Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
HAVO 4, HAVO 5
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Voeding
Voeding.
In onderstaande tabel is voor zeven verschillende personen (kolom 1 t/m 7) aangegeven de behoefte aan calorieën en enkele voedingsstoffen per dag. In kolom 1 staat aangegeven de behoefte van een normale, volwassen man.
afbeelding
Welke kolommen van de hier bovenstaande tabel geven respectievelijk aan de normale behoefte aan calorieën en de genoemde voedingsstoffen van:
een baby van 3 maanden (X); een volwassen vrouw die iets kleiner is dan een volwassen man (Y); een volwassen vrouw die drie maanden zwanger is (Z)?
-
Voeding
Voedingsstoffen.
Enkele bestanddelen van het voedsel van de mens zijn: eiwitten, koolhydraten en vetten.
Welke van deze voedselbestanddelen kunnen stoffen leveren die zowel bij de assimilatie als bij de dissimilatie in cellen worden gebruikt?
Voeding
Voedsel.
Over het voedsel van de mens worden de volgende beweringen gedaan:
1. Overtollige aminozuren uit het voedsel kunnen als aminozuren worden opgeslagen in de lever. 2. Sommige eiwitten kunnen in de lever alleen worden opgebouwd als in het voedsel bepaalde aminozuren voorkomen. 3. De mens ondervindt schade aan de gezondheid wanneer in het voedsel gedurende lange tijd vetten ontbreken.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
Voeding
Een stukje lever.
Iemand eet een stukje gebakken lever.
Welke van de voedingsstoffen eiwitten, koolhydraten en vetten krijgt hij met de gebakken lever binnen?
afbeelding
Voeding
Voedsel.
Drie bestanddelen van het voedsel van de mens zijn: eiwit, glycogeen en vet.
Welke van deze bestanddelen kunnen zowel van dierlijke als van plantaardige oorsprong zijn?
Voeding
Gewichtstoename.
Een echtpaar eet gedurende de maand december meer dan normaal en neemt daardoor sterk in gewicht toe. In die maand bevat hun voedsel een overmaat aan eiwitten, koolhydraten en vetten. Bij onderzoek blijkt dat hun sterke gewichtstoename grotendeels veroorzaakt is door het aanzienlijk dikker worden van de laag onderhuids vetweefsel.
Uit welke stoffen in hun voedsel kan direct of indirect het vet zijn gevormd dat zich nu onder hun huid bevindt?
Voeding
Samenstelling voedsel.
In het spijsverteringsstelsel van de mens ontstaat maltose (een koolhydraat) bij de vertering van zetmeel. Sommige voedselbestanddelen zijn met behulp van indicatoren aan te tonen. In tabel 1 worden drie indicatoren genoemd met de daarbij optredende reacties met maltose, zetmeel, glycogeen en eiwitten. afbeelding Een hoeveelheid voedsel van onbekende samenstelling wordt getest op de aanwezigheid van maltose, zetmeel, glycogeen en eiwitten. Dat voedsel wordt tevens behandeld met een onbekend mengsel enzymen. Na drie uur worden de omzettingen beëindigd. De dan aanwezige stoffen worden getest met de drie indicatoren. De resultaten van deze twee series proeven staan in tabel 2. afbeelding De onderzoeker vraagt zich af of het onderzochte voedsel voedingsstoffen kan bevatten van dierlijke en/of van plantaardige oorsprong.
Wat kan worden gezegd over de oorsprong van het voedsel?
-
Voeding
Gebreksziekte.
Een voorbeeld van een gebreksziekte is scheurbuik. Bij mensen, maar ook bij cavia's die geen verse groenten of fruit eten, ontwikkelt zich na enige tijd de ziekte scheurbuik. Bij ratten die nooit zulke verse producten krijgen, ontwikkelt zich geen scheurbuik.
Hierover worden drie beweringen gedaan:
1. Ratten beschikken over andere processen in hun stofwisseling dan mensen en cavia's. 2. Ratten hebben een natuurlijke immuniteit tegen scheurbuik. 3. Ratten produceren zelf alle organische stoffen die in groenten en fruit voorkomen.
Welke van de gedane beweringen is of welke zijn juist?
Voeding
Cavia's en scheurbuik.
Het voedsel van vijfentwintig cavia's bestond alleen uit vetten, koolhydraten, eiwitten, zouten en water. Zij kregen allemaal scheurbuik. Vijfentwintig andere cavia's kregen ook dit voedsel, maar hieraan was vers sinaasappelsap toegevoegd. Zij kregen geen scheurbuik.
Welke conclusie is op grond van deze gegevens juist?
Voeding
Tandplak.
Bacteriën die zich altijd in de mond en op de tanden en kiezen bevinden, krijgen bij een slechte mondhygiëne de gelegenheid een afdeklaag te vormen die hen van de lucht afsluit. Het zuur dat zich ophoopt onder deze afdeklaag, kan het glazuur aantasten met gaatjes als gevolg. De combinatie van bacteriën en afdeklaag wordt tandplak genoemd. In deze bacteriën komen stofwisselingsprocessen voor die ook bij de mens voorkomen.
Leg uit waardoor de aanwezigheid van bacteriën en een afdeklaag tot de vorming van zuur leidt. Geef daarbij ook aan welk stofwisselingsproces daarbij optreedt en welk zuur waarschijnlijk ontstaat.
Voeding
1/2 Vitamines. Zie figuur C 85 van de bijlage.
Over het belang van vitamines zijn de meningen verdeeld. Uitspraken als ‘vitamines genezen vele kwalen' of ‘wat extra vitamines kan nooit kwaad', worden door sommigen verdedigd, maar worden in het algemeen vanuit voedingsoogpunt niet ondersteund en zelfs tegengesproken.
In de afbeelding C 85 is voor een aantal bevolkingsgroepen in Nederland aangegeven hoeveel van bepaalde vitamines volgens de gangbare voedingsleer wordt aanbevolen. Daarnaast is aangegeven hoeveel van deze vitamines werkelijk door deze bevolkingsgroepen wordt geconsumeerd. Op grond van de tabel zijn er enkele bevolkingsgroepen aan te wijzen voor wie extra opname van een bepaalde vitamine zinvol zou kunnen zijn.
Noem zo'n bevolkingsgroep en de vitamine waarom het gaat.
afbeelding
Voeding
2/2 Vitamines. Zie figuur C 85 van de bijlage.
Kun je op grond van de gegevens uit de tabel zeggen dat je zelf voldoende vitamine C binnenkrijgt? Licht je antwoord toe.
afbeelding
Voeding
1/6 Zaden. Zie figuur B 2407 van de bijlage.
Zaden spelen een belangrijke rol als voedselbron voor de mens, doordat in zaden reservestoffen zijn opgeslagen in het endosperm of in de zaadlobben. afbeelding
Soorten worden samengevoegd in een genus (geslacht), genera (geslachten) in een familie, families in een orde, orden in een klasse. Bij ieder van deze groepen horen kenmerken.
Is op grond van de informatie in de tabel de plaats waar de reservestoffen worden opgeslagen een kenmerk voor de soort, het genus, de familie of de klasse?
-
afbeelding
Voeding
2/6 Zaden.
Zaden kunnen na verspreiding kiemen. Bij sommige zaden zijn energierijke stoffen niet alleen in het endosperm of de zaadlobben aanwezig, maar ook buiten de beschermende zaadhuid. Deze stoffen buiten de zaadhuid bevorderen het verspreiden van de zaden.
Op welke wijze worden deze zaden waarschijnlijk verspreid? Leg het verband tussen de verspreidingswijze en de energierijke stoffen uit.
Voeding
3/6 Zaden.
Een veganist eet geen dierlijke producten zoals vlees, vis, melk en eieren. Daardoor kan een veganist een tekort krijgen aan bepaalde voedingsstoffen. Dit tekort kan voorkómen worden door bepaalde zaden in het voedingspakket op te nemen.
afbeelding
Welke van onderstaande zaden zijn hiervoor het meest geschikt?
-
Voeding
4/6 Zaden.
Sommige veganisten geven voor hun voedingswijze een argumentatie die verband houdt met het wereldvoedselprobleem. Het wereldvoedselprobleem houdt in dat er een tekort dreigt aan voedsel voor de mensheid.
Geef met behulp van biologische begrippen een argumentatie, waaruit blijkt dat een veganistische leefwijze het wereldvoedselprobleem zou kunnen verminderen.
Voeding
5/6 Zaden.
Tarwezaden bevatten een hoog gehalte aan zetmeel. Zetmeel wordt uit glucose gevormd.
De omzetting van glucose in zetmeel in zaden heeft een functie in verband met het osmotische evenwicht tussen de cellen en hun omgeving.
Leg dit uit.
-
Voeding
6/6 Zaden.
Eiwitten behoren tot de reservestoffen die in zaden voorkomen. Een plant bouwt eiwitten op uit aminozuren.
Uit welke van de volgende stoffen die de plant uit het milieu opneemt, worden aminozuren gemaakt?
Voeding
1/3 Eiwitten remmen hongerhormoon.
Na een maaltijd met veel zuiveleiwitten duurt het langer voordat je weer honger krijgt, ontdekte drs. Wendy Blom. "Er zijn hormonen die er voor zorgen dat we honger krijgen of juist een verzadigd gevoel hebben", zegt Blom. "Al die hormonen samen bepalen het eetgedrag. Het hormoon waarnaar ik heb gekeken heet ghreline." De maag maakt ghreline aan als hij leeg is. Een hoge ghrelineconcentratie maakt dat we zin krijgen in eten. "Hoeveel we eten tijdens een maaltijd heeft niets met ghreline te maken", zegt Blom. "Ghreline bepaalt alleen wanneer we willen gaan eten."
Blom ontdekte dat maaltijden waarbij proefpersonen een flinke hoeveelheid zuiveleiwitten innemen de aanmaak van het hongerhormoon onderdrukken. Eiwitten uit vlees onderdrukken het hongerhormoon nauwelijks.
Blom ontdekte ook een verhoogde afgifte van glucagon na eiwitrijke maaltijden. Hoe hoger het glucagongehalte, hoe langer het duurde voor de ghrelinespiegel weer steeg. Blom wil met haar onderzoek niet zeggen dat afslankers het aandeel zuiveleiwit van hun maaltijden moeten opschroeven. Er blijkt een groot verschil in onderdrukking van ghrelineafgifte te zijn tussen eiwitten uit rundvlees en eiwitten uit zuivelproducten. Toch zijn beide soorten eiwitten afkomstig van runderen.
Enkele feiten over runderen zijn:
1. Runderen die voor de vleesproductie worden gehouden, behoren tot veelal andere rassen dan runderen die voor de melkproductie worden gebruikt. 2. Vlees dat we consumeren is grotendeels afkomstig van jonge runderen, melk van oudere. 3. In de melksecreterende cellen van de uiers zijn andere genen actief dan in de spiercellen. 4. Runderen die voor de vleesproductie dienen, krijgen veelal ander voer dan runderen die voor de melkproductie worden gebruikt.
Welke van deze feiten geeft de beste verklaring voor het verschil in eiwitsamenstelling tussen zuivel en vlees?
-
Voeding
2/3 Eiwitten remmen hongerhormoon. Zie figuur B 4392 van de bijlage.
Blom beweert dat teveel eiwitten eten niet gezond is. Een van de argumenten hiervoor is dat een overschot aan eiwit niet in het lichaam kan worden opgeslagen. Van twee stoffen, ureum en aminozuren, wordt de concentratie bepaald in de aders S en T (zie de afbeelding).
De eerste meting vindt plaats na een eiwitarme maaltijd, de tweede meting na een eiwitrijke maaltijd.
In welk van deze bloedvaten zijn de ureum- en de aminozuurconcentratie het hoogst na een eiwitarme maaltijd? - In welk van deze bloedvaten zijn de ureum- en de aminozuurconcentratie het hoogst na een eiwitrijke maaltijd?