is bij een pH van 8,2 of lager kleurloos. Boven pH 8,2 is de indicator rood.
Er werd nagegaan of de indicator van kleur veranderde en zo ja, na hoeveel tijd dit gebeurde.

afbeeldingafbeelding

Uit vergelijking van welke resultaten blijkt dat lipase melkvet kan verteren?





-

Spijsvertering

Vetvertering.
Zie figuur B 330 van de bijlage.

In een reageerbuis wordt bij 37°C een hoeveelheid fijn verdeeld vet gemengd met een lipase-oplossing, afkomstig van de alvleesklier.
Bij het begin is de zuurgraad optimaal voor lipase.
Lipase is een enzym dat vetten verteert.
Bij deze vertering ontstaan onder andere vetzuren.
Regelmatig wordt de hoeveelheid vetzuren gemeten.
Na 30 minuten is nog steeds vet aanwezig.

Welke grafiek geeft het juiste verband tussen de hoeveelheid vetzuren en de tijd weer?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Vetvertering.

In een experiment worden vier mengsels (zie tabel) bij 25°C geplaatst.
Na een uur wordt de pH van de mengsels opnieuw gemeten.
afbeeldingafbeelding

Uit de resultaten van pH-metingen van twee van deze mengsels kan afgeleid worden dat gal geen vetverterend enzym bevat.

Welke twee mengsels zijn dit?

Spijsvertering

Enzymwerking.

Door inwerking van een enzym op een substraat kan de pH van een substraatoplossing veranderen.
Door deze pH-veranderingen te meten kan men inzicht krijgen in het verloop van de enzymatische reactie.
In het volgende experiment worden de pH-veranderingen onderzocht.
Vier reageerbuizen worden gevuld met de volgende reactiemengsels (zie tabel hieronder).
afbeeldingafbeelding

Aan het begin van het experiment is in iedere buis een overmaat van substraatmoleculen aanwezig en zijn de temperatuur en de pH van de reactiemengsels gelijk. Gedurende een half uur wordt regelmatig de pH in de reageerbuizen bepaald.

In welke van deze buizen zal de pH van het reactiemengsel gedurende dit half uur het meest dalen?

Spijsvertering

Vetvertering.

In elk van drie bekerglazen (I t/m III) bevindt zich melk, die veel vet bevat.
Aan elk bekerglas wordt een oplossing toegevoegd zoals aangegeven in onderstaande tabel.
afbeeldingafbeelding

Welke van onderstaande conclusies met betrekking tot de resultaten van deze proef is niet juist?

Spijsvertering

Vetvertering.

Over de vertering van vetten in het spijsverteringskanaal van de mens worden de volgende uitspraken gedaan:

1. vertering van vetten vindt vooral plaats in de maag;
2. enzymen voor de vertering van vetten worden in de lever gemaakt;
3. vetten kunnen alleen worden verteerd in aanwezigheid van gal;
4. alvleessap bevat enzymen die vetten kunnen verteren.

Welke van deze uitspraken is juist?

Spijsvertering

Lintworm.

Een lintworm is alleen in staat verteerd voedsel op te nemen en gebruikt dezelfde voedingsstoffen als de mens.
Hij leeft als parasiet in het maag-darmstelsel van de mens.

Wat is voor de lintworm in verband met zijn voedselopname de meest gunstige plaats in het spijsverteringsstelsel van de mens?

Spijsvertering

Slokdarm.

In de slokdarm wordt