Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | VWO 1/VWO 2/VWO 3 | variant 5

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Experiment met geraniumblad.
Zie figuur B 1814 van de bijlage.

In de tekening is een proefopstelling weergegeven.

Kan met deze proefopstelling worden aangetoond dat het blad water afgeeft?
Kan met deze opstelling worden aangetoond dat het blad water opneemt?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede van een wortel.
Zie figuur B 1026 van de bijlage.

De tekening stelt een lengtedoorsnede van een wortel voor.

Welke functie heeft het met 1 aangegeven deel?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Wortelharen.

Drie functies van wortels van planten zijn:

1. opname van water,
2. opname van zouten,
3. opslag van reservestoffen.

Welke van deze functies wordt of worden door wortelharen vervuld?

Plantenfysiologie

Wortelharen.

Welke stoffen worden door de wortelharen van een plant uit de bodem opgenomen?

Plantenfysiologie

Een proef met zaden.

Een onderzoekster doet een proef met twintig zaden. Zij verdeelt de twintig zaden in twee groepen van tien (groep 1 en groep 2). De zaden van groep 1 wegen evenveel als de zaden van groep 2.
Zij legt de zaden van groep 1 in een droge, doorzichtige glazen bak in het licht.
Zij legt de zaden van groep 2 op vochtige watten, in een glazen bak in het donker.
Tijdens de proef blijven deze watten vochtig.

Na een paar dagen weegt zij beide groepen zaden. Het gewicht van de zaden van groep 1 blijkt maar een klein beetje te zijn afgenomen. Het gewicht van de zaden van groep 2 blijkt te zijn toegenomen.

Leg uit waardoor de zaden van groep 1 nauwelijks in gewicht zijn veranderd en de zaden van groep 2 zwaarder zijn geworden.

Plantenfysiologie

Opname van stof door maïsplant..

Een maïskorrel ontkiemt in de grond. Enkele stoffen zijn: glucose, koolstofdioxide en zuurstof.

Welke van deze stoffen neemt de maïskorrel uit de omgeving op, vóórdat het kiemplantje boven de grond komt?

Dit is [invulveld].

Plantenfysiologie

Bomen verplanten.
Zie figuur C 346 van de bijlage.

Op de bewuste foto is het transport te zien van een plataan die verplant moet worden. In de tekst bij de foto staat vermeld dat de voorbereidingen één jaar van tevoren zijn begonnen.

Welke twee voorbereidingen aan de boom worden bedoeld? Leg van elk afzonderlijk uit waarom die nodig waren.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Een els.
Zie figuur B 2091 van de bijlage.

Een els is een boom die alleen goed groeit als er veel water beschikbaar is.
Een els is in februari 1990 vlak boven de grond afgezaagd. Tegelijk zijn de takken vlak bij de stam van de boom afgezaagd. In de afbeelding zijn een deel van een doorsnede van de stam en een deel van een doorsnede van een tak weergegeven.
In beide doorsneden zijn jaarringen te zien.

Hoe oud was de tak toen deze werd afgezaagd?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Een els.

De omgezaagde els heeft wel eens last gehad van droogte. Dit is aan de jaarringen van de stomp te zien.

Waaraan is bij een jaarring te zien dat het voor de els een droog jaar was?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Een els.

In welke zomer heeft de els, op grond van de afbeelding, gebrek aan water gehad?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/7 Een aardappelplant.
Zie figuur B 2120 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een aardappelplant weergegeven. Er zijn drie pijlen 1, 2 en 3 getekend, die opname en/of afgifte van stoffen aanduiden.

Welke van deze pijlen kan of welke kunnen betrekking hebben op het transport van zuurstof bij een aardappelplant?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/7 Een aardappelplant.

Bij een aardappelplant wordt het transport in de bastvaten vergeleken met het transport in de houtvaten. Er wordt gekeken naar het transport van koolhydraten en van zouten.

Welke van deze stoffen worden vooral door de bastvaten vervoerd?
In welke richting vindt het transport van deze stoffen vooral plaats?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/7 Een aardappelplant.

Welk van de volgende processen vindt of welke vinden plaats door de wortels van een aardappelplant?

1. afgifte van zuurstof,
2. opname van koolstofdioxide,
3. opname van zouten.

Plantenanatomie en -fysiologie

4/7 Een aardappelplant.

Een aardappelplant kan zich zowel geslachtelijk als ongeslachtelijk voortplanten.

Met welke delen plant een aardappelplant zich ongeslachtelijk voort?

Plantenanatomie en -fysiologie

5/7 Een aardappelplant.

Aardappelplanten dichtbij bossen worden soms vernield door wilde zwijnen. Deze dieren wroeten in de grond op zoek naar aardappels.

Zijn wilde zwijnen consumenten, producenten of reducenten?

Plantenanatomie en -fysiologie

6/7 Een aardappelplant.

In een aardappelplant vindt fotosynthese plaats. De plant neemt stoffen op die bij de fotosynthese worden verbruikt. Enkele delen van een aardappelplant zijn: bastvaten, huidmondjes en wortels.

Welke van deze delen hebben een functie bij het opnemen van stoffen die bij de fotosynthese worden verbruikt?

Plantenanatomie en -fysiologie

7/7 Een aardappelplant.

Voor Nederland bestaat een koolstofkringloop.

Maken aardappelplanten deel uit van deze koolstofkringloop?
Maken mensen deel uit van deze koolstofkringloop?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Asperges.
Zie figuur A 398 en B 2156 van de bijlage.

De volgende tekst en tekeningen (zie de afbeelding) zijn afkomstig uit een boek over het kweken van groenten.

Kweken van asperges.
Asperges kunnen alleen op lichte, droge grond geteeld worden. In april moeten de jonge aspergeplantjes uitgeplant worden. Hiervoor wordt de grond diep gespit en wordt een geul gegraven van 25 cm diep. De plantjes 40 cm uit elkaar planten. Oogsten kan pas in het 3e jaar, van ca. 20 april tot eind mei - later tot de 3e week van juni. De planten daarna groen laten vormen boven de grond tot november.

De afbeelding B 2156 geeft asperges weer zoals ze als "groente" door de mens worden gegeten.

Welke delen van de aspergeplant worden gegeten?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Asperges.
Zie figuur A 398 van de bijlage.

Kweken van asperges.
Asperges kunnen alleen op lichte, droge grond geteeld worden. In april moeten de jonge aspergeplantjes uitgeplant worden. Hiervoor wordt de grond diep gespit en wordt een geul gegraven van 25 cm diep. De plantjes 40 cm uit elkaar planten. Oogsten kan pas in het 3e jaar, van ca. 20 april tot eind mei - later tot de 3e week van juni. De planten daarna groen laten vormen boven de grond tot november.

Is een aspergeplant een éénjarige, een tweejarige, of een overblijvende plant?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Asperges.
Zie figuur A 398 van de bijlage.

Kweken van asperges.
Asperges kunnen alleen op lichte, droge grond geteeld worden. In april moeten de jonge aspergeplantjes uitgeplant worden. Hiervoor wordt de grond diep gespit en wordt een geul gegraven van 25 cm diep. De plantjes 40 cm uit elkaar planten. Oogsten kan pas in het 3e jaar, van ca. 20 april tot eind mei - later tot de 3e week van juni. De planten daarna groen laten vormen boven de grond tot november.

Heeft in een aspergeplant tussen het stadium van tekening 3 en het stadium van tekening 4 fotosynthese plaats gevonden?
En verbranding?

afbeeldingafbeelding