Oefentoets Biologie: Ademhaling - Ademproblemen | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 14 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

14

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ademhaling

1/2 Mond-op-mondbeademing.
Zie figuur B 436 van de bijlage.

Door verschillende oorzaken kunnen bij de mens de ventilatiebewegingen tot stilstand komen. In sommige gevallen is het echter mogelijk met behulp van mond-op-mondbeademing de ventilatiebewegingen weer op gang te brengen.

Zie figuur B 436 van de bijlage.

Bij mond-op-mondbeademing blaast de hulpverlener lucht direct in de luchtwegen van het slachtoffer. Eerst blaast de hulpverlener 5-10 maal snel achter elkaar een hoeveelheid lucht in; daarna blaast hij met tussenpozen van ongeveer 5 seconden. Wanneer de beademing succes heeft, komen de ventilatiebewegingen van het slachtoffer weer op gang.

Heeft de ingeblazen lucht alleen invloed op de CO2 -concentratie, alleen op de O2 -concentratie of op de concentraties van beide gassen in de lucht in de longen van het slachtoffer?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

2/2 Mond-op-mondbeademing.

Longblaasjes hebben onder andere de volgende kenmerken:

1. ze zijn omgeven door haarvaten,
2. de wanden zijn dun,
3 de wanden zijn elastisch.

Door welk van deze kenmerken kan het slachtoffer de ingeblazen lucht uitademen?

Ademhaling

1/3 Ademhaling.

Bij een bepaalde persoon is de luchtpijp ten gevolge van overmatige slijmvorming vernauwd. De gaswisseling in de longblaasjes is daardoor slecht. Ook in rust krijgt hij het hierdoor benauwd en gaat hij hijgen. Men heeft de keus uit drie gasmengsels die deze persoon kan inademen om zijn gaswisseling te verbeteren. De mengsels hebben de volgende samenstelling:

afbeeldingafbeelding

De vochtigheidsgraad van alle drie de mengsels is laag en de temperatuur ervan bedraagt 20°C.

Door inademing van welk van de drie gasmengsels zal de gaswisseling in de longblaasjes van de persoon het meest verbeteren?

Ademhaling

2/3 Ademhaling.

Na inademing van het juiste gasmengsel wordt zijn ademhaling rustiger en komt hij zelf tot kalmte.

Is de frequentie van zijn hartslag nu lager dan, gelijk aan of hoger dan de frequentie van zijn hartslag toen hij het benauwd had?

Ademhaling

3/3 Ademhaling.

De hoeveelheid zuurstof die de weefselcellen bereikt, is onder andere afhankelijk van de volgende factoren:

1. de snelheid waarmee de lucht in de longen wordt ververst,
2. de snelheid waarmee het bloed in de bloedvaten wordt getransporteerd,
3. de snelheid waarmee de zuurstof uit het bloed naar de weefselcellen diffundeert.

Welke van deze factoren zijn direct afhankelijk van energie die in het organisme wordt vrijgemaakt?

Ademhaling

1/3 Hyperventilatie.

Het overmatig snel verversen van de lucht in de longen wordt hyperventilatie genoemd. Door bewust of onbewust snel in en uit te ademen daalt de concentratie van CO2 in het bloed. Onder invloed van een lage concentratie van CO2 in het bloed worden slagadertjes die de hersenen van bloed voorzien, nauwer.
Daardoor neemt de bloedtoevoer naar de hersenen af.

Wat zal het gevolg zijn van deze verminderde bloedtoevoer naar de hersenen?

Als gevolg daarvan

Ademhaling

2/3 Hyperventilatie.

Een persoon raakt opgewonden en begint te hyperventileren. Om de hyperventilatie te stoppen, pakt hij een plastic zak.

Wat moet hij met behulp van deze plastic zak doen om de hyperventilatie te stoppen?

Ademhaling

3/3 Hyperventilatie.

In strijd met de voorschriften wil een duikster, die zonder duikapparatuur gaat duiken, hyperventileren voordat zij met haar duik begint. Over de reden waarom zij dit wil doen, geeft zij drie beweringen:

1. hierdoor zal de zuurstofconcentratie in mijn longlucht toenemen;
2. hierdoor zullen mijn ventilatiebewegingen minder snel op gang komen;
3. hierdoor zal onder water de druk in mijn longen minder snel stijgen.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

1/5 Snurken.

Tekst:
Snurken ontstaat doordat er lucht tijdens de slaap wordt aangezogen via een sterk verslapte luchtweg. Daarbij 'klapperen' de zachte delen in de mond- en keelholte (gehemelte, tongbasis), waardoor het zagende geluid ontstaat.
Bij sommige hevige snurkers kunnen de ademhalingswegen zelfs even geblokkeerd raken. Het duurt vaak meer dan tien seconden voordat de ademhalingsweg, door herstel van de spierspanning, weer opengaat. De snurker wordt hierbij vaak bijna wakker, zuigt weer lucht in zijn longen en herstelt zijn slaap- en snurkritme tot de volgende ademhalingsstop.
Vooral bij snurkers bij wie de ademhaling telkens even geblokkeerd raakt, lijkt er een verband te bestaan tussen snurken en hoge bloeddruk. Zowel hoge bloeddruk als snurken komen veel voor bij mensen met overgewicht.
Een apparaatje dat het snurken mogelijk vermindert, is de zogenoemde 'snoozer'. De snoozer wordt onder het hoofdkussen geplaatst en produceert, na drie opeenvolgende snurkgeluiden, trillingen, die door de huid worden waargenomen en die ongeveer twee seconden aanhouden. Zij sporen de snurker aan om van houding te veranderen. Een zijligging vermindert de kans op snurken.

bron: Van functies, fractals en fobieën, PTW Wetenschapslijn

Zie volgende scherm

Ademhaling

2/5 Snurken.

Op de regulatie van de adembewegingen hebben zowel het CO2 -gehalte als het O2 -gehalte van het bloed invloed. Na blokkering van de ademhalingswegen vinden processen plaats waardoor het ademritme weer hersteld wordt.
Hieronder staat een aantal zinnen over dit herstel:

1. Vanuit de hersenstam gaan impulsen via motorische zenuwen naar de buikwandspieren die zich vervolgens samentrekken.
2. Impulsen bereiken het ademcentrum in de hersenstam.
3. Zintuigjes worden geprikkeld, zodat impulsen in sensorische zenuwen ontstaan.
4. Door blokkering van de luchtwegen neemt het CO2 -gehalte van het bloed toe, waardoor het bloed zuurder wordt.
5. Impulsen arriveren in de grote hersenen en worden van daaruit doorgegeven aan de hersenstam.
6. Vanuit de hersenstam gaan impulsen via motorische zenuwen naar de middenrifspieren die zich vervolgens samentrekken.

Welke van de gebeurtenissen, beschreven in bovenstaande zinnen, vinden plaats bij het herstellen van het ademritme bij snurkenden en in welke volgorde gebeurt dat?

Ademhaling

3/5 Snurken.

Een student meet de bloeddruk van tien personen met overgewicht. Zeven personen hebben een te hoge bloeddruk. De student vervolgt zijn onderzoek met deze zeven personen. Ze blijken allemaal 's nachts regelmatig te snurken. Hij concludeert uit deze gegevens dat er een verband bestaat tussen hoge bloeddruk en snurken. Deze conclusie is voorbarig.

Noem twee redenen waarom de conclusie van deze student voorbarig is.

Ademhaling

4/5 Snurken.

Bij hoge bloeddruk kan de binnenbekleding van de wand van bloedvaten beschadigd raken. Deze binnenbekleding bestaat uit een dunne laag cellen: het endotheel. Na beschadiging kan kalk en vet afgezet worden in het endotheel.

Noem een specifieke eigenschap van slagaders die door verkalking en vetafzetting verandert.

Ademhaling

5/5 Snurken.

Delen van het zenuwstelsel zijn: grote hersenen, motorische en sensorische zenuwbanen en ruggenmerg.

Welke van de genoemde delen zijn, samen met de kleine hersenen, betrokken bij het van houding veranderen van de snurker tengevolge van de trillingen van de snoozer?

Ademhaling

Syndroom van Marfan.
Zie figuur B 4689 van de bijlage.

Het Marfansyndroom of syndroom van Marfan is een aangeboren aandoening van het bindweefsel. De belangrijkste Marfanverschijnselen treden op aan hart, bloedvaten, ogen en skelet. Syndroom geeft aan dat het gaat om een verzameling van afwijkingen die samen en in een bepaalde combinatie voorkomen. Alle verschijnselen samen zijn te verklaren vanuit één oorzaak.
Bij mensen met Marfan kunnen ook longproblemen ontstaan, zoals een pneumothorax (klaplong).
Door het stukgaan van een longblaasje kan een lek ontstaan in het vlies dat de long bedekt, waardoor er lucht komt in de interpleurale ruimte (zie de afbeelding), en (een deel van) een long inklapt.
Patiënten met een verhoogde kans op longproblemen wordt afgeraden zich bloot te stellen aan een zogeheten passieve overdruk. Deze kan ontstaan tijdens het dalen met ingehouden adem bij bijvoorbeeld diepzeeduiken of parachutespringen.
Actieve overdruk (bijvoorbeeld bij het bespelen van een trompet) hoeft geen bezwaar te zijn.

Leg aan de hand van de bouw van de long en de werking van de ademhalingsspieren uit dat actieve overdruk geen bezwaar hoeft op te leveren bij deze patiënten.

afbeeldingafbeelding