Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 17

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Rust.

Een bepaalde struik leeft in een gebied met gemiddeld hoge jaartemperaturen, af en toe regen in de winter en het voorjaar, en kurkdroge zomers. Deze struik heeft een rustperiode.

In welke periode is deze struik in rust en waaruit kan dat blijken?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Rust.

Welke milieufactor veroorzaakt vooral een opgelegde rust bij zaden?

1/2Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Bieten.

Twee verschillende variëteiten bieten worden onderzocht: de snijbiet en de suikerbiet.
Over deze bietenvariëteiten is het volgende bekend:

1. Bladeren van de snijbiet vertonen een geringere fotosynthese per cm2 blad dan bladeren van de suikerbiet.
2. In de wortels van de snijbiet wordt een geringe hoeveelheid reservestoffen opgeslagen, in de wortels van de suikerbiet wordt een grote hoeveelheid reservestoffen opgeslagen.

In experiment 1 worden bladeren van een snijbiet geënt op een wortel van een suikerbiet.
De intensiteit van de fotosynthese in de bladeren van de snijbiet blijkt dan groter te zijn dan normaal.
In experiment 2 worden bladeren van een suikerbiet geënt op een wortel van een snijbiet.
De intensiteit van de fotosynthese in de bladeren van de suikerbiet blijkt dan kleiner te zijn dan normaal.

Ter verklaring van de beschreven resultaten worden twee beweringen gedaan:

1. De intensiteit van de fotosynthese in de bladeren van de snijbiet kan groter zijn dan normaal door opslag van fotosyntheseproducten in de bladeren.
2. De intensiteit van de fotosynthese in de bladeren van de snijbiet kan groter zijn dan normaal door afvoer van fotosyntheseproducten naar de wortel van de suikerbiet.

Welke van deze beweringen is of welke zijn in overeenstemming met de resultaten?




-

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Bieten.

Verandert het fenotype van de bladeren van een snijbiet wanneer deze worden geënt op de wortel van een suikerbiet?
En verandert het genotype?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Rozen.
Zie figuur B 1428 van de bijlage.

Wanneer een rode roos gaat bloeien, strekken zich de cellen in de bloemknop. Het gewicht van de bloem wordt daarbij 7 keer zo groot (zie de afbeelding). Om tegen te gaan dat rozen in de vaas voortijdig verwelken, voegt men vaak bepaalde stoffen toe aan het water waarin de rozen worden geplaatst. Eén van deze stoffen gaat de groei van bacteriën in het water tegen.
Microscopisch onderzoek heeft aangetoond dat bacteriën bepaalde delen van de stengel van een snijbloem kunnen verstoppen. Deze bacteriën dringen via het snijvlak de stengel binnen.

Welke stof levert de grootste bijdrage aan het grote gewicht van de bloem van de roos?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Rozen.

De cellen van de kroonbladeren van een roos verbruiken glucose. Glucose kan worden gevormd uit anorganische stoffen.

Wordt glucose uit anorganische stoffen gevormd in de kelkbladeren van een volledig ontwikkelde bloem van de roos?
En in de kroonbladeren van zo'n bloem?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Rozen.

Delen van de stengel van een roos zijn onder andere bastvaten, houtvaten en intercellulaire holten.

In welk deel vooral zal verstopping door bacteriën leiden tot verwelking van rozen?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/4 Zonnebloemen.

Op enkele akkers in Flevoland zijn proefvelden met zonnebloemen aangelegd.
In zuidelijke landen worden zonnebloemen veel geteeld vanwege de olie die uit de zaden kan worden gewonnen. In Nederland wil men zonnebloemen, net als snijmaïs, gebruiken als veevoer. Uit proeven moet nu blijken of zonnebloemen beter veevoer opleveren dan snijmaïs.

Welke stoffen komen in de zaden van zonnebloemen voor?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/4 Zonnebloemen.

Welke weefsels komen in de stengel van een zonnebloem voor?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/4 Zonnebloemen.

De olie in de zaden wordt gevormd uit stoffen die door de zonnebloemplant zijn opgenomen.

Hoe heet het proces waarbij deze olie wordt gevormd?

Plantenanatomie en -fysiologie

4/4 Zonnebloemen.

De olie in zaden van zonnebloemen bevat veel energie.

Waarvan is deze energie afkomstig?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Bekerplant.
Zie figuur B 461 van de bijlage.

Een bepaalde bekerplant vangt insecten in bekervormige bladeren.
De wandcellen van de beker produceren een vloeistof met enzymen. De gevangen insecten worden verteerd door deze enzymen en door rottingsbacteriën, die in de vloeistof van de beker leven. De producten van deze vertering worden door de plant en door de rottingsbacteriën
opgenomen. De bekerplant en de rottingsbacteriën hebben beide voordeel van dit samenlevingsverband. Door deze voedingswijze kunnen bekerplanten leven op een bodem die weinig van een bepaalde stof bevat. Deze stof wordt door de meeste planten met de wortels uit de bodem opgenomen.

Zullen door de bekerplant uit de bekers vooral moleculen aminozuur, moleculen chitine of moleculen eiwit worden opgenomen?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Bekerplant.
Zie figuur B 461 van de bijlage.

Een bepaalde bekerplant vangt insecten in bekervormige bladeren.
De wandcellen van de beker produceren een vloeistof met enzymen. De gevangen insecten worden verteerd door deze enzymen en door rottingsbacteriën, die in de vloeistof van de beker leven. De producten van deze vertering worden door de plant en door de rottingsbacteriën opgenomen. De bekerplant en de rottingsbacteriën hebben beide voordeel van dit samenlevingsverband. Door deze voedingswijze kunnen bekerplanten leven op een bodem die weinig van een bepaalde stof bevat. Deze stof wordt door de meeste planten met de wortels uit de bodem opgenomen.

Welke stof wordt bedoeld in de laatste twee zinnen van de inleiding?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Bekerplant.
Zie figuur B 461 van de bijlage.

Een bepaalde bekerplant vangt insecten in bekervormige bladeren.
De wandcellen van de beker produceren een vloeistof met enzymen. De gevangen insecten worden verteerd door deze enzymen en door rottingsbacteriën, die in de vloeistof van de beker leven. De producten van deze vertering worden door de plant en door de rottingsbacteriën opgenomen. De bekerplant en de rottingsbacteriën hebben beide voordeel van dit samenlevingsverband. Door deze voedingswijze kunnen bekerplanten leven op een bodem die weinig van een bepaalde stof bevat. Deze stof wordt door de meeste planten met de wortels uit de bodem opgenomen.

Nemen de bacteriën uit de vloeistof in de beker alleen anorganische stoffen, alleen organische stoffen of beide typen stoffen op?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Meeldauw.

Meeldauw is een verzamelnaam voor een groep schimmels die op planten parasiteert. Er wordt onderscheid gemaakt tussen valse meeldauw en echte meeldauw. Beide typen kunnen op bladeren van de druif voorkomen.
Tot de valse meeldauw behoren soorten die met myceliumdraden de plant via de huidmondjes binnendringen en zich tussen de cellen uitbreiden. Voor de voortplanting en verspreiding vormen ze sporenkapsels, die via de huidmondjes naar buiten steken.
De meeste echte meeldauwsoorten dringen met myceliumdraden op verschillende plaatsen alleen de opperhuid van een plant binnen. Daar onttrekken ze stoffen aan de cellen.

Nemen de myceliumdraden van de echte meeldauw organische stoffen op uit het druivenblad?
En water en zouten?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Meeldauw.

Kunnen de beschreven echte meeldauwsoorten alleen maar voorkomen op de bovenkant, alleen maar op de onderkant of op beide kanten van een druivenblad?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Meeldauw.

Waar dringt valse meeldauw een druivenblad vooral binnen?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/4 Parasitaire planten.
Zie figuur C 481 van de bijlage.

Maretak en duivelsnaaigaren zijn plantensoorten die, om te kunnen leven, aangewezen zijn op andere planten. Ze leven op een andere plant en onttrekken daaraan stoffen.
De maretak leeft onder andere op populieren en appelbomen en onttrekt daaraan water en zouten. De maretak bezit bladgroen en heeft houtige stengels. De plant kan jaren oud worden.
Duivelsnaaigaren is een éénjarige plant die geen bladgroen bevat en die onder andere leeft op en van brandnetels en heideplanten. Hieraan worden water, zouten en assimilatieproducten onttrokken.

Kan de maretak zelf organische stoffen produceren of is dat niet uit de gegevens af te leiden?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/4 Parasitaire planten.

Uit welke vaten van de brandnetel haalt het duivelsnaaigaren de noodzakelijke stoffen?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/4 Parasitaire planten.

Is duivelsnaaigaren autotroof of heterotroof of is dit niet te zeggen?