Oefentoets Biologie: Spijsvertering | HAVO 4/HAVO 5 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

Enzymactiviteit.
Zie figuur B 25 van de bijlage.

Men onderzoekt bij een zoogdier de activiteit van twee enzymen bij verschillende zuurgraad.
De gevonden waarden staan in het afgebeelde diagram, waarbij de activiteiten van de enzymen (P en Q) uitgezet zijn tegen de zuurgraad.

Welke beweringen over enzym P en enzym Q zijn juist?

1. Enzym P is actief bij de eiwitvertering.
2. Enzym Q kan actief zijn bij de eiwitvertering.
3. Enzym Q wordt wel, maar enzym P wordt niet door de alvleesklier geproduceerd.
4. Zowel enzym P als enzym Q zijn vetsplitsende enzymen.
5. Enzym P en enzym Q zijn in hetzelfde deel van het spijsverteringskanaal werkzaam.

De juiste beweringen zijn

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur A 184 van de bijlage.

De tekening geeft het spijsverteringsstelsel van de mens weer.

Welk(e) van de aangegeven organen produceert(ceren) enzymen die in het darmkanaal vetten verteren?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

Vier weefseltypen die bij een mens in de wand van de dunne darm voorkomen, zijn: dekweefsel, spierweefsel, steunweefsel en zenuwweefsel.

Welk van deze weefseltypen produceert de enzymen voor het verteringsproces?

Spijsvertering

Spijsvertering.

Bij een experiment wordt aan een zetmeeloplossing een bepaalde hoeveelheid van een enzym E toegevoegd dat bij de mens voorkomt. Als gevolg hiervan neemt de zetmeelconcentratie in de oplossing snel af.
Bij een mens komen onder andere alvleesklier, maag en speekselklieren voor.

Van welke van deze organen kan enzym E afkomstig zijn?

Spijsvertering

Activiteit van pesine en lipase.
Zie figuur B 451 van de bijlage.

In het diagram is het verband weergegeven tussen de pH en de activiteit van het enzym pepsine en tussen de pH en de activiteit van het enzym lipase.
De gegevens uit het diagram worden in verband gebracht met de werking van pepsine en lipase in het spijsverteringskanaal van de mens. Hierover worden vier uitspraken gedaan:

1. Pepsine kan alleen werken op plaatsen in het spijsverteringskanaal waar de pH 2 is.
2. Lipase kan alleen werken op plaatsen in het spijsverteringskanaal waar de pH 8 is.
3. Pepsine is gevoeliger voor veranderingen in de pH in het spijsverteringskanaal dan lipase.
4. Vertering door de werking van pepsine en lipase kan in geringe mate plaatsvinden op plaatsen met een pH van ongeveer 4.

Welke uitspraken zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Enzymactiviteit.
Zie figuur A 262 van de bijlage.

Van twee verschillende spijsverteringsenzymen (P en Q) staat in de afgebeelde diagrammen het verband aangegeven tussen de enzymactiviteit en de zuurgraad (pH).

Uit een vergelijking van de twee activiteitscurven en op grond van wat men weet over enzymen en hun werking in ons spijsverteringskanaal kan men afleiden dat waarschijnlijk

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

In het spijsverteringskanaal van de mens zijn verschillende typen enzymen actief:

1. eiwitverterende enzymen;
2. koolhydraatverterende enzymen;
3. vetverterende enzymen.

Welk van deze typen is of welke zijn gevoelig voor de pH van hun milieu?

Spijsvertering

Enzymvorming.
Zie figuur A 198 van de bijlage.

De tekening stelt het spijsverteringsstelsel van de mens voor.

Op welke plaats of op welke plaatsen worden enzymen gevormd, die wat hun activiteit betreft, afhankelijk zijn van de zuurgraad van hun milieu?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur B 1704 van de bijlage.

In de figuur is een deel van het spijsverteringskanaal gegeven.

Eiwitsplitsende enzymen worden gevormd in

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur B 1704 van de bijlage.

In de figuur is een deel van het spijsverteringskanaal gegeven.

Stoffen die nodig zijn voor goede vertering van vetten kan men aantreffen in

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur B 2497 van de bijlage.

Eiwitsplitsende enzymen zijn werkzaam in

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur B 2497 van de bijlage.

Eiwitsplitsende enzymen worden gemaakt in

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Activiteit van eiwitsplitsend enzym in wasmiddel.
Zie figuur B 509 van de bijlage.

De activiteit van een eiwitsplitsend enzym dat voorkomt in een wasmiddel, werd bij verschillende temperaturen bepaald.
Als maat voor de activiteit werd genomen de hoeveelheid eiwit die in 20 minuten gesplitst werd.
De resultaten zijn uitgezet in het diagram.

Welke van de onderstaande manieren van wassen zal de grootste hoeveelheid eiwit uit wasgoed kunnen verwijderen als in alle gevallen evenveel wasmiddel is toegevoegd?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Urease in sojabonen.

In sojabonen komt het enzym urease voor dat ureum afbreekt.
Bij deze afbraak ontstaat onder andere de schadelijke stof ammoniak.
Toch heeft iemand die veel sojabonen eet hier geen last van.
Hiervoor worden de volgende verklaringen gegeven:

1. urease uit sojabonen wordt door speeksel afgebroken,
2. urease wordt in maag afgebroken,
3. urease wordt in de lever afgebroken,
4. urease wordt door de nieren uitgescheiden.

Welke verklaring is het meest waarschijnlijk?

Spijsvertering

Insuline.

Het hormoon insuline is een eiwit. Indien iemand een tekort aan insuline heeft, kan dit tekort worden aangevuld door dit hormoon in te spuiten.

De concentratie van insuline in het bloed kan niet worden verhoogd door dit hormoon via de mond in te nemen.

De verklaring hiervoor is dat

Spijsvertering

Eiwitvertering.

Drie reageerbuizen bevatten elk 1 mL eiwitoplossing.
Aan elk van deze buizen wordt een spijsverteringssap van de mens toegevoegd:

aan buis 1: 1 mL speeksel met een pH 8,
aan buis 2: 1 mL maagsap met een pH 2,
aan buis 3: 1 mL alvleessap met een pH 8.

De buizen worden bij een temperatuur van 37°C geplaatst.

In welke van deze buizen vindt eiwitvertering plaats?

Spijsvertering

Eiwitvertering.

In een proef wordt de invloed nagegaan van de temperatuur op de snelheid waarmee eiwitten worden verteerd door maagsap. De resultaten worden in een diagram uitgezet.

Zie figuur C 8 van de bijlage.

Welk van afgebeelde diagrammen kan juist zijn?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

Iemand beweert dat het belangrijk is om behalve rauwkost ook gekookt of gebakken voedsel grondig te kauwen. Hij voert daarvoor de volgende argumenten aan:

1. het oppervlak van het voedsel wordt sterk vergroot;
2. alle cellen worden kapot gekauwd;
3. het speeksel is het enige spijsverteringssap dat koolhydraten kan verteren.

Welk argument is of welke zijn juist?

Spijsvertering

Koolhydraatvertering.
Zie figuur B 2497 van de bijlage.

Vertering van koolhydraten vindt plaats door middel van enzymen, die gemaakt worden in de onderdelen

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

Drie delen van het lichaam zijn: speekselklieren, alvleesklier en cellen in de wand van de dunne darm.

In welk of in welke van deze delen worden bij gezonde mensen enzymen gevormd die een rol spelen bij de vertering van koolhydraten?