Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - Plantenanatomie | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 7 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

7

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Bladluizen.

Bladluizen leven dikwijls op bladeren waar zij hun voedsel vinden.

Zij zitten bij voorkeur

Plantenfysiologie

Schimmels en planten.

Sommige hogere planten leven samen met lagere planten, zoals bij voorbeeld een schimmel. De schimmeldraden leven op en soms tussen de wortelcellen van de hogere planten in. De schimmeldraden hebben een functie van cellen in de wortel overgenomen. Dit blijkt uit het feit dat radioactieve stoffen, die in de grond worden gebracht, alleen in de wortel worden teruggevonden als de schimmeldraden aanwezig zijn.

Welke functie hebben de schimmeldraden waarschijnlijk overgenomen?

Plantenfysiologie

Autotrofe planten.

Er zijn autotrofe planten die insecten vangen en verteren en er zijn autotrofe planten die samenleven met bacteriën die vrije stikstof kunnen binden.

Deze planten groeien in het algemeen op een bodem die

Plantenanatomie en -fysiologie

1/4 Mieren en acacia's.
Zie figuur B 3823 van de bijlage.

In Midden-Amerika komen mieren voor die leven op en van acaciastruiken, zoals Acacia collinsii. Mieren van de soort Pseudomyrmex ferrugineus zijn zéér agressief en vallen alle organismen aan die het hebben voorzien op ‘hun' acaciastruik. Deze mieren nestelen in holten in dorens en halen al hun voedsel uit deze ene struik: ze gebruiken stoffen uit de nectarklieren die zich op de bladstelen bevinden en uit de voedselrijke bolletjes die aan de toppen van de jonge bladeren zitten (zie afbeelding).

Hoe wordt de symbiose tussen mieren van de soort Pseudomyrmex ferrugineus en de struik Acacia collinsii genoemd?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/4 Mieren en acacia's.
Zie figuur C 350 van de bijlage.

Het gehalte aan bepaalde voedingsstoffen in voedselbolletjes van twee acaciasoorten, A. hindsii en A. collinsii, is onderzocht. Ook werd het gehalte van deze voedingsstoffen in de bladeren van deze acaciastruiken bepaald.
De resultaten zijn weergegeven in diagrammen van de bijlage.

Er is een verschil tussen het gehalte aan voedingsstoffen in de voedselbolletjes en het gehalte van deze voedingsstoffen in de bladeren van A. hindsii.

Leg uit dat dit verschil eventuele vraatschade door insecten kan voorkomen.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/4 Mieren en acacia's.
Zie figuur C 350 van de bijlage.

Uit de twee diagrammen kan niet de conclusie worden getrokken dat A. hindsii meer energie investeert in zijn relatie met de Pseudomyrmex mieren dan A. collinsii.

Geef hiervoor twee argumenten.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

4/4 Mieren en acacia's.

De acacia A. mayana, die over nectarklieren en over voedselbolletjes beschikt, wordt niet alleen bewoond door P. ferrugineus, maar ook door een andere mierensoort Camponotus planatus. De relatie van C. planatus met A. mayana is anders dan die van P. ferrugineus met deze acacia.

Hieronder worden enkele waarnemingen genoemd, met betrekking tot de twee mierensoorten die leven op dezelfde A. mayana struik.

1. P. ferrugineus verwijdert larven van andere plantenetende insectensoorten, behalve die van C. planatus.
2. C. planatus verdringt overdag P. ferrugineus bij de nectarklieren, 's nachts trekt C. planatus zich terug.
3. P. ferrugineus gebruikt ter verdediging vooral zijn steekapparaat, C. planatus zet tegen verdediging vooral chemische stoffen in.

Welke van deze waarnemingen ondersteunen de bewering dat C. planatus profiteert van de relatie tussen de acacia en P. ferrugineus?