Oefentoets Biologie: Ecologie - bestrijding | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 15 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

15

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

1/6 De roofvogelstand in Nederland.

Tekst 1:
Roofvogels vooral in Drenthe op grote schaal illegaal vervolgd

Het aantal roofvogels is in Nederland sterk toegenomen sinds het begin van de jaren zeventig. In de jaren zestig hadden bestrijdingsmiddelen de Nederlandse roofvogelstand letterlijk gedecimeerd. Persistente [= niet afbreekbare] middelen als DDT deden sommige soorten bijna de das om. Van de sperwer waren er eind jaren zestig nog twee- tot driehonderd broedparen over, nu zijn het er 3400 tot 4000. Van de havik waren er nog maximaal honderd paren, nu zijn er 1700 tot 2000.
Op dit moment worden roofvogels in Nederland illegaal vervolgd. Vergiftiging is de meest gebruikte methode, gevolgd door het uithalen van nesten en het schieten op nesten. In de meeste gevallen heeft het doden van roofvogels geen grote gevolgen voor de stand van deze dieren en evenmin voor die van de prooidieren. De stand kan wel lokaal worden bedreigd.

bewerkt naar: de Volkskrant, 23 oktober 1993

Zie volgend scherm

Ecologie

2/6 De roofvogelstand in Nederland.
Tekst 2:

In absolute aantallen steekt de vervolging van de buizerd met kop en schouders uit boven de vervolging van de andere roofvogelsoorten. Hiervoor zijn drie belangrijke oorzaken aan te voeren:

a. de soort is een talrijke broedvogel in Nederland,
b. de aantallen nemen buiten het broedseizoen sterk toe als gevolg van de instroom van wintergasten en
c. aas vormt een vast onderdeel van zijn menu.

Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat de huidige vervolgingspraktijken negatief hebben uitgewerkt op de aantalsontwikkeling van de buizerd in Noord-Nederland. Evenmin bestaat de indruk dat zich in de populatie-opbouw van de buizerd een scheefgroei heeft voltrokken. Hooguit lokaal, zoals in 1986 in Noordwest-Drenthe in de vervolgingshaard rond Veenhuizen, waren verstoringen in de populatie-opbouw waarneembaar.
Hoewel een deel van de vergiftigingen betrekking heeft op doortrekkers en wintergasten (in ieder geval bij de buizerd), worden ook veel lokale broedvogels het slachtoffer. Dit geldt vooral voor de havik, die een strikte standvogel is. De uitwerking van vervolging op roofvogels reikt verder dan de dood van een aantal individuen. Dit kan het beste worden verduidelijkt aan de hand van een soort. De havik is daarvoor ideaal. Van de Nederlandse roofvogelsoorten is de havik immers de meest uitgesproken standvogel en het makkelijkst te inventariseren door zijn formaat, gedrag en habitatkeus. Territoriale haviken stellen de waarnemer voor weinig verrassingen: vrijwel altijd bezetten de paren een nest, leggen ze eieren en produceren ze jongen.
De vervolging van haviken in Noord- en Midden-Drenthe is grootschalig, systematisch en destructief genoeg om de samenstelling van de broedpopulatie ingrijpend te beïnvloeden.

bewerkt naar: R. G. Bijlsma, Ecologische atlas van de Nederlandse roofvogels, Haarlem, 1996, 242, 249, 255

afbeeldingafbeelding

Zie volgend scherm

Ecologie

3/6 De roofvogelstand in Nederland.

Geef een verklaring voor het gegeven dat DDT vooral invloed had op het voortplantingssucces van roofvogels en minder op dat van bijvoorbeeld zaadetende vogels.

Ecologie

4/6 De roofvogelstand in Nederland.

Lokaal zijn verstoringen in de populatie-opbouw van de buizerd waarneembaar.

Noem twee wijzen waarop verstoringen in een populatie van de buizerd worden gecompenseerd.

Ecologie

5/6 De roofvogelstand in Nederland.

Noem een gegeven uit de informatie in de teksten 1 of 2 waaruit blijkt dat buizerd en havik elk een verschillende niche innemen.

Ecologie

6/6 De roofvogelstand in Nederland.
afbeeldingafbeelding

Waarnemers kunnen uit de samenstelling van de populatie haviken in Drenthe (zie tekst 2 en de tabel hierboven) concluderen dat de grote sterfte het gevolg moet zijn van onnatuurlijke oorzaken. Drie situaties worden genoemd.

1. Er is een hoog percentage volwassen broedvogels.
2. Er is een hoog percentage broedende eerstejaars vrouwtjes.
3. Veel territoria worden jaarlijks door andere broedparen bezet.

Welke van deze situaties geeft of welke geven een kenmerk van een populatie haviken waarin grote onnatuurlijke sterfte optreedt?

Ecologie

1/3 Land- en tuinbouw.
Zie figuur B 1581 van de bijlage.

Een leerling leest in een brochure van de firma Koppert Biological Systems het volgende:

Tekst:
WITTE VLIEG
Eén van de grootste plagen in beschermde teelten, zowel in groente- als in siergewassen en in enkele buitenteelten, is de witte vlieg. Er komen twee soorten voor: Trialeurodes vaporariorum en Bemisia tabaci. De witte vlieg zuigt grote hoeveelheden plantensap op. De suikers uit het sap worden afgescheiden als honingdauw. Dit maakt de bladeren kleverig en vatbaar voor schimmelgroei en rot. Witte vlieg kan ook virussen overbrengen en betekent dus een grote bedreiging voor het gewas.
Bij de witte vlieg zijn zes ontwikkelingsstadia te onderscheiden, namelijk ei, eerste, tweede, derde en vierde larvestadium (welke uitgroeit tot pop) en volwassen insect. De volwassen vliegen zijn meestal te vinden in de top van het gewas, aan de onderkant van de bladeren. Door aan de planten te schudden vliegen ze als een wolk witte motjes op om even later opnieuw de onderkant van de bladeren op te zoeken. De larven bevinden zich lager in het gewas. Zowel de volwassen vliegen als de larven onttrekken voedsel aan de plant.

Biologische oplossing
De sluipwesp Encarsia formosa. Deze legt een ei in de larve van de witte vlieg. Het ei ontwikkelt zich in de larve tot een sluipwesp. De volwassen sluipwesp komt via een rond gaatje uit de pop naar buiten. De volwassen sluipwesp voedt zich met honingdauw en met het lichaamsvocht van witte vliegenlarven.

Zie figuur B 1581 van de bijlage.

De afbeelding geeft een volwassen sluipwesp weer.

Hoe heet de relatie tussen de volwassen sluipwesp en de larve van de witte vlieg?

Deze relatie noemt men [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Land- en tuinbouw.

De sluipwespen worden als zwarte poppen op kartonnen kaartjes aan de tuinders geleverd. Deze kaartjes kunnen gemakkelijk aan de planten worden opgehangen. De producent van de sluipwespen geeft over de introductie van de sluipwespen in de kas de volgende instructie:
'Zodra de eerste witte vliegen worden aangetroffen dient de sluipwesp zo snel mogelijk ingezet te worden. Preventief inzetten behoort ook tot de mogelijkheden.'

Leg uit wat een voordeel en wat een nadeel kan zijn van het preventief inzetten van sluipwespen.

Ecologie

3/3 Land- en tuinbouw.
Zie figuur B 1586 van de bijlage.

In een experiment worden twee verschillende landbouwmethoden vergeleken. Hiertoe worden twee even grote velden van 10 ha gebruikt, veld 1 en veld 2, die vóór het inzaaien gemiddeld aan dezelfde biotische en abiotische invloeden blootstaan. De velden liggen op vrij grote afstand van elkaar.
Op veld 1 wordt één gewas G gezaaid. Veld 2 wordt verdeeld in verschillende vakken (zie de afbeelding). In één van deze vakken wordt gewas G gezaaid in combinatie met een gewas 1. In het andere vak wordt gewas H gezaaid. De gebruikte hoeveelheid zaad van gewas G per oppervlakte-eenheid is in de velden 1 en 2 gelijk.
Gewas G is gevoelig voor vraat van een jaarlijks landelijk aanwezige insectensoort. Na de oogst blijkt de opbrengst per m2 van gewas G op veld 2 hoger te zijn dan die van gewas G op veld 1.

Leg uit op welke wijze een biotische factor en op welke wijze een abiotische factor in het milieu er de oorzaak van kan zijn dat de opbrengst van gewas G op veld 2 hoger is dan die van gewas G op veld 1.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Giflozing.

Vroeg in de lente werd een gif geloosd in een vijver. Het gif doodde alle schimmels, bacteriën en andere types reducenten. Aan het eind van de zomer stierven er enkele baarzen in de vijver.

Wat is de meest waarschijnlijke sterfte-oorzaak?

Ecologie

1/3 Sluipwespen in het vrije veld.

Henry Brubaker tuurt naar het felrode speelgoedvliegtuigje dat zojuist terugkeert van een geslaagde missie over zijn katoenveld. In tien minuten tijd heeft het vliegtuig 20 ha katoen voorzien van een verse lading gaasvliegeieren, waarvan de vraatzuchtige larven zich vol overgave te goed zullen doen aan de witte vlieg, een van de hardnekkigste plaaginsecten in de Amerikaanse landbouw. Brubaker: 'Gedurende de afgelopen vier tot vijf jaar is de witte vlieg onze grootste plaag geworden. Witte vlieg is met chemische middelen vrijwel niet uit te roeien. We hebben nu onze hoop op biologische bestrijding gericht'.
'We gebruiken noodgedwongen nog steeds veel chemicaliën ter bestrijding van plagen, maar we staan altijd open voor andere technieken en hebben al diverse biologische middelen uitgeprobeerd', aldus Brubaker. Het bedrijf heeft goede resultaten met feromonen tegen de katoenrups. Feromonen zijn geurstoffen die insecten voor onderlinge communicatie gebruiken. In dit geval wordt het mannetje bij het zoeken naar een vrouwtje door een overmaat aan lokstof in verwarring gebracht, waardoor de paring en dus de voortplanting niet plaatsvindt.
Ter bestrijding van de witte vlieg die zowel katoen- als meloenplanten aantast, gebruikt Brubaker de genoemde gaasvlieg, maar alleen de katoen bleek er bij gebaat te zijn. Brubaker: 'Naar mijn observatie houden gaasvliegen meer van katoen dan van meloen. Aan de andere kant is de witte vlieg juist doel op meloen. Vandaar dat de combinatie gaasvlieg-katoen wel werkte en gaasvlieg-meloen niet'.
Bij zijn strijd tegen de plaaginsecten krijgt Brubaker ondersteuning van het bedrijf ARBICO (Arizona Biological Control). Zoals Koppert in Nederland zich als eerste op het pad van de biologische bestrijding waagde, deden Rich Frey en zijn vrouw Sheri Herrera, eigenaars van ARBICO, pionierswerk op dit gebied in de Verenigde Staten. Het inmiddels 16-jarige bedrijf verstuurt per post veertig miljoen 'beneficial bugs' per week naar landen over de hele wereld. Via het gratis telefoonnummer 800-SOS-BUGS kan iedere boer in nood een vrijblijvend consult krijgen. Met hun gevarieerde aanbod van 'killer-insects' kunnen zij een groot deel van de problemen de baas. Veel boeren zijn zo langzamerhand chemisch gefixeerd geraakt. Nu zitten we met het probleem dat insecten, met als beste voorbeeld de witte vlieg, resistent zijn geworden tegen chemicaliën. We moeten wel met wat anders komen'.
'Volgens Rich Frey van ARBICO is het vooral het kostenaspect dat boeren motiveert om over te stappen op biologische bestrijding. Frey: 'De meeste boeren houden zich niet met milieu bezig. Maar zodra ze horen dat het publiek tot 40 procent meer wil betalen voor organisch gekweekte groente, raken ze geïnteresseerd'. Nederland heeft een grote expertise in de biologische bestrijding - vooral in kassen - en die komt goed van pas in een land dat hierin nog nauwelijks enige traditie heeft. Minkenberg richt zich op het zoeken van de juiste roofdieren voor verschillende plaaginsecten. Een van de projecten is de massakweek van sluipwespen ter bestrijding van de witte vlieg. Het probleem waarvoor hij zich geplaatst ziet is de enorme schaal waarop de biologische bestrijding moet plaatsvinden. Minkenberg: 'In Nederland heb je te maken met de gesloten omgeving van een kas zodat het proces eenvoudig onder controle is te houden. Maar hier in de woestijn van Arizona werkt men met akkers van wel 5.000 ha. Daar moet je dus heel veel sluipwespen op loslaten. Dergelijk grootschalig gebruik van biologische bestrijdingstechnieken is volstrekt nieuw, ook in de Verenigde Staten. ARBICO heeft zich tot nu toe op veel kleinere schaal met 'pest-control' beziggehouden. Eveneens nieuw is het specifiek zoeken naar nieuwe combinaties van roof- en plaagdier. Tot nu toe heeft men altijd met natuurlijke vijanden gewerkt, die uit het oorsprongsgebied van de plaaginsecten kwamen'.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/3 Sluipwespen in het vrije veld.

De sluipwespen worden in kassen op de campus van de universiteit gekweekt. In kleine veldkooien wordt eerst onderzocht hoeveel sluipwespen men nodig heeft voor de bestrijding van een bepaalde populatie witte vlieg. In de tweede fase van het onderzoek worden sluipwespen losgelaten op stukken land van 10 ha. Op hetzelfde laboratorium werkt dr. Thomas R. Clarke aan een multidisciplinair onderzoek naar het verhogen van het efficiënt gebruik van water binnen de irrigatielandbouw. Men ontwikkelt technieken waarbij men op afstand de exacte tijd kan bepalen waarop men het land dient te bewateren. Infrarood camera's registreren de hoeveelheid water in de verschillende percelen en kunnen precies vertellen hoeveel water er waar nodig is. Clarke: 'Tijdens ons onderzoek stuitten we toevallig op een uiterst nuttige toepassing van de infraroodcameratechniek, namelijk de vroegtijdige opsporing van schade aan het gewas door plaaginsecten. De door het insect aangebrachte schade heeft namelijk invloed op de waterhuishouding van de plant. In gezonde toestand verdampt de plant water ter afkoeling van het bladoppervlak. Doordat het schadelijk insect de plant ziek maakt, verstoort het de waterhuishouding waardoor het bladoppervlak van de plant abnormaal warm wordt. Dat is zichtbaar op de infrarood camera-opnames zodat men prachtig kan zien waar zich de plaaginsecten bevinden.

Zie volgende scherm

Ecologie

3/3 Sluipwespen in het vrije veld.

Mede op grond van de gegevens in het artikel over "Sluipwespen in het vrije veld" wordt een aantal beweringen gedaan.

Kruis het nummer of de nummers van elke juiste bewering aan.

1. De witte vliegen in de katoenplantage van Henry Brubaker in Arizona zijn ongeschikt voor onderzoek om het bewijs van de Hardy-Weinberg wet voor de genen die betrekking hebben op resistentie tegen chemische bestrijdingsmiddelen bij witte vlieg te leveren.
2. Doordat de vaders van de katoenrupsen feromonen verspreiden zullen ze de toekomstige moeders van de rupsen ontmoeten.
3. De zieke katoenplanten hebben een lagere temperatuur dan de gezonde planten doordat de waterafgifte door de bladeren bij de zieke planten minder is.
4. De witte vlieg is resistent geworden vanwege de accumulatie die generaties lang heeft plaatsgevonden.
5. Eén van de beperkende factoren voor de voortplanting van katoenvlinders is de tijd nodig voor het vinden van een partner van het andere geslacht.
6. Een voorbeeld van een in het artikel beschreven voedselketen in een katoenplantage is:
katoenplant ® witte vlieg ® gaasvlieg ® mens.

Ecologie

Een nieuw insecticide.

Een farmaceutisch bedrijf ontwikkelde een nieuw insecticide dat erg giftig is voor muggen die het West Nijl virus dragen. Massale besproeiing gedurende 10 jaar veroorzaakte een sterke reductie van de muggenpopulatie in de eerste 5 jaar en een geleidelijke toename in de muggenpopulatie in de 5 jaar daarna.

Wat is de meest waarschijnlijke verklaring voor dit resultaat?