Deze oefentoets bevat 14 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
3. Na een infectie zetten afweercellen en antistoffen de aanval tegen de binnendringers in. Het duurt enige tijd voordat zo'n afweerreactie van het lichaam goed op gang komt. Gedurende deze periode vermenigvuldigen de ziekmakende organismen zich wel, maar er zijn er dan nog te weinig om je ziek te maken. De tijd tussen de besmetting en de eerste ziekteverschijnselen wordt de incubatietijd genoemd.
Tijdens de incubatietijd van een infectieziekte (laatste regel van alinea 3) zijn er geen ziekteverschijnselen. Veel infectieziekten zijn besmettelijk.
Kan tijdens de incubatietijd van zo'n besmettelijke ziekte de ziekte overgedragen worden op andere personen? Leg je antwoord uit.
Ziekten
4/4 Infectieziekten.
4. Na genezing is er meestal een periode waarin je de ziekte niet opnieuw kunt krijgen. Dit wordt natuurlijke immuniteit genoemd. Door vaccinatie kan voor verschillende ziektes een kunstmatige immuniteit worden opgebouwd.
Is de kunstmatige immuniteit die in alinea 4 wordt genoemd een actieve of een passieve immuniteit? Leg je antwoord uit.
Ziekten
1/2 Polio. Zie figuur B 3313 van de bijlage.
Polio of kinderverlamming is een besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door een virus. Het virus kan door hoesten overgebracht worden. Na een infectie vermenigvuldigt het virus zich in de slijmvliezen van de keel en van het verteringskanaal. Met het bloed en via zenuwbanen kan het virus terechtkomen in de hersenstam en in bewegingszenuwcellen in het ruggenmerg.
De afbeelding B 3313 geeft onder andere een deel van het zenuwstelsel weer.
Welke letter geeft de hersenstam aan?
afbeelding
Ziekten
2/2 Polio. Zie figuur B 3314 van de bijlage.
De afbeelding geeft een dwarsdoorsnede van het ruggenmerg weer waarin schematisch drie zenuwcellen zijn getekend. De pijlen geven aan in welke richting impulsen geleid worden.
Welke letter geeft een bewegingszenuwcel aan?
afbeelding
Ziektes
1/3 Malaria. Zie figuur B 4561 van de bijlage.
Malaria is een ziekte die wordt overgedragen door bepaalde muggen. In de speekselklieren van deze muggen leven malariaparasieten. Als zo'n mug een mens steekt, kunnen deze parasieten in het bloed terechtkomen. Hier dringen ze dan rode bloedcellen binnen. Deze rode bloedcellen gaan dan stuk.
Wat is het directe gevolg als rode bloedcellen stuk gaan?
afbeelding
Ziektes
2/3 Malaria. Zie figuur B 4562 van de bijlage.
In de afbeelding zijn van gezond bloed drie verschillende soorten bloeddeeltjes weergegeven.
Welk bloeddeeltje stelt een rode bloedcel voor?
afbeelding
Ziektes
3/3 Malaria.
Bij iemand met malaria wordt het tekort aan rode bloedcellen weer aangevuld doordat het lichaam nieuwe rode bloedcellen aanmaakt.
Waar vindt de vorming van nieuwe rode bloedcellen plaats?
Ziekten
Papegaaienziekte.
Na een besmetting met de bacteriën duurt het ongeveer tien dagen voordat de eerste ziekteverschijnselen van papegaaienziekte optreden.
Leg uit waardoor ziekteverschijnselen pas een tijd na besmetting optreden.
Ziekten
1/3 Jeugdpuistjes. Zie figuur B 2437 van de bijlage.
Door een sterke verhoorning en talgafscheiding van de huid kunnen de afvoerbuisjes van de talgklieren in de huid afgesloten raken. In de afbeelding is een schematische doorsnede van een gezonde huid en het onderhuidse bindweefsel weergegeven. Soms hoopt talg zich op, wat zichtbaar is als een geelwit puntje. Bacteriën zetten het zichtbare topje van de talg om in een zwarte stof. Het zwarte puntje dat zo ontstaat, wordt mee-eter genoemd. Een ontstoken mee-eter is een jeugdpuistje. Jochem ziet bij zijn huisarts een reclamefolder over jeugdpuistjes. Daarin wordt afgeraden om de puistjes uit te drukken. "Als je ze niet uitdrukt, is de kans groter dat de huid zelf onbeschadigd blijft en dat de witte bloedcellen hun werk goed kunnen doen." Jochems moeder, die zijn jeugdpuistjes geen mooi gezicht vindt, zegt dat hij de witte puntjes moet uitdrukken zodra ze te zien zijn. "Dan krijg je geen ontsteking van de huid." Jochems vriendin Ellis zegt: "Je moet de puistjes niet uitdrukken. De kans is groot dat bij het uitdrukken van de puistjes bloedvaten beschadigd raken." De reclamefolder, zijn moeder en Ellis geven Jochem een advies over jeugdpuistjes.
Wie geeft of wie geven een juiste verklaring bij hun advies? En wat is het argument?
afbeelding
Ziekten
2/3 Jeugdpuistjes.
De huid regelmatig met desinfecterende (= ontsmettende) zeep wassen helpt tegen jeugdpuistjes.
Leg uit dat deze zeep door de desinfecterende werking helpt tegen jeugdpuistjes.
Ziekten
3/3 Jeugdpuistjes.
Bij jeugdpuistjes ontstaat rondom een puistje een rode vlek.
Wat is een verklaring voor het ontstaan van die rode vlek?
Ziekten
1/2 Huid en haar.
Bij het zetten van een blijvende tatoeage bestaat het gevaar voor overbrengen van ziekten, zoals AIDS en hepatitis. Bij het aanbrengen van een hennabeschildering bestaat dit gevaar niet.
Leg uit waardoor bij het zetten van een blijvende tatoeage ziekten zoals AIDS en hepatitis wél overgedragen kunnen worden en bij een hennabeschildering niet.
Ziekten
2/2 Huid en haar.
In informatie 4 wordt een experiment beschreven. Uit de resultaten van dit experiment worden twee conclusies getrokken.
I. Op een ongewassen vinger bevinden zich meer bacteriën dan op een vinger die met zeep A is gewassen. II. Door wassen met zeep B worden meer bacteriën verwijderd dan door wassen met zeep A.
Ziekten
Blaasontsteking. Zie figuur B 3033 van de bijlage.
Blaasontsteking wordt meestal veroorzaakt doordat bacteriën via de urinewegen het lichaam binnendringen. Vrouwen hebben een grotere kans op blaasontsteking dan mannen. In de afbeelding zijn schematisch onder andere de urinewegen van een vrouw en van een man weergegeven.
Leg met behulp van gegevens uit de afbeelding uit waardoor vrouwen een grotere kans op blaasontsteking hebben dan mannen.