Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | HAVO 3/HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 9 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

9

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 3, HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

1/5 Magnetisme en gedrag.

Hoewel proeven veel duidelijkheid hebben verschaft over de bestemming van de trek van verschillende vogelsoorten, tasten wetenschappers nog in het duister over intrigerende vragen als: 'welke factoren bepalen precies het startschot voor de trek?' en 'hoeveel eten ze van tevoren?'
Een Zweedse onderzoeksgroep voerde een spectaculaire proef uit met Noordse nachtegalen. Zij wisten dat de uit Zweden vertrokken nachtegalen pauzeren in Noord-Egypte. Sterker nog: de vogels eten zich daar helemaal 'klem'. Dit 'opvetten' is broodnodig omdat ze nadien 1500 km over de Sahara vliegen om hun definitieve overwinteringplaats in Midden-Afrika te bereiken.
De Zweden vingen nachtegalen die op het punt stonden hun eerste trek naar het zuiden te ondernemen. De eerstejaars vogels werden in een kooi binnen vier magnetische spoelen geplaatst, waarmee zowel sterkte als richting van het magneetveld kon worden ingesteld. De controlegroep stond bloot aan het magneetveld van Zweden, terwijl de onderzoeksgroep geleidelijk werd blootgesteld aan de sterkte en de richting van het magneetveld zoals dat in Egypte heerst.
Het resultaat was opzienbarend. De vogels in het nagebootste Egyptische veld begonnen als bezeten te eten.
De onderzoekers noteerden binnen vier dagen een gemiddelde gewichtstoename van 3,5 gram per vogel. De controlegroep nam gemiddeld 1,1 gram per vogel in gewicht toe.

bewerkt naar: Ren Didde, 'Magnetisch veld geeft vogels trek ', de Volkskrant, 3 november 2001

Gedrag

2/5 Magnetisme en gedrag.

Uit welk gegeven in de tekst blijkt dat de gevoeligheid voor een magneetveld bij de vogels een erfelijke eigenschap is?

Gedrag

3/5 Magnetisme en gedrag.

Over het algemeen eten trekvogels niet al te grote hoeveelheden en vullen ze bij voorkeur na korte vliegafstanden de voorraad aan. Het aanleggen van grote vetreserves heeft voordelen maar de vogels worden er wel dik van.

Noem twee nadelen voor een trekvogel van het dik worden.

Gedrag

4/5 Magnetisme en gedrag.

Het artikel vermeldt dat de controlegroep werd blootgesteld aan het magneetveld van Zweden. Niet vermeld wordt of deze dieren daarbij tevens tussen magneetspoelen geplaatst werden.

Leg uit dat het voor een juiste proefuitvoering nodig is, de controlegroep tussen (niet werkende) magneetspoelen te plaatsen.

Gedrag

5/5 Magnetisme en gedrag.

De Nederlandse bioloog Wim Nuboer merkt op: "Het zou aardig zijn de proef te herhalen met magneetvelden die bij totaal andere plekken op aarde horen."

Geef een mogelijke hypothese die Nuboer in zijn hoofd had toen hij deze opmerking maakte.

Gedrag

1/4 Steltlopers hebben niet altijd dezelfde geur.
Zie figuur B 4377 en figuur B 4378 van de bijlage.

Alle vogels poetsen hun veren. Zij gebruiken hiervoor een wasachtige stof, die door de stuitklier afgescheiden wordt. Dit poetsgedrag leidt ertoe, dat het verenkleed waterafstotend wordt. Onderzoek aan steltlopers, zoals de Kanoetstrandloper, heeft echter aangetoond, dat de wasachtige stof verschillende functies kan hebben. Jeroen Reneerkens van het NIOZ toonde in 2002 aan, dat de samenstelling van de ‘stuitwas' niet het hele jaar dezelfde is.
Kanoetstrandlopers (zie de afbeelding B 4377) zijn steltlopers die in het Waddengebied overwinteren. In mei vliegen ze naar Groenland om daar een geschikte partner te vinden, te broeden en hun jongen groot te brengen.
Gedurende een groot deel van het jaar is de stuitwas olieachtig, vloeibaar, maar gedurende een korte periode kaarsvetachtig en dus stugger van structuur. Het kost meer energie om het kaarsvetachtige stuitvet te maken dan het olieachtige stuitvet en het kost ook meer energie om het kaarsvetachtige vet over het verenkleed te verdelen. Er is geen verschil in het vermogen om water af te stoten tussen de twee soorten stuitvet. Dan ligt de conclusie voor de hand, dat de vogels de kaarsvetachtige stuitwas alleen maar maken als ze die hard nodig hebben.

In het diagram in figuur B 4378 is weergegeven in welke perioden van het jaar deze twee vormen van stuitwas gemaakt worden.

Wat kan een verklaring zijn voor het feit dat de Kanoetstrandloper twee soorten stuitvet maakt? Baseer je antwoord op de afbeelding B 4378.




-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag

2/4 Steltlopers hebben niet altijd dezelfde geur.
Zie figuur B 4379 van de bijlage.

Behalve bij de Kanoetstrandloper heeft men van een aantal andere steltlopers de samenstelling van het stuitvet gedurende het jaar onderzocht. De resultaten zijn weergegeven in het diagram van de afbeelding.
De periode dat de steltlopers het kaarsvetachtige stuitvet maken, wordt door de onderbroken lijn weergegeven.

Welke relatie is er gezien de afbeelding en de vermelde informatie tussen het begintijdstip waarop de verschillende vogels het kaarsvetachtige stuitvet produceren en het zomer(broed)gebied van de verschillende vogels?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

3/4 Steltlopers hebben niet altijd dezelfde geur.

In 2005 deden de onderzoekers nog een onderzoek aan het stuitvet en ontdekten ze dat Kanoetstrandlopers stoffen met een verschillende geur produceren. In het experiment maakte men gebruik van een herdershond, die wattenstaafjes kreeg aangeboden. Sommige wattenstaafjes waren ingesmeerd met stuitwas, andere niet.
Iedere keer als de hond de ingesmeerde wattenstaafjes aanwees, kreeg hij een beloning.

Van welke vorm van leergedrag van de herdershond wordt hier gebruik gemaakt?

Gedrag

4/4 Steltlopers hebben niet altijd dezelfde geur.

Vervolgens kreeg de hond de twee vormen van stuitvet aangeboden. Na de training kon de hond een dosis van 1 mg strandloperwas probleemloos aanwijzen. Vervolgens experimenteerde men vier dagen met veel lagere doses, variërend van 0,24 tot 15,6 µgram (1 µg = 1/1000 mg). De hond kon bij deze lagere doses het olieachtige stuitvet altijd aanwijzen, het kaarsvetachtige stuitvet vrijwel nooit. Hoewel de laboratoriumomstandigheden niet identiek zijn aan de natuurlijke omstandigheden van de Kanoetstrandloper, kon men over de biologische betekenis van het produceren van kaarsvetachtig stuitvet van de Kanoetstrandloper in de broedtijd wel een hypothese opstellen.

Welke hypothese is dat?