Oefentoets Biologie: Bloed - transport | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 9 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

9

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Bloed

Opnamecapaciteit van zuurstof.

De opnamecapaciteit voor zuurstof van bloed van een vlieg wordt vergeleken met die van bloed van een mens. Onder gelijke omstandigheden kan het bloed van de mens 50 keer zoveel zuurstof per mL bevatten als bloed van een vlieg.

Welke van de onderstaande verschillen tussen vlieg en mens verklaart dat verschil in opnamecapaciteit voor zuurstof?

Bloed

Ademhaling op 3500 meter.

Iemand uit Nederland gaat skiën op een hoogte van 3500 meter. In zijn lichaam treden onder andere de volgende veranderingen op:

1. de ademfrequentie neemt toe,
2. het aantal rode bloedlichaampjes neemt toe,
3. de hartslagfrequentie neemt toe,
4. het stikstofgehalte van zijn bloed neemt af.

Welke veranderingen zorgen ervoor dat er voldoende zuurstof door het bloed wordt aangevoerd naar de diverse lichaamsdelen?

Bloed

Zuurstofspanning in een drachtig zoogdier.

In verschillende bloedvaten (1 t/m 6) bij een drachtig zoogdier wordt de gemiddelde zuurstofspanning bepaald.
In onderstaande tabel is het resultaat van de bepalingen weergegeven.

afbeeldingafbeelding

Welke van de onderstaande mogelijkheden geeft de juiste aanduiding van de gemiddelde zuurstofspanning in de aorta van dit volwassen dier, in de ader van de navelstreng en in de slagader van de navelstreng?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Zuurstofgehalte op verschillende plaatsen.

Bij de mens komen bloed, lymfe en weefselvloeistof voor. In bloed kan zuurstof opgelost zijn in het bloedplasma en gebonden zijn aan hemoglobine.
Bij een proefpersoon in rust wordt het zuurstofgehalte bepaald van:

1. het bloed in een ader in de rechterarm,
2. het bloedplasma in een ader in de rechterarm,
3. de lymfe in de rechterarm,
4. de weefselvloeistof in de rechterarm.

Waar zal het zuurstofgehalte het hoogst zijn?

Bloed

Opnamecapaciteit van het bloed bij verschillende diersoorten.

Wij vergelijken de opnamecapaciteit van bloed voor zuurstof bij de sprinkhaan, de regenworm (aardworm) en de mens. Onder dezelfde omstandigheden kan per liter bloed bij de sprinkhaan 5 mL zuurstof voorkomen, bij de regenworm 65 mL en bij de mens 250 mL.

De oorzaak van deze verschillen in opnamecapaciteit is gelegen in het feit dat

Bloed

1/3 Variatie bij hardlopers.

De VO2 -max wordt gedefinieerd als het maximale vermogen zuurstof vanuit de longen op te nemen in het bloed, te transporteren en te gebruiken in de spieren. Bij ongetrainde mannen heeft de VO2 -max veelal een waarde van 45 tot 55 ml per kg lichaamsgewicht per minuut (ml/kg/min). Door training kan de VO2 -max 5 tot 20% toenemen. Bij toplopers vindt men een waarde van zelfs 80 ml/kg/min.

Leg door middel van een berekening en met behulp van bovenstaande gegevens uit dat niet iedereen door alleen maar hard te trainen een toploper kan worden.

Bloed

2/3 Variatie bij hardlopers.

Er kunnen drie deelsystemen worden onderscheiden: ademhalingsstelsel, hart/bloedsomloop en spieren. Om vast te stellen welk van deze deelsystemen de VO2 -max beperkt, werden gegevens verzameld van patiënten met een ernstige vorm van hartfalen. Zij hadden een heel lage VO2 -max.
Na succesvolle harttransplantaties bleek de VO2 -max niet of nauwelijks toegenomen.

Is hart/bloedsomloop bij deze patiënten de beperkende factor voor de VO2 -max. Leg in je antwoord uit wat hier bedoeld wordt met beperkende factor.

Bloed

3/3 Variatie bij hardlopers.
Zie figuur B 2973 van de bijlage.

Hardlopers worden vaak onderworpen aan de Conconi-test. Hierbij wordt de loopsnelheid steeds verder opgevoerd en wordt gelijktijdig de hartslagfrequentie bepaald met behulp van een hartslagmeter. In de afbeelding is het verband tussen loopsnelheid en hartslagfrequentie van een hardloper weergegeven. Bij punt P buigt de grafiek af. Dit noemen we het H(art)- F(requentie)-omslagpunt.

Welke van de volgende beweringen over de loopsnelheid van deze hardloper bij of boven het omslagpunt is juist?

afbeeldingafbeelding