Oefentoets Biologie: Dna-rna - eiwitsynthese | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

DNA-RNA-eiwitsynthese

5/5 Ontsporende eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Het wijzigen van een G in een A in het coderend DNA heeft in een geval geen invloed op het inbouwen van een bepaald aminozuur.

Om welke G gaat het, om welk aminozuur en leg uit om welke reden er geen invloed is?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/4 Erfelijke informatie.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

In de chromosomen van een muis komen proto-oncogenen voor. Deze genen zijn betrokken bij de regulatie van de delingsactiviteit van cellen. Door mutatie kunnen deze proto-oncogenen veranderen in oncogenen. Als de oncogenen tot expressie komen wordt de delingsactiviteit van een cel niet meer normaal geregeld en gaat die cel zich ongeremd en ongeco"rdineerd delen. In zo'n geval ontstaat een tumor.
Blaaskanker wordt bij muizen mede veroorzaakt door een mutatie van het proto-oncogen EJ. Dit proto-oncogen bestaat uit ongeveer vijfduizend nucleotiden.
De basenvolgorde van de template-streng in een belangrijk stukje van dit proto-oncogen EJ is als volgt:
afbeeldingafbeelding
De template-streng is de draad van het DNA die wordt gebruikt als matrijs voor de vorming van mRNA.

De basenvolgorde van het overeenkomstige stukje van het oncogen EJ is:
afbeeldingafbeelding
Typen mutatie zijn: genmutatie, chromosoommutatie en verandering in het aantal chromosomen (ploïdie-mutatie).

Door welk van deze typen mutatie ontstaat het oncogen EJ uit het proto-oncogen EJ?

Dit is een [invulveld]

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/4 Erfelijke informatie.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Transcriptie van het gegeven stukje template-streng in het proto-oncogen vindt plaats van links naar rechts. Vervolgens vindt translatie in dezelfde richting plaats.

Welke aminozuren en in welke volgorde bevat het op basis van dit deel van het proto-oncogen gevormde stukje eiwit?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

3/4 Erfelijke informatie.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Transcriptie en translatie van het oncogen vindt op dezelfde wijze plaats als die van het proto-oncogen.

Noem het aminozuur waarvoor het gemuteerde triplet in het oncogen codeert.

Dit is [invulveld]

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

4/4 Erfelijke informatie.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Met een speciale techniek wordt in een stukje blaastumorweefsel de aanwezigheid van het oncogen EJ vastgesteld. Deze blaastumor is ontstaan doordat onder andere nmalig een bepaalde mutatie is opgetreden.

Leg uit waardoor het aannemelijk is dat het oncogen EJ in alle cellen van het tumorweefsel aanwezig is en niet slechts in één cel of in een beperkt aantal cellen van de tumor.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/3 Erfelijke informatie.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

In 1968 ontvingen de onderzoekers Marshall Nirenberg en Gobind Khorana de Nobelprijs voor hun werk over mRNA en de eiwitsynthese. In hun experimenten gebruikten zij onder andere mRNA dat langs kunstmatige weg was gevormd en dat uitsluitend was samengesteld uit afwisselend uracil- en cytosine-nucleotiden (poly[UC]n). Dit mRNA werd toegevoegd aan een celextract waarin translatie mogelijk was. Het polypeptide dat in dit mengsel werd geproduceerd, bestond uit slechts twee verschillende aminozuren die elkaar telkens afwisselden.

Welke aminozuren zijn dit geweest?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/3 Erfelijke informatie.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Oorspronkelijk wisten de onderzoekers niet of de aminozuurcodons uit een even of een oneven aantal nucleotiden zouden bestaan.

Uit hoeveel verschillende aminozuren zou een polypeptide zijn opgebouwd als de codons van het gebruikte mRNA (poly[UC]n ) uit vier nucleotiden zouden bestaan?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

3/3 Erfelijke informatie.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Het deel van een mRNA-molecuul dat codeert voor de eerste zes aminozuren van een bepaald polypeptide is: UAU AAG UGU UAA UCG GUA.

Noem de 5'-kant en geef aan op grond waarvan je bepaalt wat de 5'-kant is.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/5 Vorming van melk gedurende de zoogperiode.

Gedurende de zoogperiode is bij een schaap de hoeveelheid bloed die naar de melkklieren stroomt, drie maal zo groot als in de periode waarin het schaap niet zoogt. Van de glucose die wordt aangevoerd, wordt 60 tot 90% door de cellen van de melkklieren opgenomen.
In de tabel is de gemiddelde samenstelling van bloedplasma en van melk van een zogend schaap weergegeven.

afbeeldingafbeelding

Bij een schaap in de zoogperiode werd met 14 C gemerkte glucose in een ader ingespoten. Iets later werd radioactiviteit in de melk aangetoond. De 14 C die in de melk werd gemeten, bevond zich vooral in twee van de in de tabel hierboven genoemde bestanddelen.

Welke twee bestanddelen zijn dat?

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/5 Vorming van melk gedurende de zoogperiode.
Zie figuur B 1329 van de bijlage.

In een ander experiment werden stukjes melkklierweefsel van een schaap (zie de afbeelding) gedurende drie minuten in een milieu gelegd met een radioactief aminozuur (3 H leucine) en daarna in een niet-radioactief milieu overgebracht. Het melkklierweefsel bleef tijdens dit experiment gedurende verscheidene uren normaal functioneren.
Stukjes melkklierweefsel werden 3, 15, 25, 45 en 60 minuten na het verblijf in het radioactief milieu geanalyseerd. De hoeveelheid radioactiviteit werd gemeten in de kern, in het cytoplasma (exclusief het Golgi-systeem) en in het Golgi-systeem van de cellen en in de holte van een afvoergang. De resultaten zijn weergegeven in het diagram van de afbeelding.

In de holte van de afvoergang van een melkklier bevindt zich melk.

afbeeldingafbeelding

Welke van de in de tabel hierboven genoemde bestanddelen van deze melk is of welke zijn na 45 minuten vooral radioactief geworden?

Dit zijn de [invulveld]

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

3/5 Vorming van melk gedurende de zoogperiode.

Verklaar het verloop van de radioactiviteit in het cytoplasma en in het Golgi-systeem gedurende de eerste 15 minuten van het experiment.

DNA-RNA-eiwitsynthese

4/5 Vorming van melk gedurende de zoogperiode.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Bij de vorming van mRNA wordt één van de draden van het DNA gebruikt als matrijs. Deze draad heet dan de 'template'-streng. De nucleotiden-volgorde van de stukken DNA die respectievelijk coderen voor het casëinemolecuul (casëine = melkeiwit) van een schaap en dat van een koe, zijn bekend. Hieronder is een deel van de template-streng van de stukken DNA, die coderen voor respectievelijk casëine van een schaap en een koe, weergegeven.

Volgorde van nucleotiden in de template-streng van DNA van
afbeeldingafbeelding

Noem van zowel het schaap als de koe de aminozuren die verschillend zijn in de stukjes casëine die door deze DNA-fragmenten worden gecodeerd.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

5/5 Vorming van melk gedurende de zoogperiode.

De verschillen in de twee DNA-fragmenten zijn groter dan de verschillen in de primaire structuur van de twee casëine-stukjes.

Hoe komt dat?

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/5 Gemuteerde eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Aan de hand van een bepaald stuk coderend DNA wordt het volgende stuk mRNA gemaakt:
afbeeldingafbeelding

Leid uit dit stuk mRNA het oorspronkelijke stuk DNA af.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/5 Gemuteerde eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Leid met het gegeven 'woordenboek' af welke aminozuren hierdoor achter elkaar worden gezet.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

3/5 Gemuteerde eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Door een bepaalde mutatie wordt de eerste G van links in het coderend DNA vervangen door een C.

Wat is hiervan de precieze consequentie voor de cel waarin deze mutatie optreedt?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

4/5 Gemuteerde eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

In een andere cel treedt als mutatie op het wegvallen van de derde A van links in het coderend DNA.

Wat is hiervan de precieze consequentie voor de cel waarin deze mutatie optreedt?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

5/5 Gemuteerde eiwitsynthese.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Het wijzigen van een G in een A in het coderend DNA heeft in één geval geen invloed op het inbouwen van een bepaald aminozuur.

Om welke G gaat het, om welk aminozuur en leg uit om welke reden er geen invloed is?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/3 Organismen.

De hoogste delingssnelheden bij organismen zijn waargenomen bij bepaalde eencellige organismen met een lengte van 1 - 2 µm. Bij bepaalde eencellige organismen die kleiner zijn dan 1 µm, waarbij het oppervlak relatief groot is ten opzichte van het volume, is de delingssnelheid niet groter. Bij een deling moeten structuureiwitten en andere elementen van de cel worden gevormd, waarbij energie wordt verbruikt. In de onderstaande tabel zijn kenmerken van deze organismen opgenomen:

afbeeldingafbeelding

Welke van deze kenmerken hebben tot gevolg dat bij deze organismen met een lengte van 1 - 2 µm de delingssnelheid hoger is dan bij deze organismen die kleiner zijn dan 1 µm?

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/3 Organismen.
Zie figuur A 323 van de bijlage.

De bouw van DNA is weergegeven in de afbeelding.

Bij verschillende organismen worden de verhoudingen tussen de stikstofbasen in het DNA bepaald. In de onderstaande tabel is de verhouding tussen A + T en G + C van deze organismen weergegeven.

afbeeldingafbeelding

Wat is de verhouding tussen A + G en T + C ofwel (A + G)/(T + C) bij een tarweplant of is dat niet te bepalen?

afbeeldingafbeelding