Oefentoets Biologie: Zenuwstelsel | HAVO 4/HAVO 5 | variant 11

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Zenuwstelsel

Parasympathisch zenuwstelsel.

Via het parasympathisch zenuwstelsel kan

Zenuwstelsel

Verdeling van stof in het centrale zenuwstelsel.

In het centrale zenuwstelsel ligt

Zenuwstelsel

Een zenuwvezel.

Een zenuwvezel geleidt een impuls.

De snelheid van de impulsgeleiding

Zenuwstelsel

Kleine hersenen.

Wat kan het gevolg zijn van een beschadiging aan de kleine hersenen?

Zenuwstelsel

Ongeval.

Bij een ongeval is een zenuw in de bovenarm beschadigd.
Als gevolg hiervan is de onderarm gevoelloos.

Een verklaring hiervoor is, dat

Zenuwstelsel

Sex en alcohol.

Volgens Erica kunnen mannen beter tegen alcohol dan vrouwen.
Volgens Stefanie worden je sexuele prestaties beter nadat je alcohol gedronken hebt.

Wie heeft of wie hebben gelijk?

Zenuwstelsel

1/2 Snurken.

Op de regulatie van de adembewegingen hebben zowel het CO2 -gehalte als het O2 -gehalte van het bloed invloed. Na blokkering van de ademhalingswegen vinden processen plaats waardoor het ademritme weer hersteld wordt.
Hieronder staat een aantal zinnen over dit herstel:

1. Vanuit de hersenstam gaan impulsen via motorische zenuwen naar de buikwandspieren die zich vervolgens samentrekken.
2. Impulsen bereiken het ademcentrum in de hersenstam.
3. Zintuigjes worden geprikkeld, zodat impulsen in sensorische zenuwen ontstaan.
4. Door blokkering van de luchtwegen neemt het CO2 -gehalte van het bloed toe, waardoor het bloed zuurder wordt.
5. Impulsen arriveren in de grote hersenen en worden van daaruit doorgegeven aan de hersenstam.
6. Vanuit de hersenstam gaan impulsen via motorische zenuwen naar de middenrifspieren die zich vervolgens samentrekken.

Welke van de gebeurtenissen, beschreven in bovenstaande zinnen, vinden plaats bij het herstellen van het ademritme bij snurkenden en in welke volgorde gebeurt dat?

Zenuwstelsel

2/2 Snurken.

Een apparaatje dat het snurken mogelijk vermindert, is de zogenoemde 'snoozer'. De snoozer wordt onder het hoofdkussen geplaatst en produceert, na drie opeenvolgende snurkgeluiden, trillingen, die door de huid worden waargenomen en die ongeveer twee seconden aanhouden. Zij sporen de snurker aan om van houding te veranderen. Een zijligging vermindert de kans op snurken.

Delen van het zenuwstelsel zijn: grote hersenen, motorische en sensorische zenuwbanen en ruggenmerg.

Welke van de genoemde delen zijn, samen met de kleine hersenen, betrokken bij het van houding veranderen van de snurker tengevolge van de trillingen van de snoozer?

Zenuwstelsel

Een nieuwe astmatherapie.

Een van de reacties bij astma is dat de spiertjes om de luchtwegen zich samentrekken en verkrampt raken.

Door welk deel van ons zenuwstelsel wordt het samentrekken van de spiertjes in de luchtwegen gestimuleerd?

Zenuwstelsel

1/3 Uit de geschiedenis.
Zie de figuren B 2584 en B 2585 van de bijlage.

Rond 300 voor Christus bestond in Alexandrië, een plaats aan de Middellandse Zee, een bloeiend wetenschappelijk centrum. Bekende geleerden uit deze zogenaamde Alexandrijnse school zijn Herophilus en Erasistratus. Zij bestudeerden onder andere de bouw en werking van het menselijk lichaam.

Herophilus onderzocht hersenen en zenuwen. Hij zag dat sommige beschadigingen van zenuwen leidden tot verlamming, andere tot gevoelloosheid.
Tegenwoordig maken we onderscheid tussen sensorische en motorische zenuwcellen en schakelcellen.

Welke van deze typen zenuwcellen komen voor in de zenuwen die Herophilus heeft gezien?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

2/3 Uit de geschiedenis.

Tekst:
Herophilus en Erasistratus hadden geen van beiden een juiste voorstelling omtrent de bloedsomloop. De omstandigheid dat de slagaderen na de dood leeg zijn en geen bloed bevatten, deed bij hen de mening post vatten dat dit ook tijdens het leven het geval was. Erasistratus nu meende dat zich in de slagaderen een luchtachtige substantie bevond en bewoog, het pneuma. Pneuma ontstond volgens hem in het hart uit de ingeademde lucht. Vervolgens zou dit pneuma via de slagaderen door het lichaam gezonden worden. In de hersenholte werd pneuma dan omgezet in een andere levensgeest die zich als een bliksem door de zenuwen zou kunnen voortbewegen. Hij dacht dat de zenuwen hol waren.

bewerkt naar: G.A. Lindeboom, Inleiding tot de geschiedenis der geneeskunde, Amsterdam 1979, 52

Wat bevindt zich volgens de tegenwoordige inzichten in de hersenholte?

Zenuwstelsel

3/3 Uit de geschiedenis.

Noem twee typen weefsel die zich volgens de tegenwoordige inzichten in zenuwen bevinden.

Zenuwstelsel

Geneesmiddelen testen.

Waarop zal een geneesmiddel tegen hoofdpijn met name effect hebben?

Zenuwstelsel

Bloedsomloop.
Zie figuur C 179 van de bijlage.

De frequentie van de hartslag kan worden beïnvloed vanuit het centrale zenuwstelsel. Het hart is door zenuwen van het autonome zenuwstelsel verbonden met de hersenstam. De hersenstam krijgt informatie vanuit onder andere de aorta en de halsslagaders. Daar bevinden zich receptoren die worden geprikkeld door veranderingen in de bloeddruk in deze bloedvaten. Het autonome zenuwstelsel reguleert de bloeddruk.

Op een bepaald moment neemt bij iemand door een verhoogde bloeddruk de impulsfrequentie vanuit de genoemde receptoren naar de hersenstam toe.

Zal de bloeddruk vervolgens weer normaal worden door een toename van de impulsfrequentie in het parasympatische of het orthosympatisch deel van het autonome zenuwstelsel? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Hartritmestoornissen.

Als het hart te snel gaat kloppen, dreigt de bloeddruk in de bloedvaten te hoog te worden.
Zintuigen in de wand van de aorta en de halsslagaders registreren de toename van de bloeddruk en sturen impulsen naar een regelcentrum in de hersenen. Via het autonome zenuwstelsel wordt de hartslagfrequentie dan verlaagd.

In welk deel van de hersenen ligt het centrum dat de hartslagfrequentie regelt en via welk deel van het autonome zenuwstelsel wordt het hartritme verlaagd?

afbeeldingafbeelding

Zenuwstelsel

Bloedsomloop.

Door welk deel van het zenuwstelsel wordt de doorstroming van het lichaam met bloed geregeld?

Zenuwstelsel

1/3 Insectenthermometer.

Insecten zijn voor hun activiteit sterk afhankelijk van de omgevingstemperatuur.
In 1950 stond in het blad Natura een artikel over dit onderwerp. Het betreft hier het onderzoek van de Amerikaan Steve Hallenbeck.
…"Hallenbeck heeft voornamelijk bij krekels nagegaan of er een nauw verband bestaat tussen de temperatuur en de frequentie van het sjirpen. Gedurende vele nachten heeft hij met een stopwatch de frequentie van het gesjirp opgenomen. Met een thermograaf werd gedurende de nacht het verloop van de temperatuur geregistreerd op een strook papier"…
Het verschijnsel van het sjirpen dat Hallenbeck beschreef, gaat ook op voor de veldkrekel die in Nederland voorkomt. Het werkt als volgt: de mannetjes van de veldkrekel ‘zingen' door hun vleugels tegen elkaar te bewegen. Vier snelle vleugelbewegingen achter elkaar veroorzaken samen een geluid dat klinkt als ‘kri'. Zo'n kri-element wordt ook wel echeme genoemd. Onderdelen van de vleugels trillen mee en versterken het geluid. Het kenmerkende ‘kri-kri-kri' ontstaat doordat de krekel een hele reeks echemes achter elkaar produceert.
Het tempo waarin dit gebeurt is afhankelijk van de temperatuur. In het veld geldt als regel: tel het aantal kri-elementen dat je in vijf seconden hoort, tel hier 7 bij op: de uitkomst is de omgevingstemperatuur in °C. Als de buitentemperatuur boven de 40°C uitkomt, sjirpen de krekels niet. Dit betekent dat er een bovengrens is aan dit sjirpen. Je kunt het aantal kri's dus ook gebruiken als insectenthermometer.

Zie volgende scherm

Zenuwstelsel

2/3 Insectenthermometer.
Zie figuur B 4373 van de bijlage.

Onderzoek aan zenuwcellen van krekels laat zien dat het patroon dat wordt gezongen op een andere plaats in het zenuwstelsel wordt opgewekt (P) dan waar het soorteigen zangpatroon wordt herkend (Q) (zie de afbeelding). In het eerste geval gaat het om groepen zenuwcellen die spieren aansturen, en in het tweede geval om groepen zenuwcellen waar informatie van de zintuigcellen wordt verwerkt.

- Welk type zenuwcellen kun je, op basis van de gegeven informatie, bij P zeker verwachten?
- Welk type zeker bij Q?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding