Oefentoets Biologie: Mens-milieu | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 13

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Mens en Milieu

1/2 Gevolgen van verzuring.

Verzuring van de bodem heeft invloed op organismen. Door deze verzuring daalt onder andere het kalkgehalte van de bodem. Ook in het voedsel van sommige vogels daalt het kalkgehalte dan. Die vogels zijn daardoor minder succesvol bij de voortplanting.

Waardoor zal bij die vogels de voortplanting minder succesvol verlopen als de bodem verzuurt?

Mens en Milieu

2/2 Gevolgen van verzuring.

Noem twee stoffen die in vervuilde lucht voorkomen en die verzuring van de bodem kunnen veroorzaken.

Mens en Milieu

1/3 Zure regen.
Zie figuur B 1573 van de bijlage.

Ammoniak, stikstofoxiden en zwaveldioxide komen met de regen op de bodem terecht en veroorzaken verzuring van de bodem. Dit verschijnsel wordt ook wel 'zure regen' genoemd. In de afbeelding zijn drie schema's getekend die de herkomst van deze drie stoffen weergeven.

Welk van deze schema's geeft de herkomst van ammoniak weer?

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

2/3 Zure regen.

Heeft het verbranden van grote hoeveelheden olie en steenkool invloed op het ontstaan van 'zure regen'?
Zo ja, welke?

Mens en Milieu

3/3 Zure regen.

Door 'zure regen' gaan op grote heidevelden bepaalde grassoorten sneller groeien dan heideplanten. Een voorbeeld daarvan is het pijpenstrootje. Door de grote pollen van deze grassoort komt er minder ruimte voor de heideplanten.

Waardoor neemt het aantal pollen van het pijpenstrootje op de heidevlaktes toe?

Mens en Milieu

1/3 Kwikvergiftiging.
Zie figuur C 144 van de bijlage.

Tekst:
In een meer leven onder andere de volgende organismen: snoeken, algen, stekelbaarzen, watervlooien. Dit is schematisch weergegeven in de afbeelding. Aan de rand van het meer staat een fabriek. Een tijd lang loosde de fabriek afval met kwik in het meer. Het gehalte aan kwik van het water werd steeds hoger. In enkele gevallen gingen mensen die vis uit het meer gegeten hadden dood door vergiftiging.
In de schematische tekening in de afbeelding zijn de algen en de watervlooien vergroot getekend. De snoek is verkleind getekend.

Welke van de in de tekst genoemde organismen zijn producenten?

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

2/3 Kwikvergiftiging.

Mensen lopen meer gevaar door het eten van een kilogram met kwik verontreinigde vis uit dit meer dan door het drinken van dezelfde hoeveelheid ongezuiverd water uit dit meer. Een kilogram van die vis bevat dus meer kwik dan een liter water uit het meer.

Leg uit hoe dit komt.

Mens en Milieu

3/3 Kwikvergiftiging.

Wat is de juiste voedselketen van de in de tekst genoemde organismen?

Mens en Milieu

1/2 Nitraatproblemen.

De aanwezigheid van te veel nitraat in een sloot wordt beschouwd als een milieuprobleem. Als er veel nitraat in een sloot terechtkomt, vermeerderen algen zich snel. Het water wordt hierdoor troebel.
In een klas wordt de vraag gesteld welke gevolgen deze algengroei zal hebben voor andere organismen in de sloot.
André zegt: Roofvissen, zoals snoeken, zullen verdwijnen, want ze kunnen hun prooi niet meer vinden.'
Sanne zegt: In het begin zullen watervlooien zich snel vermeerderen, want watervlooien voeden zich met algen.'

Doet André een juiste uitspraak?
En Sanne?

Mens en Milieu

2/2 Nitraatproblemen.

Na verloop van tijd sterven veel algen in de sloot. De resten daarvan worden onder andere door bacteriën afgebroken.

Is hiermee het probleem van het teveel aan nitraat in de sloot opgelost?

Mens en Milieu

1/17 De rivier.
Zie figuur C 335 van de bijlage

INFORMATIE 1 VERKLIKKERS VAN VERVUILING

afbeeldingafbeelding
Wanneer rioolwater in een schone rivier wordt geloosd, verandert de samenstelling van het rivierwater. Bepaalde soorten dieren kunnen dan niet meer in het rivierwater leven, andere juist wel. Dit gegeven wordt gebruikt om vast te stellen hoe sterk het water op een bepaalde plaats in een rivier vervuild is.

In de afbeelding C 335 is de loop van een brede, langzaam stromende rivier schematisch weergegeven. Pijlen geven de stroomrichting van het water aan. Van vijf plaatsen in de rivier (A, B, C, D en E) is aangegeven welke kenmerkende diersoorten daar worden gevonden in het water.

Bij plaats A ligt een grote camping langs de rivier. Het ongezuiverde rioolwater van deze camping wordt net voorbij plaats A in de rivier geloosd.

Zie volgende scherm



-

Mens en Milieu

2/17 De rivier.
Zie de figuren B 3415 en B 3416 van de bijlage

INFORMATIE 2 VISSEN IN DE RIVIER.
Zie figuur B 3415 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
In de rivier leven ook vissen, zoals bermpjes en stekelbaarsjes. Deze vissen voeden zich onder andere met muggenlarven, die op hun beurt weer algen eten. Ook roofvissen, zoals baarzen en snoekbaarzen, die op andere vissen jagen, leven in de rivier.

INFORMATIE 3 PLANTEN IN DE RIVIER
Zie figuur B 3416 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
De samenstelling van het rivierwater heeft ook invloed op de plantengroei in de rivier. Een plant zoals drijvend fonteinkruid groeit op plaatsen waar het water veel voedingszouten bevat. De klimopbladige waterranonkel, een waterplant die vooral onder water groeit, komt juist op plaatsen voor waar het rivierwater voedselarmer is.



-

Mens en Milieu

3/17 De rivier.
Zie de figuren A 808 en figuur B 3417 van de bijlage.

INFORMATIE 4 DIEREN IN EEN WATERMONSTER.
Zie figuur B 3417 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
Om de mate van vervuiling in de rivier te bepalen wordt het water op verschillende plaatsen regelmatig onderzocht. In de afbeelding zijn enkele diersoorten weergeven die op één van die plaatsen werden aangetroffen.

INFORMATIE 5 RESTEN VAN ORGANISMEN IN DE RIVIER (ORGANISCH AFVAL)
Zie figuur B 3417 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding
Het diagram geeft de hoeveelheid organisch afval weer op de plaatsen A tot en met E in het rivierwater in de maand juli van 1999.

Zie volgende scherm




-

Mens en Milieu

4/17 De rivier.
Zie figuur B 3418 van de bijlage

INFORMATIE 6 ZUURSTOF IN DE RIVIER.
Zie figuur B 3418 van de bijlage
afbeeldingafbeelding
Het diagram geeft de hoeveelheid opgeloste zuurstof weer op de plaatsen A tot en met E in het rivierwater in de maand juli van 1999.

Zie volgende scherm

Mens en Milieu

5/17 De rivier.

INFORMATIE 7 DETERMINEERTABEL VOOR EEN AANTAL WATERDIEREN

afbeeldingafbeelding




-

Mens en Milieu

6/17 De rivier.

De camping (zie informatie 1) loost ongezuiverd rioolwater in de rivier. Hierdoor neemt de hoeveelheid resten van organismen (organisch afval) in de rivier toe.

Noem twee soorten organisch afval die veel in het rioolwater van de camping voorkomen.

Mens en Milieu

7/17 De rivier.

Het organisch afval uit het rioolwater van de camping wordt door organismen in de rivier afgebroken.

Hoe wordt dit proces genoemd?

Mens en Milieu

8/17 De rivier.

Overal in de rivier komen bacteriën voor. Het aantal bacteriën is echter niet overal even groot.

Op plaats B in de rivier is het aantal bacteriën groter dan op plaats E.

Geef hiervoor een verklaring.

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

9/17 De rivier.
Zie figuur B 3410 van de bijlage.

In de rivier leven onder andere larven van ééndagsvliegen (zie informatie 1). In de afbeelding is een volwassen ééndagsvlieg weergegeven.

Geef de naam van het ademhalingsstelsel van een volwassen ééndagsvlieg.
[invulveld]

afbeeldingafbeelding

Mens en Milieu

10/17 De rivier.

De organismen die genoemd worden in informatie 2 vormen samen een voedselweb.

Noteer dit volledige voedselweb.