Zenuwstelsel
2/4 Ruggenmerg.
Zie figuur A 301 van de bijlage.
Iemand brandt zijn rechterhand. Hij trekt deze hand terug en voelt daarna de pijn. Hij is erg geschrokken.
Verlopen in deze situatie impulsen langs plaats Q?
En langs plaats R?
afbeelding
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
2/4 Ruggenmerg.
Zie figuur A 301 van de bijlage.
Iemand brandt zijn rechterhand. Hij trekt deze hand terug en voelt daarna de pijn. Hij is erg geschrokken.
Verlopen in deze situatie impulsen langs plaats Q?
En langs plaats R?
afbeelding
3/4 Ruggenmerg.
Zie figuur A 301 van de bijlage.
Zal in de situatie dat deze persoon zijn rechterhand brandt als gevolg daarvan het aantal impulsen dat door de grensstreng naar het hart gaat, afnemen, gelijk blijven of toenemen?
afbeelding
4/4 Ruggenmerg.
Zie figuur A 301 van de bijlage.
Is deel X in de afbeelding opgebouwd uit beenweefsel, uit kraakbeenweefsel of uit zenuwweefsel?
afbeelding
1/3 Een deel van de rug van een mens.
Zie figuur B 1459 van de bijlage.
In de afbeelding is een dwarsdoorsnede te zien van onder andere het ruggenmerg, de wervelkolom en spieren bij een mens. Vier delen zijn met letters aangegeven.
Liggen cellichamen van sensorische zenuwcellen bij P, bij Q of bij R?
afbeelding
2/3 Een deel van de rug van een mens.
Zie figuur B 1459 van de bijlage.
Iemand valt en voelt pijn.
Verlopen dan impulsen in de grijze stof of in de witte stof van het ruggenmerg of in beide gedeelten?
afbeelding
3/3 Een deel van de rug van een mens.
Zie figuur B 1459 van de bijlage.
Door de val wordt weefsel, dat in de figuur met S is aangegeven, beschadigd.
Drie functies die weefsels kunnen hebben, zijn:
1. het geven van stevigheid,
2. het voortgeleiden van impulsen,
3. het produceren van bloedcellen.
Welke van deze functies heeft weefsel S?
afbeelding
1/2 De darm.
Bij een mens is de uitloper van een bepaalde zenuwcel verbonden met de wand van de dunne darm. Door impulsen die langs deze uitloper worden voortgeleid, wordt een bepaalde klier in de darmwand aangezet tot afgifte van spijsverteringssap.
Behoort deze zenuwcel tot het animale zenuwstelsel, tot het orthosympathische deel van het autonome zenuwstelsel of tot het parasympatische deel van het autonome zenuwstelsel?
2/2 De darm.
Bij een mens is de uitloper van een bepaalde zenuwcel verbonden met de wand van de dunne darm. Door impulsen die langs deze uitloper worden voortgeleid, wordt een bepaalde klier in de darmwand aangezet tot afgifte van spijsverteringssap.
Kan dit spijsverteringssap enzymen bevatten die gedeeltelijk afgebroken eiwitten verder afbreken?
En enzymen die koolhydraten afbreken?
1/3 Zenuwcellen en zintuigcellen.
Bij bepaalde reflexbogen bij de mens verloopt de impulsgeleiding via het ruggenmerg.
Over de ligging van cellichamen van motorische en sensorische zenuwcellen van die reflexbogen worden drie beweringen gedaan:
1. Cellichamen van motorische zenuwcellen liggen in de grijze stof van het ruggenmerg, cellichamen van sensorische zenuwcellen liggen niet in de grijze stof van het ruggenmerg.
2. Cellichamen van motorische zenuwcellen liggen in de grijze stof van het ruggenmerg, cellichamen van sensorische zenuwcellen liggen zowel in de grijze stof van het ruggenmerg als daarbuiten.
3. Cellichamen van motorische zenuwcellen liggen zowel in de grijze stof van het ruggenmerg als daarbuiten, net als de cellichamen van sensorische zenuwcellen.
Welke bewering is juist?
2/3 Zenuwcellen en zintuigcellen.
Een zintuigcel van een mens wordt geprikkeld. Als de drempelwaarde van deze cel wordt overschreden, ontstaan impulsen in een zenuwcel. Twee beweringen over de frequentie van deze impulsen zijn:
1. de impulsfrequentie is afhankelijk van de prikkelsterkte,
2. de impulsfrequentie is afhankelijk van de lengte van de uitloper van de zenuwcel.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
3/3 Zenuwcellen en zintuigcellen.
Zowel geluidsprikkels als lichtprikkels kunnen bij de mens impulsen veroorzaken. Hoewel deze impulsen gelijk zijn, wordt toch een geluidsprikkel van een lichtprikkel onderscheiden.
Wat is daarvoor de verklaring?
1/4 Hersencentra.
Zie figuur A 1042 van de bijlage.
De Canadese neurochirurg Penfield ontwikkelde in de jaren veertig en vijftig van de twintigste eeuw een kaart van de sensorische centra in de menselijke hersenschors. Deze kaart wordt vaak weergegeven als een homunculus: een op de hersenschors geprojecteerd figuurtje van de mens (zie de afbeelding).
Verklaar waarom gezicht en handen in dit figuurtje zo'n groot oppervlak op de hersenschors innemen.
afbeelding
2/4 Hersencentra.
Als iemand niet bestaande beelden ziet spreekt men van hallucineren.
Waar zul je met een hersenscan grote elektrische activiteit vinden bij hallucineren?
3/4 Hersencentra.
Zie figuur B 4688 van de bijlage.
Een Groningse arts deed onderzoek naar incontinentie. Hij ontdekte dat er in de hersenen drie centra bij het plassen zijn betrokken. Als bij een gezond persoon de blaas vol is, gaan er via het ruggenmerg impulsen naar de hersenen. In het Emotioneel Motorisch Centrum (EMC) wordt bepaald of het veilig is om te plassen. Is dat het geval, dan gaan er impulsen naar het Plascentrum (PC). Via het ruggenmerg wordt nu het plassen in gang gezet: de sluitspier van de blaas wordt ontspannen en de blaaswandspier aangespannen. Is de situatie onveilig, dan gaan er impulsen naar het Continentiecentrum (CC): de plas moet worden opgehouden. Als dat laatste centrum niet goed werkt, kan de plas niet worden opgehouden: er is sprake van incontinentie.
In de afbeelding is een model geschetst van de drie centra, EMC, PC en CC, de sluitspier, de blaaswandspier en de zintuigen in de blaas.
De genummerde pijlen geven effecten aan: een + betekent een stimulerend effect, een - een remmend effect.
Iemand plast op een ‘veilige' plek.
Geef in de goede volgorde aan:
- de nummers van de banen die dan impulsen doorgegeven van de zintuigen naar de sluitspier, en
- de nummers van de banen die impulsen doorgegeven van de zintuigen naar de blaaswandspier.
afbeelding
4/4 Hersencentra.
De arts deed vervolgens onderzoek bij zoogdieren en ontdekte bij bepaalde soorten ook een systeem van gecontroleerde urinelozing.
Leg uit dat het functioneel is voor bepaalde diersoorten om een dergelijk systeem te hebben.
1/2 Hersenproblemen.
Zie de figuren A 1220 en A 1221 van de bijlage.
Vul het ontbrekende woord in onderstaande zinnen in.
Bij een ouder persoon wordt de ziekte van Alzheimer geconstateerd.
Bekijk afbeelding A 1220.
De onderste tekening geeft een beeld van deze patiënt aan, er is veel minder activiteit van [invulveld].
Bekijk nu afbeelding A 1221.
De arts bekijkt opnamen die met de [invulveld] techniek zijn gemaakt.
afbeelding
afbeelding
2/2 Hersenproblemen.
Zie figuur A 1222 van de bijlage.
In de afbeelding hiernaast zie je een beeld van de hersenen bij iemand met de ziekte van Parkinson. Er is een probleem met de overdracht van stoffen bij de ruimte tussen twee zenuwcellen, dat zie je rechts.
Die ruimte heet de [invulveld].
De pijlen stellen [invulveld] voor.
afbeelding
Een zintuigcel.
Het aantal impulsen dat een zintuigcel afgeeft aan een sensibel neuron is afhankelijk van