Oefentoets Biologie: Genetica - monohybried | HAVO 4/HAVO 5 | variant 2

Deze oefentoets bevat 70 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

70

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genetica

Lichaamskleur.

Bij de fruitvlieg is het allel voor zwarte lichaamskleur recessief ten opzichte van dat voor grijze lichaamskleur. De betrokken allelen liggen niet op de geslachtschromosomen.
Een onderzoeker had de beschikking over drie vliegenpaartjes P, Q en R.
De mannetjes en vrouwtjes hebben per paar hetzelfde genotype.
Met deze dieren werden kruisingen uitgevoerd waaruit de volgende nakomelingschappen ontstonden:

P x Q --> 109 grijsgekleurde vliegen
P x R --> 80 grijze en 28 zwarte vliegen
Q x R --> 76 grijze vliegen

Wat zal het resultaat zijn wanneer de vliegen P, Q en R gekruist worden met een zwarte fruitvlieg?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Genotypen.

Het aantal genotypen in de F2 bij een monohybride kruising bedraagt

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 1185 van de bijlage.

Gegeven een stamboom, waarin individu 1 een vrouw voorstelt met blauwe ogen.
Individu 2 is een man met bruine ogen (heterozygoot).

Aan de hand van deze stamboom kan men zeggen dat, wat betreft oogkleur, individu 8

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een erfelijke stofwisselingsziekte.

Een ouderpaar krijgt een kind dat een erfelijke stofwisselingsziekte heeft. De ouders lijden zelf niet aan deze ziekte. Tòch is deze ziekte in dit geval niet ontstaan door mutatie in de voortplantingscellen van de ouders en ook niet door mutatie bij het kind. Het betrokken gen ligt niet in het X-chromosoom.

Is het allel dat deze ziekte veroorzaakt dominant of recessief?
Zijn de ouders homozygoot of heterozygoot voor de betrokken eigenschap?

Genetica

Kortvingerigheid.

Kortvingerigheid wordt bij de mens bepaald door een dominant allel.

1. Kunnen twee ouders met normale vingers een kortvingerig kind krijgen, zonder dat er van een mutatie sprake is?
2. Kunnen twee kortvingerige ouders een kind met normale vingers krijgen, zonder dat er van een mutatie sprake is?

afbeeldingafbeelding

Genetica

De honingbij.

Bij een honingbij ontstaan uit onbevruchte eicellen darren (mannetjes) en uit bevruchte eicellen ontstaan werksters (vrouwtjes)
of koninginnen (vrouwtje). Honingbijen kunnen bruine of ivoorkleurige ogen hebben. Het allel voor bruine ogen is dominant over dat voor ivoorkleurige ogen.
Deze allelen voor oogkleur zijn niet X-chromosomaal. Een koningin met ivoorkleurige ogen wordt gekruist met een dar met bruine ogen. Sommige eicellen worden hierbij bevrucht, andere niet.

Welke oogkleur kan of welke oogkleuren kunnen ontstaan bij de nieuwe generatie darren?
En welke bij de nieuwe generatie werksters?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Schimmels.

Bij de schimmel Aspergillus is het diploïde stadium beperkt tot de zygote. De schimmelkolonie ontstaat na het optreden van een reductiedeling en is dus haploïd.
Een groene schimmelkolonie wordt gekruist met een gele schimmelkolonie.

Welk percentage van de haploïde nakomelingen zal groen zijn?

Genetica

Konijnen.

Een zwart vrouwtjeskonijn wordt door een onbekend mannetje bevrucht. Er worden zwarte en bruine jongen geboren. Het allel voor zwarte vacht (E) is dominant over het allel voor bruine vacht (e).

Wat kunnen de genotypen van de ouders zijn geweest?

afbeeldingafbeelding

Genetica

PKU.

Uit twee gezonde ouders wordt een dochter geboren, die lijdt aan PKU (fenylketonurie). Deze afwijking is erfelijk en in dit geval geen gevolg van een mutatie.

Is het allel voor PKU dominant?
Is het allel X-chromosomaal?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een stamboom.
Zie figuur B 2001 van de bijlage.

De afbeelding geeft een stamboom van een hamsterfamilie weer, waarin de haarkleur van de hamsters is weergegeven.

Hoe groot is de kans dat de derde nakomeling een witte haarkleur heeft?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een merkwaardig gekleurd ramlam.
Zie figuur B 458 van de bijlage.

Bij schapen wordt een vrouwelijk dier een ooi en een mannelijk dier een ram genoemd.
In 1968 ontdekte een schapenfokker een merkwaardig gekleurd ramlam bij zijn Texelse schapen.
De grijsblauwe kleur van de vacht van het lam bleek een erfelijk bepaalde eigenschap te zijn en na enige jaren gericht fokken groeide het aantal 'blauwe' schapen tot ruim twintig. Door onderlinge kruisingen en terugkruisingen met ouderdieren werd de overerving van de afwijkende vachtkleur vastgesteld.

De volgende resultaten van paringen van vijf ouderparen werden gevonden (zie de afbeelding B 458).

Paar 1 : de witte ooi P en de witte ram Q kregen witte nakomelingen.
Paar 2: de witte ooi R en de blauwe ram S kregen witte nakomelingen.
Paar 3: de witte ooi T en de witte ram U kregen blauwe en witte nakomelingen.
Paar 4: de witte ooi V en de blauwe ram W kregen blauwe en witte nakomelingen.
Paar 5: de blauwe ooi X en de blauwe ram Y kregen blauwe nakomelingen.

Welke conclusie is op grond van deze resultaten te trekken over de overerving van het allel voor blauwe en het allel voor witte vachtkleur?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een merkwaardig gekleurd ramlam.
Zie figuur B 458 van de bijlage.

Bij schapen wordt een vrouwelijk dier een ooi en een mannelijk dier een ram genoemd.
In 1968 ontdekte een schapenfokker een merkwaardig gekleurd ramlam bij zijn Texelse schapen.
De grijsblauwe kleur van de vacht van het lam bleek een erfelijk bepaalde eigenschap te zijn en na enige jaren gericht fokken groeide het aantal 'blauwe' schapen tot ruim twintig. Door onderlinge kruisingen en terugkruisingen met ouderdieren werd de overerving van de afwijkende vachtkleur vastgesteld.

De volgende resultaten van paringen van vijf ouderparen werden gevonden (zie de afbeelding B458).

Paar 1 : de witte ooi P en de witte ram Q kregen witte nakomelingen.
Paar 2: de witte ooi R en de blauwe ram S kregen witte nakomelingen.
Paar 3: de witte ooi T en de witte ram U kregen blauwe en witte nakomelingen.
Paar 4: de witte ooi V en de blauwe ram W kregen blauwe en witte nakomelingen.
Paar 5: de blauwe ooi X en de blauwe ram Y kregen blauwe nakomelingen.

Wat valt te zeggen van de genotypen van ooi T en ram U (paar 3)?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Een merkwaardig gekleurd ramlam.
Zie figuur B 458 van de bijlage.

Bij schapen wordt een vrouwelijk dier een ooi en een mannelijk dier een ram genoemd.
In 1968 ontdekte een schapenfokker een merkwaardig gekleurd ramlam bij zijn Texelse schapen.
De grijsblauwe kleur van de vacht van het lam bleek een erfelijk bepaalde eigenschap te zijn en na enige jaren gericht fokken groeide het aantal 'blauwe' schapen tot ruim twintig. Door onderlinge kruisingen en terugkruisingen met ouderdieren werd de overerving van de afwijkende vachtkleur vastgesteld.

De volgende resultaten van paringen van vijf ouderparen werden gevonden (zie de afbeelding B 458).

Paar 1 : de witte ooi P en de witte ram Q kregen witte nakomelingen.
Paar 2: de witte ooi R en de blauwe ram S kregen witte nakomelingen.
Paar 3: de witte ooi T en de witte ram U kregen blauwe en witte nakomelingen.
Paar 4: de witte ooi V en de blauwe ram W kregen blauwe en witte nakomelingen.
Paar 5: de blauwe ooi X en de blauwe ram Y kregen blauwe nakomelingen.

Ram Y en ooi P krijgen verscheidene malen nakomelingen.

Is het zeker dat uit deze paringen blauwe nakomelingen ontstaan?
Zo ja, welk deel van de nakomelingen zal blauw zijn?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Genotypen.

Het aantal genotypen in de F2 bij een monohybride kruising bedraagt

Genetica

Haarkleur.

Lichtbruine haarkleur ontstaat bij een bepaald zoogdierenras door combinatie van een allel voor witte en een allel voor donkerbruine haarkleur.

Het fokken van een zuivere lijn van lichtbruine individuen is dus

Genetica

Cavia's kruisen.

Men kruist twee zwarte ruigharige cavia's met elkaar.
Onder de nakomelingen in de F1 bevinden zich onder andere enkele witte gladharige dieren en witte ruigharige dieren.

Hieruit blijkt dat

Genetica

Een kruising binnen een kloon.

Twee organismen uit dezelfde kloon worden met elkaar gekruist. Van de nakomelingen vertoont 25% een eigenschap welke bij geen van de ouders zichtbaar was.

De meest waarschijnlijke verklaring voor dit resultaat is dat voor deze eigenschap

Genetica

Vleugellengtes.

Bij de fruitvlieg is het allel voor lange vleugels (T) dominant over dat voor korte vleugels (t). Twee vliegen (P-generatie) worden gekruist.
De F1 bestaat uit 57 vliegen met lange vleugels. Er wordt een F2 verkregen die bestaat uit 631 vliegen met lange vleugels en 217 met korte vleugels.

Wat is, op grond van deze gegevens, het genotype van de P-generatie?

Genetica

Konijnen kruisen.

Een zwartharig en een witharig konijn hebben beide zwartharige ouders.
Dit zwartharig en witharig konijn worden gekruist.
Van de vijf jongen uit de eerste worp zijn er vier zwart en is er één wit.
Nu wordt verder gefokt met de vier zwarte dieren.

Welke fenotypen zijn te verwachten onder de eerste generatie nakomelingen van deze zwarte dieren en in welke verhouding?

Genetica

Vleugellengtes.

Bij de fruitvlieg is het allel voor lange vleugels dominant over dat voor korte vleugels.
Twee fruitvliegen met lange vleugels paren.
De talrijke nakomelingen bestaan uit dieren met lange vleugels en dieren met korte vleugels.

Welk deel van deze nakomelingen is heterozygoot?

Genetica

Planten kruisen.

Bij een zaadplant die heterozygoot is voor een bepaalde eigenschap, komt alleen zelfbestuiving voor.
Elke stamper bevat vele zaadbeginsels. Op elke stempel vallen veel meer stuifmeelkorrels dan er zaadbeginsels in die plant aanwezig zijn. De stuifmeelbuizen met het dominante allel voor de bedoelde eigenschap groeien aanzienlijk sneller dan de stuifmeelbuizen met het recessieve allel.
Iemand zaait 100 door zelfbestuiving verkregen zaden uit. Alle ontkiemen.

Het aantal planten dat het fenotype heeft dat veroorzaakt wordt door het dominante allel, zal theoretisch

Genetica

Een bepaalde stof proeven.

Laten we veronderstellen, dat het kunnen proeven van een bepaalde stof berust op een dominant gen. Iemand kan deze stof niet proeven.

De aanleg van zijn ouders was

Genetica

Albinisme bij planten.

Sommige planten zijn niet in staat om bladgroen te vormen. Dit zogenaamde albinisme berust op de aanwezigheid van een recessief allel. Bij een tabaksplant die heterozygoot is voor deze eigenschap, treedt zelfbestuiving op. Er ontstaan 600 zaden. Na kieming ontstaan hieruit kiemplanten.

Hoeveel van deze kiemplanten zullen naar verwachting albino zijn?

Genetica

1/3 Een monohybride kruising.

Bij een monohybride kruising ontstaan in de F1 twee verschillende fenotypen.

In welke verhouding ontstaan deze twee fenotypen?

Genetica

2/3 Een monohybride kruising.

Indien de twee ouders niet in uiterlijk zouden verschillen, hoe wordt dan de fenotypenverhouding in de F1 ?

Genetica

3/3 Een monohybride kruising.

Indien wordt uitgegaan van het gestelde in de vorige vraag en er ontstaan drie verschillende fenotypen, hoe vindt dan de overerving plaats en in welke verhouding ontstaan de fenotypen?

Genetica

1/2 Een plant kruisen.

Men kruist een rondbladige plant met een ovaalbladige; beide zijn homozygoot.
In de F2 ontstaan 2 verschillende fenotypen.

Wat is met zekerheid over de overerving van beide eigenschappen te zeggen?

Genetica

2/2 Een plant kruisen.

Met welk gegeven ten aanzien van de F1 of met welk gegeven ten aanzien van de F2 kan met zekerheid de soort overerving worden aangegeven? (beide mogelijkheden noemen)

Genetica

1/4 Schapen.
Zie figuur B 458 van de bijlage.

Bij schapen wordt een vrouwelijk dier een ooi en een mannelijk dier een ram genoemd.
In 1968 ontdekte een schapenfokker een merkwaardig gekleurd ramlam bij zijn Texelse schapen.
De grijsblauwe kleur van de vacht van het lam bleek een erfelijk bepaalde eigenschap te zijn en na enige jaren gericht fokken groeide het aantal 'blauwe' schapen tot ruim twintig. Door onderlinge kruisingen en terugkruisingen met ouderdieren werd de overerving van de afwijkende vachtkleur vastgesteld.

De volgende resultaten van paringen van vijf ouderparen werden gevonden (zie de afbeelding B 458).

Paar 1 : de witte ooi P en de witte ram Q kregen witte nakomelingen.
Paar 2: de witte ooi R en de blauwe ram S kregen witte nakomelingen.
Paar 3: de witte ooi T en de witte ram U kregen blauwe en witte nakomelingen.
Paar 4: de witte ooi V en de blauwe ram W kregen blauwe en witte nakomelingen.
Paar 5: de blauwe ooi X en de blauwe ram Y kregen blauwe nakomelingen.

Welke conclusie is op grond van deze resultaten te trekken over de overerving van het allel voor blauwe en het allel voor witte vachtkleur?

afbeeldingafbeelding

Genetica

2/4 Schapen.
Zie figuur B 458 van de bijlage.

Paar 3: de witte ooi T en de witte ram U kregen blauwe en witte nakomelingen.

Wat valt te zeggen van de genotypen van ooi T en ram U (paar 3)?

afbeeldingafbeelding

Genetica

3/4 Schapen.

Welke van de onderstaande termen is van toepassing op de activiteit van de schapenfokker om zoveel mogelijk blauwe schapen te krijgen?

Genetica

4/4 Schapen.
Zie figuur B 458 van de bijlage.

Paar 1 : de witte ooi P en de witte ram Q kregen witte nakomelingen.
Paar 5: de blauwe ooi X en de blauwe ram Y kregen blauwe nakomelingen.

Ram Y en ooi P krijgen verscheidene malen nakomelingen.

Is het zeker dat uit deze paringen blauwe nakomelingen ontstaan?
Zo ja, welk deel van de nakomelingen zal blauw zijn?

afbeeldingafbeelding

Genetica

1/2 Een stamboom.
Zie figuur A 170 van de bijlage.

Sommige mensen kunnen met hun tong een gootje maken. Anderen kunnen dat niet. Deze eigenschap is erfelijk.
De stamboom heeft betrekking op een familie waarin de eigenschap 'een gootje kunnen maken' voorkomt.

Is het allel voor 'een gootje kunnen maken' dominant of recessief?
Kan het allel voor 'een gootje kunnen maken' X-chromosomaal zijn?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Genetica

2/2 Een stamboom.

Hoe groot is de kans dat de dochter van de personen P en Q een gootje met haar tong kan maken?

afbeeldingafbeelding

Genetica

1/2 Een plant kruisen.

Men kruist een rondbladige plant met een ovaalbladige; beide zijn homozygoot.
In de F2 ontstaan 2 verschillende fenotypen.

Wat is met zekerheid over de overerving van beide eigenschappen te zeggen?

Genetica

2/2 Een plant kruisen.

Met welk gegeven ten aanzien van de F1 of met welk gegeven ten aanzien van de F2 kan met zekerheid de soort overerving worden aangegeven? (beide mogelijkheden noemen)

Genetica

1/3 Een monohybride kruising.

Bij een monohybride kruising ontstaan in de F1 twee verschillende fenotypen.

In welke verhouding ontstaan deze twee fenotypen?

Genetica

2/3 Een monohybride kruising.

Indien de twee ouders niet in uiterlijk zouden verschillen, hoe wordt dan de fenotypenverhouding in de F1 ?

Genetica

3/3 Een monohybride kruising.

Indien wordt uitgegaan van het gestelde in de vorige vraag en er ontstaan drie verschillende fenotypen, hoe vindt dan de overerving plaats en in welke verhouding ontstaan de fenotypen?

Genetica

1/4 Brandnetels.

Gegeven een kruising van homozygote brandnetelvariëteiten: gezaagde bladranden x gave bladranden.

In de F1 zijn alle bladeren gezaagd. De F1 -planten worden onderling gekruist.

Welk gegeven kan hier als overbodig worden aangeduid?

Genetica

2/4 Brandnetels.

Welk genotype hebben de planten in de F1 ?

Genetica

3/4 Brandnetels.

Geef in een kruisingsschema de genotypen van de F2 .

Genetica

4/4 Brandnetels.

Welke fenotypen en in welke verhoudingen krijg je in de F2 ?

Genetica

1/4 Cavia's kruisen.

Gegeven een kruising van homozygote cavia's: mannetje met bruine vacht x vrouwtje met donkere vacht.

De F2 geeft 100 nakomelingen:

12 bruine mannetjes en 13 bruine vrouwtjes,
38 donkere mannetjes en 37 donkere vrouwtjes.

Welke gegevens zijn overbodig?

Genetica

2/4 Cavia's kruisen.

Welke haarkleur is dominant?

Genetica

3/4 Cavia's kruisen.

Welk fenotype heeft de F1 ?

Genetica

4/4 Cavia's kruisen.

Welke genotypen heeft de F2 ?

Genetica

1/5 Sleutelbloemen kruisen.

Gegeven een kruising van sleutelbloemen: korte bloemsteel x lange bloemsteel.

In de F1 zijn er 113 planten met een lange bloemsteel en 117 met een korte bloemsteel.
Een kruising A van 2 kortgesteelde planten onderling levert altijd kortgesteelde nakomelingen op.
Een kruising B van 2 langgesteelde planten leverde op: 187 langgesteelde en 61 kortgesteelde.

Hoe erft de eigenschap 'steellengte' over?

Genetica

2/5 Sleutelbloemen kruisen.

Zou kruising A of kruising B weggelaten kunnen worden in de gegevens?

Genetica

3/5 Sleutelbloemen kruisen.

Wat is het genotype van de ouderplanten?

Genetica

4/5 Sleutelbloemen kruisen.

Wat is het genotype van de F1 -planten?

Genetica

5/5 Sleutelbloemen kruisen.

Wat is het feno- en genotype van de kruising van 2 langgesteelde ouderplanten?

Genetica

1/3 Oogkleur.

Uit een ouderpaar met vader met bruine ogen en moeder met bruine ogen wordt een kind geboren met blauwe ogen.

Hoe erft de oogkleur over?

Genetica

2/3 Oogkleur.

Welke genotypen hebben deze ouders?

Genetica

3/3 Oogkleur.

Is er in dit gezin kans op kinderen met bruine ogen? Verklaar.

Genetica

1/2 Kortvingerigheid.

Kortvingerigheid erft bij de mens dominant.

Kan er uit een ouderpaar dat normale vingers heeft een kind met korte vingers worden geboren?

Genetica

2/2 Kortvingerigheid.

Kan er uit 2 ouders, die korte vingers hebben, een kind worden geboren dat lange vingers heeft? Verklaar.

Genetica

1/3 Schapen kruisen.

Albinisme is bij schapen recessief ten opzichte van zwart.

- kruising: zwart schaap x .........ram.

Het moederschaap krijgt in verschillende worpen in totaal 4 lammeren waarvan er 2 zwart zijn en 2 wit.

Welke kleur had de ram?

Genetica

2/3 Schapen kruisen.

Welk gegeven maakt de conclusie bij de vorige vraag erg onbetrouwbaar?

Genetica

3/3 Schapen kruisen.

Wat is het genotype van een wit schaap?

Genetica

1/2 Proeven.

Voor 81 leerlingen had een chemische stof (fenylthio-ureum) een bittere smaak; de overige 30 proefden geen bitterheid.
Vier niet-proevende leerlingen hadden ieder twee ouders die wel de bittere smaak konden proeven.
De proevende leerlingen hadden nooit twee niet-proevende ouders.

Hoe erft het kunnen proeven van de bittere stof over?

Genetica

1/2 Proeven.

Wat is het genotype van proevers en niet-proevers?

Genetica

Een tonggootje.
Zie figuur B 895 van de bijlage.

De meeste mensen kunnen met hun tong een gootje maken (zie de afbeelding), maar er zijn ook mensen die dat niet kunnen. Deze eigenschap is erfelijk bepaald.
Een heterozygote moeder die een gootje kan maken en een vader die dat niet kan krijgen een kind.

Hoe groot is de kans dat dit kind een gootje kan maken? De kans is [invulveld] %

afbeeldingafbeelding

Genetica

Bloemen.

De rode bloemkleur van een plantensoort erft dominant over en wordt door één gen R bepaald. Uit een kruising van twee roodbloeiende planten ontstaan rood- en witbloeiende planten.

Wat kan men hieruit concluderen?

Genetica

Diabetes.

Stel dat een erfelijke vorm van diabetes recessief overerft. Een man en een vrouw die zelf de ziekte niet hebben, krijgen een kind met diabetes.

Hoe groot is de kans dat hun volgende kind ook die ziekte zal hebben?

Genetica

Hemochromatose.

Het gen voor hemochromatose is autosomaal, recessief en komt veel voor bij mensen van Noord-Europese afkomst. Eén op de acht mensen is drager van het hemochromatose-gen. Eén op de honderdentachtig mensen bezit de aanleg voor deze aandoening en is homozygoot recessief; toch worden niet al deze mensen ziek.
De ziekte wordt gekenmerkt door een abnormaal verhoogde opname van ijzer uit het verteerde voedsel naar het bloed, met als gevolg ijzerstapeling in cellen van diverse weefsels. Bij hoge concentratie is ijzer giftig voor de cellen. Doordat de stapeling sluipend toeneemt, stijgt de kans op klachten en orgaanschade met de leeftijd. Meestal uiten de eerste symptomen zich na het veertigste levensjaar.

Over de ouders van een hemochromatose-patiënt worden drie uitspraken gedaan:

Uitspraak 1: Het kan zijn dat beide ouders van de patiënt lijden aan hemochromatose.
Uitspraak 2: Het kan zijn dat beide ouders van de patiënt drager zijn.
Uitspraak 3: Het kan zijn dat beide ouders van de patiënt niet lijden aan hemochromatose.

Welke van deze uitspraken is of welke zijn juist?

Genetica

Geplaagd door de wind.

Over de feiten rond flatulentie (het laten van winden) wordt niet gestreden. Het mechanisme is bekend: bepaalde sachariden kunnen in de dunne darm niet worden verteerd en worden uiteindelijk verderop, in de dikke darm, verteerd door bacteriën via een gistingsproces. Dat levert dagelijks zo'n 600 milliliter koolstofdioxide en waterstof op, dat het lichaam via de sluitspier verlaat gemiddeld 14 keer per etmaal. Behalve uit koolstofdioxide en waterstof bestaat de wind uit methaan, echter niet bij iedereen: één op de drie mensen bezit geen of onvoldoende bacteriën in de darm die methaan kunnen produceren. De oorzaak is erfelijk.

Stel dat flatulentie berust op een gen dat niet X-chromosomaal is.
Een man en een vrouw die allebei methaan kunnen produceren, krijgen een kind dat geen methaan vormt.

Hoe groot is dan de kans dat hun tweede kind eveneens 'methaanloos' door het leven zal gaan?