Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 5

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose

Plantencel in oplossingen.

Een plantencel ligt in zuiver water. Er gaat evenveel water in als uit de cel. De osmotische waarde van de cel komt overeen met die van een 0,9% NaCl-oplossing.
In een bepaalde NaCl-oplossing is de turgor van de cel juist nul geworden (grensplasmolyse). De cel heeft dan een tiende van zijn volume verloren.

Wat is de concentratie van deze NaCl-oplossing?

Osmose

Aardappel in een glucose-oplossing.

Een vers stukje aardappel wordt gewogen en daarna in een glucose-oplossing gelegd. Na een uur wordt het eruit gehaald, afgedroogd en opnieuw gewogen. Het gewicht is toegenomen.

Wat valt hieruit af te leiden over de concentratie opgeloste deeltjes in het vacuolevocht vóór de proef, vergeleken met de concentratie van de glucose-oplossing?

De concentratie van de opgeloste deeltjes in het vacuolevocht vóór de proef kan

Osmose

Aardappel in een glucose-oplossing.

Een vers stukje van een pas gerooide aardappel wordt gewogen en daarna in een glucose-oplossing gelegd.
Na een uur wordt het eruit gehaald, afgedroogd en opnieuw gewogen.
Het gewicht is gelijk gebleven.

Wat valt hieruit af te leiden over de concentratie opgeloste deeltjes van het vacuolevocht, vergeleken met de concentratie van de glucose-oplossing?

De concentratie van de opgeloste deeltjes van het vacuolevocht kan

Osmose

Concentraties in plantencellen.
Zie figuur B 68 van de bijlage.

De tekening geeft schematisch een dwarsdoorsnede van een wortel van een zaadplant weer.

Is op plaats 1 de concentratie van opgeloste stoffen in de oplossing die zich in de celwanden bevindt, kleiner dan of even groot als de concentratie van opgeloste stoffen in de vacuolen?
En is op plaats 2 de concentratie van opgeloste stoffen in de oplossing die zich in de wanden van de houtvaten bevindt, kleiner dan of even groot als de concentratie van opgeloste stoffen in de oplossing die door de houtvaten stroomt?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Osmose

Aardappelstaafjes.
Zie figuur B 1462 van de bijlage.

Van een aantal staafjes uit een verse aardappel wordt de lengte bepaald (de beginlengte). Hierna worden de staafjes over zoutoplossingen van verschillende concentraties verdeeld. Na 24 uur in een oplossing gelegen te hebben, wordt elk staafje weer gemeten (de eindlengte). Deze eindlengte van elk staafje wordt uitgedrukt als percentage van zijn beginlengte.
Het diagram (zie de afbeelding) geeft het verband weer tussen de eindlengtes en de concentraties van de zoutoplossingen waarin de staafjes hebben gelegen.

Bij welke van de concentraties P, Q en R is aan het eind van de proef de concentratie van opgeloste deeltjes in de aardappelcellen gelijk aan de concentratie van de zoutoplossing?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een blokje uit een aardappel.

Bij een proef wordt uit een verse aardappel een blokje gesneden. Dit blokje wordt ondergedompeld in een bakje met een zoutoplossing. Wanneer na enige tijd het volume van het blokje wordt bepaald, blijkt dit niet te zijn veranderd.

Is aan het eind van de proef de concentratie van opgeloste stoffen in de omringende zoutoplossing lager dan, gelijk aan of hoger dan de concentratie van opgeloste stoffen in het vacuolevocht van de aardappelcellen van het blokje?
Of kan dat niet uit het resultaat worden afgeleid?

Osmose

Aardappelstaafjes.
Zie de figuren B 1496 en B 1497 van de bijlage.

Uit een verse aardappel worden dunne, platte staafjes van gelijke afmetingen gesneden. De staafjes worden elk afzonderlijk ondergedompeld in een NaCl-oplossing. De concentraties van de oplossingen zijn verschillend. Na enige tijd blijken de staafjes niet meer van lengte en vorm te veranderen. Dan worden de staafjes stuk voor stuk opgepakt met een pincet en horizontaal gehouden. Sommige staafjes zijn slap geworden en buigen door. Deze buigingshoek (a) wordt gemeten, zoals is weergegeven in de afbeelding. De gevonden waarden van a worden in een diagram uitgezet tegen de NaCl-concentraties van de oplossingen.

Zie figuur B 1497 van de bijlage.

In de afbeelding zijn vier diagrammen A, B, C en D getekend.

In welk van deze diagrammen is de relatie tussen de buigingshoek a
en de concentraties van de NaCl-oplossingen juist weergegeven?

In diagram


-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Osmose

Aardappelblokjes in zoutoplossingen.

In een experiment worden uit een verse aardappel vier even grote blokjes gesneden. Van elk blokje wordt het volume bepaald. Vervolgens worden deze aardappelblokjes elk in een bakje met een zoutoplossing gelegd. De concentratie van de zoutoplossing in elk van de vier bakjes is verschillend.
Na een uur wordt het volume van ieder blokje opnieuw bepaald. In bakje 2 is het volume van het blokje niet veranderd. In de bakjes 1 en 3 is het volume van de blokjes afgenomen: in bakje 3 minder dan in bakje 1. In bakje 4 is het volume van het blokje toegenomen.
Op grond van de volumeveranderingen van de aardappelblokjes kan de concentratie van de vier zoutoplossing en worden gerangschikt van lage naar hoge concentratie.

In welke van onderstaande reeksen is de concentratie van de zoutoplossingen van laag naar hoog juist weergegeven?

laag ® hoog

Osmose

Aardappelstaafjes.

Een leerling onderzoekt in drie proeven de waterverplaatsing bij cellen van aardappelstaafjes in oplossingen met verschillende concentraties van opgeloste deeltjes.

Proef 1. Bij het begin van proef 1 hebben de aardappelstaafjes geen maximale turgor. De concentratie opgeloste deeltjes in de oplossing waarin het aardappelstaafje wordt gelegd, is lager dan die van de cellen.
Proef 2. Bij het begin van proef 1 hebben de aardappelstaafjes maximale turgor. De concentratie opgeloste deeltjes in de oplossing waarin het aardappelstaafje wordt gelegd, is gelijk aan die van de van de cellen.
Proef 3. Bij het begin van proef 1 hebben de aardappelstaafjes maximale turgor. De concentratie opgeloste deeltjes in de oplossing waarin het aardappelstaafje wordt gelegd, is hoger dan die van de vacuolevloeistof van de cellen.

In welk van deze proeven neemt de hoeveelheid water in de cellen van de aardappelstaafjes af?

Osmose

Reactie van aardappelweefsel op NaCl-oplossing.
Zie figuur B 1723 van de bijlage.

Bij een onderzoek naar de reactie van aardappelweefsel op verschillende concentraties van een NaCl-oplossing kwam een onderzoeker tot het afgebeelde diagram.
De grafieken I t/m III hebben respectievelijk betrekking op de osmotische waarde van het celvocht, de zuigspanning en de wanddruk.

Uit de grafieken valt op te maken dat het celmembraan zal loslaten van de celwand (grensplasmolyse) zodra het celvolume minder wordt dan

afbeeldingafbeelding

Osmose

Zetmeelvorming in een beukenblad.

In een beukenblad wordt op een bepaald moment een deel van de gevormde glucose omgezet in zetmeel.
Naar aanleiding hiervan worden vier beweringen gedaan:

1. door deze omzetting daalt de concentratie opgeloste deeltjes in de bladcellen;
2. door deze omzetting stijgt de turgor van de bladcellen;
3. zetmeel is, opgelost in water, beter te transporteren dan glucose;
4. glucose moet eerst in zetmeel worden omgezet voor het gedissimileerd kan worden.

Welke van bovenstaande beweringen is of welke zijn juist?

Osmose

Samenhang osmotische waarde & turgor.

Als een zoetwaterplant wordt overspoeld door zeewater, stijgt de osmotische waarde van de cellen en daalt de turgor.

Wat is de samenhang tussen de stijging van de osmotische waarde en de daling van de turgor?

Osmose

Een plantencel in 0,8% keukenzoutoplossing.

Een plantencel wordt 24 uur in zuiver water gelegd.
De osmotische waarde van het vacuolevocht komt daarna overeen met die van een 0,8% keukenzoutoplossing.
Vervolgens wordt deze cel overgebracht naar een oplossing die 0,8% keukenzout bevat.

Hoe zullen (enkele minuten hierna) de osmotische waarde van het vacuolevocht en de turgor van deze cel veranderd zijn?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Plantaardig weefsel in 3 verschillende oplossingen.

Drie stukjes weefsel van dezelfde plant worden in oplossingen van verschillende concentraties gelegd.
In oplossing 1 zijn de cellen turgescent, in oplossing 2 verkeren de cellen in grensplasmolyse en in oplossing 3 zijn de cellen geplasmolyseerd.

In welk van deze oplossingen is de osmotische waarde van het vacuolevocht van de cellen gelijk aan de osmotische waarde van het vocht in de celwanden?

Osmose

Osmose in plantenweefsel.

Drie stukjes weefsel van dezelfde plant worden in oplossingen van verschillende concentraties gelegd.
In oplossing 1 zijn de cellen turgescent, in oplossing 2 verkeren de cellen in grensplasmolyse en in oplossing 3 zijn de cellen geplasmolyseerd.

In welk van deze oplossingen is de osmotische waarde van het vacuolevocht van de cellen hoger dan de osmotische waarde van het vocht in de celwanden?

Osmose

Mosblaadjes in een geconcentreerde zoutoplossing.
Zie figuur B 32 van de bijlage.

Een vers gesneden mosblaadje wordt in een geconcentreerde zoutoplossing gelegd, waaraan een rode kleurstof (eosine) is toegevoegd. Het resultaat daarvan bij een aantal cellen van het blad is in de figuur weergegeven.

De plaatsen, gemarkeerd met 1 en 2 zullen er als volgt uitzien:

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een vers gesneden reepje aardappel.

Een vers gesneden reepje aardappel wordt in een 1,5% zoutoplossing gelegd. In deze oplossing ondergaat het reepje geen veranderingen.
Daarna wordt het reepje in een 3% zoutoplossing van hetzelfde zout gelegd en verandert het wel.

Het reepje wordt

Osmose

Aardappelstaafjes in glucose-oplossingen.
Zie figuur B 69 van de bijlage.

Uit een verse aardappel worden staafjes van precies 5 cm lengte gesneden. Deze staafjes worden elk in een glucose-oplossing gelegd. De concentraties van de glucose-oplossingen zijn verschillend.
Na een dag wordt de lengte van ieder staafje gemeten. Het verband tussen de glucoseconcentraties van de oplossingen en de lengten die de staafjes na een dag hebben, is weergegeven in het diagram.

Is er in de cellen van het aardappelstaafje dat een dag in de oplossing van 40 g glucose per liter heeft gelegen, nog turgor?
Kan het cytoplasma van de aardappelcellen die een dag in de oplossing met 80 g glucose per liter hebben
gelegen, los hebben gelaten van de celwanden?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Geranium in brak water.

Een geranium wordt in brakwaterhoudende grond geplaatst en begint daardoor te verwelken.

Zal dit verwelken het snelst optreden bij een lage of hoge relatieve vochtigheid van de lucht?
En bij een lage of hoge temperatuur van de lucht?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Plantencellen in oplossing.
Zie figuur B 90 van de bijlage.

Een cel van een plant bevindt zich in een oplossing. Na enige tijd heeft het vacuolevocht dezelfde osmotische waarde als de oplossing. Figuur P is een afbeelding van de cel in deze toestand. Daarna wordt deze cel overgebracht in een oplossing met een hogere osmotische waarde.

Met welke van de afgebeelde cellen zal de cel na enkele minuten de meeste gelijkenis vertonen, uitgaande van dezelfde mate van vergroting als bij P?

afbeeldingafbeelding