Oefentoets Biologie: Ecologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 10

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

2/3 Plas-dras-omgeving.
Zie figuur B 3936 van de bijlage.

In het diagram van de afbeelding is het predatierisico van jonge prooivissen weergegeven in relatie tot hun eigen lengte, de waterdiepte en het predatortype.

Een jonge snoek groeit uit van 2 tot 6 cm. Om predatoren te ontlopen moet het visje tijdens de groei steeds de meest veilige diepte opzoeken.

Op welke diepten kan dit visje zich op grond van de gegevens in het diagram het beste ophouden, om tijdens de groei van 2 tot 6 cm predatoren te ontlopen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 Plas-dras-omgeving.

In twee laagveenwateren, de Loenderveensche Plas Oost en Terra Nova, werkt Gemeentewaterleidingen Amsterdam aan een herstelplan. Beide wateren kampen met een gering doorzicht, gebrek aan ondergedoken waterplanten en een gering aantal vissoorten. Het geringe doorzicht ontstaat door opgewerveld slib en algen.
Dat slib wervelt op door de wind en door wroetende brasems.
Doordat de brasem veel watervlooien eet, neemt ook de algengroei toe. Dat het water in deze laagveengebieden ooit troebel is geworden, heeft te maken met door de mens veroorzaakte eutrofiëring van het water.

Leg uit hoe eutrofiëring kan leiden tot vermindering van het doorzicht. Leg uit dat beëindiging van eutrofiëring door de mens niet op korte termijn leidt tot verbetering van het doorzicht in deze laagveenwateren.

Ecologie

1/4 Een tropisch regenwoud.
Zie figuur B 1330 van de bijlage.

In een deel van het tropisch regenwoud in het Amazone-gebied in Zuid-Amerika heeft het bos een opbouw in etages zoals in de afbeelding is weergegeven.
Gemiddeld is het oppervlak van een blad van een plant in de onderste etage groter dan dat van een plant in de bovenste etage. De luchtverplaatsing in de onderste etage is zeer gering.

Is de relatieve vochtigheid in de onderste etage lager dan, gelijk aan of groter dan die in de bovenste etage? Leg je antwoord uit met behulp van een toelichting over het tot stand komen van de relatieve vochtigheid in de
etages.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Een tropisch regenwoud.
Zie figuur C 78 van de bijlage.

De bodem van grote delen van het tropisch regenwoud bestaat vooral uit zand.
Aangezien de gemiddelde regenval in deze gebieden zeer groot is, spoelen zouten snel weg uit de bodem. Het verlies aan voor de producenten opneembare stikstofhoudende verbindingen wordt echter gecompenseerd door bepaalde processen in de stikstofkringloop.
Enkele verbindingen in de stikstofkringloop zijn in de afbeelding C 78 aangegeven met cijfers.

Dank zij welk of welke van deze processen vooral wordt het verlies van de genoemde stikstofhoudende verbindingen gecompenseerd?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Een tropisch regenwoud.
Zie figuur B 1411 van de bijlage.

De afbeelding geeft een deel van de energiestromen weer in een tropisch regenwoud. De pijlen geven gemiddelde energiestromen per jaar weer. Er is sprake van een evenwichtssituatie: elk van de energiestromen blijft jaar in jaar uit gelijk.
Over de energiestromen in de afbeelding worden de volgende beweringen gedaan:

1. B1 = B2 + B3
2. B2 = D3 + B3 + O3 + E3 + S3
3. O1 + O2 + O3 + O4 = D1 + D2 + D3 + D4

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Een tropisch regenwoud.

In een regenwoud worden bloemen aangetroffen die een roodbruine kleur hebben en een geur van rottend vlees verspreiden. Bepaalde insecten leggen hun eieren in rottend vlees. Een vrouwelijk insect dat net uit de pop is gekropen en direct daarna gepaard heeft, komt op de geur van zo'n bloem af en loopt erin rond. Zij is op zoek naar rottend vlees om daarin haar eieren te leggen. Zij komt daar uiteraard geen rottend vlees tegen. Wat ze bereikt, is dat ze onder het stuifmeel van de bloem komt te zitten. Uiteindelijk vliegt het insect weg, neemt de geur van een andere bloem van dezelfde soort waar en zoekt daar ook weer tevergeefs naar rottend vlees. Dit kan zich meerdere keren herhalen.

Wat is de prikkel voor het gedrag van het insect en wat is de motiverende factor die het gedrag veroorzaakt?

Ecologie

1/11 In sloot en plas.
Zie figuur C 186 van de bijlage.

Ondergedoken waterplanten die in sloten en plassen leven, zijn aangepast aan het milieu onder water. Dit is onder meer te zien aan de bouw van de bladeren van ondergedoken waterplanten. In de afbeelding zijn vier dwarsdoorsneden van bladeren van verschillende soorten planten gegeven. De planten zijn in willekeurige volgorde: een ondergedoken waterplant, een naaldboom, een grassoort en een uitheemse soort.

Welk van deze bladeren is het blad van een ondergedoken waterplant?
Noem twee kenmerken van de bouw van het blad waaraan je dat kunt zien.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/11 In sloot en plas.
Zie figuur B 2429 van de bijlage.

Waterplanten kunnen CO2 en/of HCO3 - als koolstofbron voor de fotosynthese gebruiken. Over deze koolstofbronnen gaat de volgende tekst:

Tekst:
Zie figuur B 2429 van de bijlage.

We zien dat koolzuur in drie vormen in het water kan voorkomen, nl. de moleculaire vorm CO2 en in ion-vorm als HCO3 - en als CO3 2- . De concentratieverhouding waarin deze vormen optreden wordt in sterke mate bepaald door de pH, zoals in de afbeelding is weergegeven.

Zie figuur A 459 van de bijlage.

De snelheid van de fotosynthese hangt samen met de pH. In de afbeelding A 459 is voor twee planten het verband weergegeven tussen fotosynthesesnelheid en pH. Vergelijk deze gegevens met afbeelding B 2429.

Leg uit welke van de planten 1 en 2 het meest aangepast is aan een milieu waarin alleen HCO3 - als koolstofbron aanwezig is.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

3/11 In sloot en plas.

Een voorbeeld van een waterplant die zowel CO2 als HCO3 - als koolstofbron gebruikt, is Pijlkruid (Sagittaria sagittifolia). Waterplanten die zowel CO2 als HCO3 - als koolstofbron kunnen gebruiken, hebben naarmate de CO2 -concentratie lager is, een gunstiger concurrentiepositie ten opzichte van waterplanten die alleen CO2 als koolstofbron kunnen gebruiken.
Onderzoekers hebben het voorkomen van Pijlkruid onderzocht in het slotencomplex nabij het Haarsteegse Wiel. Enkele gegevens over de samenstelling van het water van vier sloten, P Q, R en S, in dit complex zijn gegeven in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm

Ecologie

4/11 In sloot en plas.

In twee van deze sloten blijkt Pijlkruid niet voor te komen, in één sloot komt Pijlkruid voor met een bedekkingspercentage van 5% en in de andere met een bedekkingspercentage van 30%.
Het bedekkingspercentage is het percentage van het totale oppervlak dat door de betreffende soort in beslag wordt genomen, wanneer men de grootste omtrek van haar individuen op de grond projecteert.

Leg uit in welke van deze sloten Pijlkruid een bedekkingspercentage van 30% bereikt en in welke een bedekkingspercentage van 5%. Gebruik in je uitleg zowel de gegevens over de CO2 -concentratie als die over de HCO3 - -concentratie.

Ecologie

5/11 In sloot en plas.
Zie figuur A 460 van de bijlage.

De afbeelding is een kaartje van het onderzochte gebied. In het kaartje zijn de vier sloten genummerd van 1 tot en met 4.

- Sloot 1 staat onder invloed van voedselrijk, eutroof water uit de binnendijkse akker- en weidebouwgebieden.
- Sloot 2 krijgt water uit nauwelijks bemest weidegebied.
- Sloot 3 krijgt water uit sloot 1, water uit sloot 2 en voedselarm water uit het Haarsteegse Wiel.
- Sloot 4 krijgt voedselarm water uit het Haarsteegse Wiel.

Welke van de sloten P, Q, R en S uit de tabel hierboven is sloot 1?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

6/11 In sloot en plas.
Zie figuur A 461 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
De tekst hieronder en afbeelding zijn afkomstig uit een artikel over de relaties in een zoetwaterecosysteem.

Tekst:
De diverse onderdelen van de voedselkringloop houden elkaar in evenwicht in water dat een relatief lage belasting met voedingsstoffen ondervindt (zie de afbeelding). De hoeveelheid fytoplankton [= plantaardig plankton] is een resultante van productie, consumptie en mineralisatie. Consumptie kan zeer belangrijk zijn, want ook in voedselrijker water kan zoöplankton [= dierlijk plankton] de hoeveelheid algen reguleren. Het water is helder en licht dringt ver door, waardoor hogere planten en kranswieren op de bodem kunnen groeien. De waterplanten bieden een schuilplaats voor het zoöplankton, dat daardoor niet volledig wordt gegeten door witvis [= kleinere vissen zoals voorn].
Daarnaast bieden de waterplanten een schuilplaats voor de snoek. Snoeken eten vrijwel alle soorten vis.

In de afbeelding bij dit artikel (afbeelding A 461) geven de getrokken pijlen voedselrelaties aan en de onderbroken pijlen andere soorten relaties. Met N en P zijn respectievelijk stikstofverbindingen en verbindingen met fosfor (fosfaten) bedoeld.
Door eutrofiëring verandert het beschreven zoetwaterecosysteem. Vissen die zich beter kunnen handhaven in geëutrofieerd water, vervangen de oorspronkelijke soorten. Brasem en snoekbaars verdringen witvis en snoek.
Brasem is, beter dan de meeste andere soorten, in staat om kleine voedselorganismen te benutten. Snoekbaars, een consument van de tweede orde die de snoek verdringt, eet geen brasem maar wel witvis.

Zie volgende scherm

Ecologie

7/11 In sloot en plas.
Zie figuur C 187 van de bijlage.

Van de situatie die dan ontstaat, wil een leerlinge voor zichzelf een schema tekenen. Zij komt niet verder dan een opzet die in de bijlage is opgenomen. In haar schema ontbreken nog vijf gegevens, die in de bijlage naast het schema zijn geplaatst.

Maak het schema af door deze vijf ontbrekende gegevens op de juiste plaats te zetten.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

8/11 In sloot en plas.

De Loosdrechtse Plassen zijn een sterk geëutrofieerd zoetwaterecosysteem. Ter vermindering van de P-concentratie in de Loosdrechtse Plassen werden de volgende maatregelen overwogen:

- baggeren, dat is het wegscheppen van bodemmateriaal;
- biomanipulatie door het ingrijpen in de voedselketen;
- chemomanipulatie door bepaalde P-bindende stoffen aan het water toe te voegen;
- doorspoelen met P-arm water.

Bij biomanipulatie grijpt men in de predator-prooi-regulatie in. In de Loosdrechtse Plassen zijn grote hoeveelheden brasem weggevangen, terwijl tegelijkertijd jonge snoeken werden uitgezet.

Leg uit dat het wegvangen van brasem in combinatie met het uitzetten van jonge snoek een betere maatregel is ter verbetering van het evenwicht in het zoetwaterecosysteem dan alleen het wegvangen van brasem.

Ecologie

9/11 In sloot en plas.

In het geëutrofieerde zoetwaterecosysteem van de Loosdrechtse Plassen komen andere soorten fytoplankton en zoöplankton voor dan in voedselarme zoetwaterecosystemen. In het fytoplankton worden groenwieren verdrongen door blauwwieren, die niet of nauwelijks eetbaar zijn. In het zoöplankton neemt vooral het aantal watervlooien af en daarvoor in de plaats komen kleinere soorten zoöplankton. In de tabel hieronder zijn de gemiddelde concentraties gegeven van zoöplankton en seston (= fytoplankton, bacteriën, detritus, opgewerveld veen) in 1955 en 1986.

afbeeldingafbeelding

Twee leerlingen formuleren een bewering naar aanleiding van bovenstaande gegevens.

Leerling 1 zegt: 'De totale hoeveelheid zoöplankton stijgt, doordat het aandeel van het fytoplankton in het seston toeneemt'.
Leerling 2 zegt: 'De totale hoeveelheid zoöplankton stijgt naar verhouding minder dan de totale hoeveelheid seston, doordat het seston een lagere voedselkwaliteit krijgt'.

Welke van deze leerlingen heeft of welke hebben een juiste bewering gedaan?

Ecologie

10/11 In sloot en plas.
Zie figuur A 462 van de bijlage.

Vanaf 1984 is gedefosfateerd water uit het Amsterdam-Rijnkanaal in de Loosdrechtse Plassen gepompt. De afbeelding geeft de stroom van P (= fosfaat) weer gedurende de periode april-september door de verschillende compartimenten van de Loosdrechtse Plassen na 1984.
De getallen bij de pijlen stellen stromen P voor: in mg P.L-1 .dag-1 .
Vergelijk de stroom P van en naar het compartiment zoöplankton met die van en naar het compartiment vis.
Een toename van P in een compartiment houdt in dat de biomassa toeneemt.

In welk of in welke van deze twee compartimenten neemt de biomassa toe?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

11/11 In sloot en plas.

Uit metingen is gebleken dat door het inpompen van gedefosfateerd water het P-gehalte in de plassen minder afnam dan men had verwacht. Over de oorzaak daarvan worden de volgende beweringen gedaan:

1. in de Loosdrechtse Plassen is de kringloop van P niet gesloten, waardoor P in het ecosysteem blijft circuleren,
2. uit de verschillende componenten van de voedselketen wordt voortdurend P vrijgemaakt.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Ecologie

1/6 In en langs het water.
Zie figuur B 1594 van de bijlage.

In stilstaand en stromend zoet water kan Pijlkruid groeien. In de bodem vormt de pijlkruidplant een wortelrozet. Vanuit de wortelrozet kunnen drie verschillende typen bladeren groeien. In afbeelding 1 zijn deze typen bladeren getekend. Planten in stilstaand water kunnen ovale bladeren vormen die op het water drijven (1) en pijlvormige bladeren die boven het water uitsteken (2). Planten in diep en snelstromend water vormen lintvormige bladeren die zich geheel onder water bevinden (3).

Zie figuur B 1595 van de bijlage.

In de zogenaamde Mattenbies-Riet-Gemeenschap komt naast Pijlkruid onder andere ook Zwanebloem voor. In diagram 1 van de afbeelding is van Zwanebloem de tolerantiekromme voor opgeloste zouten getekend. De maximumconcentratie opgeloste zouten waarbij Pijlkruid nog kan leven, is ongeveer de helft van die van Zwanebloem. In diagram 2 van de afbeelding is deze tolerantiekromme van Zwanebloem als een gestippelde grafiek opgenomen en er zijn vier grafieken P, Q, R en S getekend.

Welke van de grafieken P, Q, R en S kan de tolerantie voor opgeloste zouten van Pijlkruid weergeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

2/6 In en langs het water.

Op Pijlkruid kan men een bepaalde soort snuittor aantreffen. De larven van deze insectensoort graven gangen in blad en stengel van Pijlkruid en eten cellen van de plant. De voedselrelatie tussen de larven van deze snuittor en Pijlkruid wordt beschouwd als parasitisme.

Waarom kan deze voedselrelatie worden beschouwd als parasitisme en niet als mutualisme?

Ecologie

3/6 In en langs het water.
Zie figuur B 1596 van de bijlage.

Aan de oever van plassen, sloten en vijvers kan men een zonering van de vegetatie aantreffen zoals deze is weergegeven in de afbeelding. Deze zonering is ontstaan doordat biotische en abiotische factoren van plaats tot plaats verschillen.

Noem drie abiotische factoren die deze zonering van de vegetatie hebben veroorzaakt. Geef aan hoe deze factoren van plaats tot plaats verschillen.

afbeeldingafbeelding