Oefentoets Biologie: Spijsvertering | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 17

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

2/3 Tandbederf.

In de mondholte komen veel soorten bacteriën voor.
Op de tanden leven andere bacteriën dan op de tong of op de slijmvliezen in de mond.
Uit onderzoek is het volgende gebleken:
- Al enkele dagen na de geboorte is bij een baby een bepaalde soort bacterie in de mond aan te tonen: S. salivarius (S. is de afkorting van Streptococcus).
- Na de komst van het eerste tandje worden er ook andere bacteriën aangetroffen zoals: S. mutans.
- Bij mensen met een eigen gebit of een volledig kunstgebit zijn beide soorten bacteriën aanwezig.
- S. mutans blijkt echter te verdwijnen als het kunstgebit niet meer gedragen wordt. Alleen S. salivarius blijft dan in de mond achter.

Uit de tekst is op te maken wat S. mutans nodig heeft om in de mond in leven te blijven en wat S. salivarius niet nodig heeft.

Wat heeft S. mutans nodig en S. salivarius niet?

Spijsvertering

3/3 Tandbederf.

Andere bacteriën die in tandplak aanwezig zijn, zijn de Veillonella-bacteriën. Deze bacteriën voeden zich met de zuren die de Streptococcus mutans-bacteriën maken.
Een onderzoeker doet proeven met ratten en mondbacteriën. Hij gebruikt twee groepen ratten:

Groep 1 met tandplak waarin S. mutans voorkomt;
Groep 2 met tandplak waarin S. mutans en Veillonella-bacteriën voorkomen.
De omstandigheden zijn gelijk.

Bij welke groep verwacht je het minste tandbederf? Leg je antwoord uit.

Spijsvertering

1/5 Tandverzorging.
Zie figuur B 2315 van de bijlage.

Tegenwoordig proberen veel mensen verlies van tanden te voorkomen. Twee oorzaken van tandverlies zijn: cariës (gaatjes) en gingivitis (ontsteking van het tandvlees). Cariës is de afbraak van hard tandmateriaal onder invloed van mondbacteriën. Deze bacteriën produceren stoffen die kalkzouten doen oplossen.
Zo wordt het tandoppervlak steeds meer doorlatend. Op een gegeven moment ontstaat er een gaatje (zie tekening 1 van de afbeelding).

Gingivitis is het gevolg van langdurige inwerking van mondbacteriën op de randen van het tandvlees. Door afweerreacties van het lichaam sterven kleine gedeelten van die randen. Daardoor komt het tandvlees langzaam maar zeker los van de tandhals (tekening 2 en 3 van de afbeelding). Tegelijkertijd wordt het ondersteunende weefsel van de kaak aangetast. Zo komt het gebit steeds minder goed vast te zitten.
Bacteriën in de mond dragen bij aan het ontstaan van cariës. Zij produceren stoffen die kalkzouten doen oplossen. Zonder deze stoffen van de bacteriën lossen de kalkzouten in de mond niet op.

Welke stoffen zijn het vooral die de kalkzouten doen oplossen?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/5 Tandverzorging.

Wat is de naam van deel P in de afbeelding?

Deze heet de/het [invulveld].

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

3/5 Tandverzorging.

Komen in een tand rode bloedcellen voor?
En uitlopers van zenuwcellen?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

4/5 Tandverzorging.

Bij mensen met gingivitis bevinden zich in de omgeving van het aangetaste tandvlees meer witte bloedcellen dan bij gezond tandvlees.

Geef hiervoor een verklaring.

Spijsvertering

5/5 Tandverzorging.

In de afbeelding zijn twee delen met P en Q aangeduid.

Bevat deel P levende cellen?
En deel Q?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

1/4 Tanderosie.
Zie figuur B 3383 van de bijlage.

Naast cariës, dat door bacteriën wordt veroorzaakt, bestaat tanderosie. We spreken van tanderosie als het glazuurlaagje van tanden en kiezen oplost door zuren uit bijvoorbeeld vruchten en frisdranken. In ernstige gevallen kan zelfs het tandbeen aangetast worden.

In de afbeelding is een doorsnede door een tand weergegeven.

Welke letter geeft het glazuur aan? Glazuur met letter [invulveld].

En welke letter geeft het tandbeen aan? Tandbeen met letter [invulveld].

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/4 Tanderosie.

Speeksel gaat tanderosie tegen, doordat het stoffen bevat die een beschermend laagje vormen op het gebit. Dit beschermlaagje verdwijnt gedeeltelijk door tandenpoetsen. Naast deze stoffen bevat speeksel nog andere stoffen.

Bevat speeksel enzymen?
En bevat speeksel bacteriedodende stoffen?

Spijsvertering

3/4 Tanderosie.
Tanderosie wordt vooral veroorzaakt door zuren in dranken. In de tabel staat een aantal dranken met hun zuurgraad. Hoe lager de zuurgraad, des te meer zuur een drank bevat. Dranken met een zuurgraad lager dan 4 kunnen tanderosie veroorzaken.
afbeeldingafbeelding

Naar aanleiding van de bovenstaande informatie worden twee uitspraken gedaan.

I. Tanderosie kun je tegengaan door goed je tanden te poetsen.
II. Door het drinken van veel cola heb je meer kans op tanderosie dan door het drinken van evenveel karnemelk.

Spijsvertering

4/4 Tanderosie.

Tanderosie komt ook voor bij mensen die vaak last hebben van oprispingen uit de maag of bij mensen die vaak overgeven.

Leg uit waardoor er kans op tanderosie is door oprispingen en overgeven van de maaginhoud.

Spijsvertering

1/2 Maagzweer.

Een maagzweer wordt soms veroorzaakt door een bepaald soort bacteriën.
In tegenstelling tot "gewone" bacteriën sterft deze soort niet in de maag.

Waardoor sterven de meeste bacteriën wel in de maag?

Spijsvertering

2/2 Maagzweer.

Een wetenschapper wil onderzoeken of een nieuw medicijn helpt tegen de bacteriën die een maagzweer veroorzaken.
Hij kweekt de bacteriën op een voedingsbodem met het medicijn bij 37°C.
Op een andere voedingsbodem zonder medicijn kweekt hij bacteriën bij 4°C.

Welke fout maakt deze onderzoeker?

Spijsvertering

1/6 Verstopping.
Zie figuur B 4474 van de bijlage.

Bij iemand met verstopping is de ontlasting te hard. De harde ontlasting hoopt zich op bij de kringspier aan het eind van het verteringskanaal en kan alleen met veel moeite naar buiten worden geperst.
In de afbeelding is het laatste deel van het verteringskanaal weergegeven.

Letter P geeft het deel aan waarin de harde ontlasting zich ophoopt bij verstopping.

Geef de naam van P.

Dit is de [invulveld].

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/6 Verstopping.

Geef de naam van de kringspier die aangegeven wordt in de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

3/6 Verstopping.

Verstopping ontstaat als de bewegingen van de dikke darm te langzaam zijn.
De voedselbrij blijft dan te lang in de darm en er wordt te veel water opgenomen.

Hoe heten de bewegingen die de dikke darm maakt?

Spijsvertering

4/6 Verstopping.

Ontlasting bestaat onder andere uit water, bacteriën en voedselresten die zijn overgebleven nadat de verteerde voedingsstoffen zijn opgenomen in het bloed.

In welk deel van het verteringskanaal worden vooral veel verteerde voedingsstoffen opgenomen in het bloed?

Spijsvertering

5/6 Verstopping.
Zie figuur B 4475 van de bijlage.

Soms wordt bij iemand met verstopping een beetje ontlasting onderzocht.
In de afbeelding zijn cellen weergegeven die bij zo'n onderzoek te zien zijn door een microscoop.

Kunnen deze cellen darmbacteriën zijn? Leg uit waaraan je dat kunt zien in de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

6/6 Verstopping.
Zie figuur A 966 van de bijlage.

Om verstopping tegen te gaan wordt onder andere aangeraden veel te drinken en gevarieerde, vezelrijke voeding te eten.
Met behulp van de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum kan een gevarieerd menu worden samengesteld.
Hierbij worden voedingsmiddelen ingedeeld in vijf groepen (zie de afbeelding).
In de afbeelding zijn de verschillende groepen voedingsmiddelen aangegeven met cijfers.

Welke twee cijfers geven groepen voedingsmiddelen aan die vezelrijke producten bevatten?

De nummers [invulveld] en [invulveld].

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

1/2 Glucosegehalte.
Zie figuur A 793 van de bijlage.

In de afbeelding geven de letters P, Q, R en S schematisch een aantal mogelijke gebeurtenissen in het lichaam weer.
Deze gebeurtenissen hebben invloed op de hoeveelheid glucose in het bloed.
Pijlen geven aan dat glucose in het bloed wordt opgenomen of uit het bloed wordt afgegeven.

Schrijf de letters P, Q, R en S uit de afbeelding op de juiste plaats achter elke gebeurtenis hieronder. Gebruik elke letter één keer.

1. Na vertering van voedsel wordt glucose in het bloed opgenomen, letter [invulveld].

2. Glycogeen wordt omgezet in glucose en aan het bloed afgegeven, letter [invulveld].

3. Glucose wordt door cellen opgenomen en gebruikt voor de verbranding, letter [invulveld].

4. Bij mensen met diabetes wordt glucose met de urine uitgescheiden, letter [invulveld].




-

afbeeldingafbeelding