Oefentoets Biologie: Huid | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Huid

1/5 De huid.
Zie figuur A 422 en figuur B 2287 van de bijlage.

In de afbeelding A 422 is schematisch een doorsnede van een deel van de huid met onderhuids bindweefsel weergegeven.

In de afbeelding B 2287 zijn schematisch enkele typen dekweefsel weergegeven.

Welk van de typen dekweefsel uit afbeelding B 2287 is in de opperhuid aanwezig?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Huid

2/5 De huid.
Zie figuur A 422 van de bijlage.

In de afbeelding zijn drie lagen aangegeven: opperhuid, lederhuid en onderhuids bindweefsel.

In welke van deze lagen wordt de lichaamstemperatuur geregeld bij dagelijkse wisselingen in de omgevingstemperatuur?

afbeeldingafbeelding

Huid

3/5 De huid.
Zie figuur B 2288 en figuur A 422 van de bijlage.

In de afbeelding A 422 is een 'shunt' bloedvat aangegeven, dat in de afbeelding B 2288 vergroot is weergegeven. In de wand van zo'n verbinding bevinden zich op verschillende plaatsen kringspiertjes.

Bij welke verandering in het interne milieu zal het kringspiertje op plaats 1 zich samentrekken?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Huid

4/5 De huid.
Zie figuur B 2289 van de bijlage.

In de huid bevinden zich twee typen klieren: eccriene en apocriene klieren. De eccriene klieren eindigen in het huidoppervlak, de apocriene klieren monden uit in de haarfollikels (zie de afbeelding B 2289). De apocriene klieren bevinden zich in de oksels en rond de anus.
Het product van de eccriene klieren heeft een functie bij het handhaven van de lichaamstemperatuur.

Waardoor is het product van de eccriene klieren van belang voor het handhaven van de lichaamstemperatuur?

afbeeldingafbeelding

Huid

5/5 De huid.

De apocriene klieren vervullen vooral een functie bij de verspreiding van de lichaamsgeur. Ze worden geactiveerd door zenuwen van het orthosympatische deel van het zenuwstelsel en hebben adrenaline als neurotransmitter.

Vier situaties:

1. een vrouw rent haar geliefde tegemoet,
2. een man ziet een vrouw met wie hij ruzie heeft,
3. een man ziet één van zijn kinderen vallen,
4. een vrouw ziet een op hol geslagen paard op zich afkomen.

Geef van elk van deze situaties aan of de afgifte van de apocriene klieren toeneemt.
En als deze toeneemt, noem de prikkel die de toename veroorzaakt.

Huid

1/2 De huid.

In onderstaande tabel is een aantal gegevens over het dagelijks verlies van water uit het lichaam van de mens weergegeven.
afbeeldingafbeelding

Het 'ongemerkt waterverlies via de huid' is waterverlies dat niet zonder meer wordt waargenomen. Hierbij verplaatst het water zich door de hoornlaag heen. Water verplaatst zich door diffusie, door osmose en door actief transport.

Waardoor verplaatst het water zich door de hoornlaag bij het ongemerkt waterverlies?

Huid

2/2 De huid.
Zie figuur E 37 van de bijlage.

In de afbeelding is een model gegeven van de osmoregulatie.

Leg uit waardoor iemand in rust bij een buitentemperatuur van 30°C minder waterverlies met de urine heeft dan bij een buitentemperatuur van 20°C. Betrek in je uitleg de osmoregulatie met behulp van het antidiuretisch hormoon (ADH).

afbeeldingafbeelding

Huid

1/5 Transpiratie.

Bij zware inspanningen die langer dan een uur duren, zoals een marathonloop, liggen problemen met de waterbalans op de loer. Iemand die een paar uur hardloopt, verliest al gauw een paar liter vocht. De samenstelling van het zweet is bepaald in een onderzoek waarbij niet getrainde personen ongeveer een uur lang een matige inspanning leverden op een hometrainer. De concentraties van bepaalde stoffen in zweet vertoonden een grote spreiding tussen de proefpersonen. In onderstaande tabel zijn de gemiddelde waarden weergegeven van een aantal stoffen in bloedplasma, in weefselvocht en in zweet.
afbeeldingafbeelding

De totale osmotische waarde geldt voor alle opgeloste stoffen samen, dus niet alleen voor de in de tabel genoemde. Het NaCl-gehalte van zweet is veel lager dan dat van weefselvocht en dat van bloedplasma. Toch kan zweet op de huid van de bovenlip veel zouter smaken dan weefselvocht of bloed.

Geef hiervoor een verklaring.

Huid

2/5 Transpiratie.
Zie figuur B 4394 van de bijlage.

In de afbeelding is een zweetklier schematisch weergegeven. In het gekronkelde deel wordt door de epitheelcellen het primaire secreet in de afvoerbuis afgescheiden. De samenstelling hiervan komt overeen met die van weefselvloeistof. Tijdens het transport door de afvoerbuis op weg naar de huid vindt terugresorptie plaats van opgeloste stoffen, gevolgd door osmose.
Uit de gegevens in de tabel hieronder blijkt dat de resorptie van de vijf ionen, Na+ , K+ , Cl- , Ca2+ en Mg2+ , gemiddeld niet in dezelfde mate plaatsvindt.
afbeeldingafbeelding

Welk ion wordt gemiddeld naar verhouding het sterkst geresorbeerd?

afbeeldingafbeelding

Huid

3/5 Transpiratie.

Waardoor treedt tijdens de passage van het primaire secreet in de afvoerbuis osmose op?

Huid

4/5 Transpiratie.

Bij de meeste mensen treedt tijdens een langdurig verblijf in een warm klimaat acclimatisatie op. Dat houdt onder andere in dat de zweetproductie toeneemt; er wordt na verloop van tijd meer gezweet dan bij aankomst, maar het NaCl-gehalte van het zweet neemt af.

Leg uit dat een toegenomen zweetproductie een gunstige aanpassing is.

Huid

5/5 Transpiratie.

Leg uit waarom vermindering van het verlies van Na+ in het zweet een gunstige aanpassing is.

Huid

1/2 Warmteregulatie.
Zie figuur B 2376 en figuur B 2377 van de bijlage.

Een mens geeft warmte aan de omgeving af. Deze afgifte kan plaatsvinden door straling en geleiding en ook door verdamping van zweet. Er is een samenhang tussen de totale warmte-afgifte en de omgevingstemperatuur. In het diagram is de warmte-afgifte van een proefpersoon in rust uitgezet bij omgevingstemperaturen tussen 21°C en 35°C. In alle gevallen heeft zich een evenwicht ingesteld tussen zijn warmte-afgifte en warmteproductie.
De temperatuur in de romp van de proefpersoon (kerntemperatuur) blijft constant op 37°C. De warmte-afgifte van de proefpersoon hangt samen met zijn warmteproductie.

In de afbeelding B 2377 is drie maal het diagram van afbeelding B 2376 weergegeven, waarbij steeds met een onderbroken lijn een mogelijk verloop van de warmteproductie van de proefpersoon is getekend.

In welk van deze diagrammen kan het verloop van zijn warmteproductie in rust juist zijn weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Huid

2/2 Warmteregulatie.

De warmte-afgifte in rust is onder andere afhankelijk van de doorbloeding van de huid.

Zijn bij een omgevingstemperatuur van 32°C de bloedvaten in de huid nauwer, even wijd of wijder dan bij een omgevingstemperatuur van 28°C?

Huid

Huidafwijkingen.

Ultraviolette straling kan bij mensen op den duur huidafwijkingen veroorzaken.
De kans op het krijgen van dit soort afwijkingen wordt geschat bij blanke en bij zwarte landarbeiders in het noorden en in het zuiden van de Verenigde Staten van Amerika.

Welke groep mensen zal volgens deze schatting het grootste risico lopen deze huidafwijkingen te krijgen.

Huid

Donkere of lichte huid.

Een mens kan onder andere een donkere of een blanke huid hebben.
Over het verschil in eigenschappen van deze twee huidtypen onder gelijke omstandigheden worden drie uitspraken gedaan:

1. In een donkere huid ontstaat meer vitamine D dan in een blanke huid.
2. Een donkere huid absorbeert minder zichtbaar licht dan een blanke huid.
3. Een donkere huid laat minder ultraviolette straling door dan een blanke huid.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

Huid

Pigment in de huid.

Over processen in en onder de huid van de mens worden vier beweringen gedaan:

1. zonlicht dat op de huid valt, stimuleert de vorming van vitamine D en van pigment in de huid;
2. door de aanwezigheid van veel pigment in de huid wordt de vorming van vitamine D belemmerd;
3. huidpigment wordt geproduceerd in cellen van het onderhuids bindweefsel;
4. huidpigment beschermt het lichaam tegen de mutagene werking (= het veroorzaken van mutaties) van zonlicht.

Welke van deze beweringen zijn juist?

Huid

Vitamine D.

Bij de mens kan vitamine D onder invloed van ultraviolette straling worden gevormd in de leerhuid.

Huidskleur en klimatologische omstandigheden in aanmerking genomen, is de kans op onvoldoende vorming van vitamine D relatief groot bij de mensen met

Huid

Huid en warmte.

Bij een buitentemperatuur van 30°C ondervindt men meer last van de warmte wanneer de lucht vochtig is, dan wanneer de lucht droog is.

De verklaring hiervoor is dat in vochtige lucht

Huid

Sauna.

Als de luchtvochtigheid in een sauna hoger wordt, stijgt de huidtemperatuur van een persoon in de sauna.

Waardoor wordt de stijging van de huidtemperatuur veroorzaakt?