Oefentoets Biologie: Voortplanting | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 5

Deze digitale toets over bestuiving en erfelijkheid richt zich op biologie studenten en behandelt onderwerpen zoals natuurlijke versus kunstmatige bestuiving, de rol van gameten en bevruchting bij verschillende plantensoorten. Ontdek de complexe mechanismen van plantreproductie en erfelijkheid door middel van uitdagende vragen en scenario's. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Bestuiving: Natuurlijk versus Kunstmatig

Natuurlijke bestuiving vergeleken met kunstmatige bestuiving.

Van de dadelboom bestaan mannelijke en vrouwelijke bomen (tweehuizigheid). Er zijn aanwijzingen dat reeds in het oude Egypte bloesems van deze bomen kunstmatig bestoven werden.

Natuurlijke bestuiving heeft in dit geval nadelen in vergelijking met kunstmatige bestuiving, omdat

Bestuiving en erfelijkheid van bloemkleur

Bestuiving van een rode bloem door een witte bloem.

Een homozygoot rode bloem wordt bestoven met stuifmeel van een homozygoot witte bloem.

In de vrucht die daarop wordt gevormd, zal het allel voor witte bloemkleur terug te vinden zijn in

Bestuiving en erfelijkheid bij maïsplanten

Bestuiving van een 'grote' maïsplant door een 'kleine' maïsplant.

De stampers van een homozygoot 'grote' maïsplant worden bestoven met stuifmeel van een homozygote 'kleine' maïsplant.

Bij de maïskorrels die als resultaat hiervan ontstaan, zal het allel voor dwerggroei ontbreken in

Bevruchting van zaadknoppen in planten

Bevruchting van vier zaadknoppen.

In een vruchtbeginsel van een bepaalde zaadplant bevinden zich vier zaadknoppen. Alle aanwezige eicellen worden bevrucht.

Hoeveel stuifmeelkorrels zijn hiervoor nodig geweest?

De rol van de navelstreng in zaadknoppen

De navelstreng in een zaadknop.

Als een zaad nog niet rijp is, heeft het een navelstreng.

Deze navelstreng dient voor het doorlaten van

Structuur van een plantenzaad

Plantenzaad.

In een plantenzaad bevindt zich onder andere

Bevruchting door stuifmeelbuis bij bedektzadigen

De inhoud van één stuifmeelbuis.

Hoeveel eicellen worden bij bedektzadigen door de inhoud van één stuifmeelbuis bevrucht?

Stuifmeelkorrels en zygotevorming

Stuifmeelkorrels en de vorming van zygoten.

Een vruchtbeginsel bevat acht zaadbeginsels. In zes hiervan vindt zygotevorming plaats.

Hoeveel stuifmeelkorrels zijn nodig bij de vorming van deze zygoten?

Gameten van zaadplanten: juiste beweringen

Gameten van zaadplanten.

Over gameten van zaadplanten worden de volgende uitspraken gedaan:

1. De mannelijke gameet is de stuifmeelbuis.
2. De mannelijke gameet bevindt zich in de stuifmeelbuis.
3. De vrouwelijke gameet is het zaadbeginsel.
4. De vrouwelijke gameet bevindt zich in het zaadbeginsel.

Welke beweringen zijn juist?

Allerlei in zaadplanten na kruisbestuiving

Een zaadplant met vruchten na kruisbestuiving.
Zie figuur B 2495 van de bijlage.

De figuur stelt voor een zaadplant met vruchten die zijn ontstaan na kruisbestuiving.

Is het waarschijnlijk dat in een vrucht (1) cellen voorkomen met allelen die niet in de cellen van een blad (3) voorkomen?
Is het waarschijnlijk dat in een stengel (2) cellen voorkomen met allelen die niet in de cellen van een blad (3) voorkomen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Zelfbestuiving en allelen bij tomatenplanten

Bevruchting na zelfbestuiving bij een tomatenplant.

Bij een bepaalde tomatenplant vindt bevruchting plaats na zelfbestuiving. Een aantal kernen van deze plant wordt met elkaar vergeleken.

Welke van de onderstaande kernen hebben zeker dezelfde allelen?

Genotype bij Zelfbestuiving van Planten

Genotype van de celkernen na alleen zelfbestuiving.

Bij een bepaalde plant vindt alleen zelfbestuiving plaats.
Vijf onderdelen van deze plant zijn:

1. stijl,
2. zaadhuid,
3. stuifmeelkorrel,
4. eicel,
5. zygote in het zaad.

Deze vijf onderdelen wordt wat betreft het genotype van de celkernen met elkaar vergeleken.

Welke delen hebben, mutaties uitgesloten, hetzelfde genotype?

Zaadplant in embryonale toestand

Een zaadplant in embryonale toestand.

Een zaadplant in embryonale toestand bevindt zich in

Genen in de bloem na bevruchting

Een jong zaadje.
Zie figuur B 49 van de bijlage.

De afbeelding toont een doorsnede van een deel van een bloem, enige tijd nadat daarin een bevruchting en het begin van de ontwikkeling van het embryo heeft plaatsgevonden.

Op welke van de aangegeven plaatsen bevinden zich in de celkernen genen uit de stuifmeelkorrel die voor deze bevruchting heeft gezorgd?

afbeeldingafbeelding

Het zelfzuchtige B-chromosoom bij Nasonia

1/4 Het zelfzuchtige chromosoom.
Zie figuur B 2230 van de bijlage.

Bij de sluipwespensoort Nasonia vitripennis (2n = 10) komt een zogenaamd B-chromosoom voor. Men noemt dit wel het meest zelfzuchtige chromosoom in de natuur. Het geslacht van deze soort sluipwesp wordt bepaald door het aantal chromosomen: diploïde individuen zijn vrouwtjes, haploïde individuen zijn mannetjes (n = 5 of n = 5 + B). Als een eicel wordt bevrucht met een spermacel waarin het B-chromosoom voorkomt, worden alle chromosomen van de spermacel uit de bevruchte eicel verwijderd behalve het B-chromosoom. Bij een bevruchting met een spermacel zonder B-chromosoom blijven alle chromosomen in de zygote aanwezig.

afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm

Bevruchting en chromosomen bij sluipwespen

2/4 Het zelfzuchtige chromosoom.
Zie de figuren B 2230 en C 151 van de bijlage.

In de afbeelding is een deel van een schema getekend waarin de verschillende wijzen van bevruchting en voortplanting bij deze sluipwespensoort zijn weergegeven.

Zie figuur C 151 van de bijlage. (invultabel)

Vul op grond van de gegevens de tabel van de bijlage in. Vermeld van elk van de individuen en van de cellen hoeveel chromosomen er per lichaamscel aanwezig zijn.

P1: [invulveld]
Q1: [invulveld]
R1: [invulveld]
P2: [invulveld]
Q2: [invulveld]
R2: [invulveld]
P4: [invulveld]
Q4: [invulveld]
R4: [invulveld]
P5: [invulveld]
Q5: [invulveld]
R5: [invulveld]

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Aanwezigheid van het B-chromosoom

3/4 Het zelfzuchtige chromosoom.
Zie de figuren B 2230 en C 151 van de bijlage.

Vermeld met 'ja' of 'nee' of het B-chromosoom aanwezig is. Vermeld dit ook van de spermacellen en de eicel.

P1: [invulveld]
Q1: [invulveld]
R1: [invulveld]
P2: [invulveld]
Q2: [invulveld]
R2: [invulveld]
P4: [invulveld]
Q4: [invulveld]
R4: [invulveld]
P5: [invulveld]
Q5: [invulveld]
R5: [invulveld]

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Het zelfzuchtige chromosoom en geslacht nakomeling

4/4 Het zelfzuchtige chromosoom.
Zie de figuren B 2230 en C 151 van de bijlage.

Vermeld bovendien welk geslacht de nakomeling heeft (mannetje of vrouwtje).

P5: [invulveld]
Q5: [invulveld]
R5: [invulveld]

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Uitspraken over voortplantingsorganen van de mens

Voortplanting van de mens.

Hieronder staan vier uitspraken over de voortplantingsorganen van de mens:

1. spermacellen blijven in de voortplantingsorganen van een vrouw ten hoogste enkele dagen in staat een eicel te bevruchten;
2. bij een man van wie de spermaleiders onderbroken zijn, kunnen geen hormonen uit de testes worden afgevoerd;
3. de opslag van spermacellen vindt plaats in de zaadblaasjes;
4. spermacellen ontstaan in de testes en in de zaadblaasjes.

Welke uitspraak is juist?

Afdaling van de testes en organen ligging

Afdaling van de testes.

Gedurende de ontwikkeling tot volwassen mens dalen de testes van een man af vanuit de buikholte naar het scrotum (balzak).

In de ligging van welk(e) van de volgende organen kan hiervoor een aanwijzing worden gezien?