Evolutie
1/3 Evolutie.
Hoe wordt het ontstaan van leven uit levenloze materie genoemd?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
1/3 Evolutie.
Hoe wordt het ontstaan van leven uit levenloze materie genoemd?
2/3 Evolutie.
Uit welke vier stoffen zijn in de oeratmosfeer waarschijnlijk organische verbindingen ontstaan?
3/3 Evolutie.
Hoe heet de oplossing met organische verbindingen waarin waarschijnlijk de eerste vormen van leven zijn ontstaan?
Neo-darwinistische evolutietheorie.
Leg uit hoe de evolutie van de paardachtigen past in de neo-darwinistische evolutietheorie.
1/3 Evolutie.
Volgens Darwin is evolutie het gevolg van bepaalde factoren.
Welke factoren zijn dat en leg hun invloed uit.
2/3 Evolutie.
Welke eilandengroep heeft op zijn denken een grote invloed gehad?
3/3 Evolutie.
Hoe kwam hij daar op zijn ideeën?
1/3 De vroege evolutie van het leven.
Tekst:
Over het ontstaan van leven op aarde zijn diverse theorieën. Een daarvan is de volgende: De aarde is ongeveer 4,5 miljard jaar oud. Aanvankelijk zag de atmosfeer er heel anders uit dan nu het geval is. In de dampkring zaten waarschijnlijk methaan, waterstof, water(damp) en ammoniak. Bliksem en ultraviolette straling waren toen veel intenser dan tegenwoordig. Onder deze omstandigheden vormden zich organische stoffen. Die verzamelden zich in de oceanen en vormden de zogenaamde "oersoep". Zo'n 3,5 miljard jaar geleden ontstonden in deze oersoep de eerste levende cellen. Doordat op dat moment de atmosfeer nog heel anders samengesteld was, konden gistingsprocessen de voor het even van deze cellen noodzakelijke energie leveren. Vrijwel tegelijk met de ontwikkeling van de eerste organismen verminderde de spontane vorming van organische stoffen buiten de cellen.
Later ontstonden lichtabsorberende pigmenten die in staat waren zonlicht om te zetten in chemisch gebonden energie. 2,5 Miljard jaar geleden was fotosynthese al zo belangrijk geworden dat hierdoor voldoende organisch materiaal geproduceerd werd om een toename van alle organismen die geen lichtabsorberende pigmenten bezaten, mogelijk te maken.
bron: Scharf Weber, Stoffwechselphysiologie p. 7; Campbell Biology p. 487-489 en p. 507
Over de eerste levende cellen die op aarde ontstonden is niet veel bekend.
Als de bovenstaande theorie juist is, is uit de tekst af te leiden of de eerste cellen autotroof dan wel heterotroof waren en of hun dissimilatie aëroob of anaëroob plaatsvond.
Wat is de meest aannemelijke combinatie?
-
2/3 De vroege evolutie van het leven.
Zie figuur B 2774 van de bijlage.
3,5 Miljard jaar geleden werden de organismen op aarde geconfronteerd met een eerste 'energiecrisis'. Deze werd veroorzaakt doordat er langzamerhand een verandering optrad in de manier waarop organische stoffen geproduceerd werden.
Tijdens een presentatie wordt deze energiecrisis toegelicht met een grafiek.
Schets in dit assenstelsel op de bijlage B 2774 een grafiek waarin je op basis van de gegevens in tekst hierboven het mogelijke verloop weergeeft van de totale hoeveelheid organische stof die van 4,5 miljard tot 1,5 miljard jaar geleden op aarde voorkwam.
afbeelding
3/3 De vroege evolutie van het leven.
Een wetenschappelijk artikel beschrijft de situatie op aarde, in de periode van 3,5 tot 2,5 miljard jaar geleden, als volgt:
"Er ontstond een selectiedruk ten gunste van autotrofe organismen".
Waardoor ontstond deze selectiedruk vooral?
1/3 Eilanden en evolutie.
Zie figuur A 748 van de bijlage.
Eilanden worden wel eens de ‘laboratoria van de evolutie' genoemd, omdat daar soortvormingsprocessen voortdurend zichtbaar worden. In dit verband wordt onder een eiland verstaan een gebied dat voor bepaalde soorten geïsoleerd ligt ten opzichte van overeenkomstige andere gebieden. Voorbeelden van dit soort gebieden van Afrika zijn: de eilanden Annobon, São Tomé, Principe en Fernando Poo en het geïsoleerde berggebied Mount Cameroon (zie de afbeelding).
In deze vijf gebieden voorspelde men het aantal soorten broedende landvogels met behulp van een model waarin drie omgevingsfactoren verwerkt waren:
X1
; het oppervlak van het gebied;
X2
: het hoogteverschil in het gebied;
X3
: de afstand van het gebied tot een gebied waar de dichtstbijzijnde populaties van de vogelsoorten leefden.
Vervolgens werden de werkelijke aantallen soorten bepaald.
Zie voor de voorspellingen en de werkelijke aantallen de afbeelding A 749.
Leg uit dat dit model niet bruikbaar is voor zeevogels.
afbeelding
afbeelding
2/3 Eilanden en evolutie.
Mount Cameroon is een berg met daarop een vegetatie die ‘bergbos' wordt genoemd. Deze berg ligt midden in het laagland, maar kan in bepaalde opzichten als een eiland worden beschouwd.
Leg uit dat voor broedvogels in het bergbos op Mount Cameroon dit gebied als eiland kan worden beschouwd.
3/3 Eilanden en evolutie.
Als enkele individuen van een roofdiersoort zich vestigen op een klein eiland met een overvloed aan voedsel, ontstaat van deze soort meestal toch geen levensvatbare populatie.
Leg dit uit.
1/3 Evolutie op het eiland Sri Lanka.
Zie figuur B 3751 van de bijlage.
Op het eiland Sri Lanka, ten zuiden van de Zuidoostkust van India, komen veel endemische soorten en rassen voor. Dat zijn groepen die nergens anders ter wereld worden gevonden. Het eiland is grofweg verdeeld in drie ecologisch verschillende gebieden., zie figuur B 3752 van de bijlage.
Een voorbeeld van een endemisch ras is de kuifdrongo (Dissemurus paradiseus lophorinus). Deze vogel wordt gevonden in het vochtige laagland. In het droge laagland leeft de racketstaartdrongo (Dissemurus paradiseus ceylonensis), die ook veel voorkomt in Coromandel op het Indiase continent.
Door menselijk ingrijpen verdwijnt langzaam het vochtige laagland. De scheiding tussen het leefgebied van beide drongorassen is daardoor minder sterk geworden. De afgelopen jaren kwamen de vogels van beide rassen herhaaldelijk in elkaars leefgebied en kregen samen nakomelingen.
Is te verwachten dat deze nakomelingen onderling vruchtbaar zijn? Leg je antwoord uit.
afbeelding
afbeelding
2/3 Evolutie op het eiland Sri Lanka.
Leg uit hoe volgens de evolutietheorie de verdeling in twee rassen op Sri Lanka is ontstaan, waarbij je ervan uitgaat dat er sprake is van een oorspronkelijke kolonisatie vanuit Coromandel op het vasteland van India.
3/3 Evolutie op het eiland Sri Lanka.
Niet alleen drongo's, maar ook veel andere dieren hebben Sri Lanka gekoloniseerd vanuit India, toen het eiland bij een lagere zeespiegel via een 'landbrug' verbonden was met het continent. Opvallend is dat sommige zoogdieren wel zijn geslaagd in die kolonisatie (zoals lippenbeer en luipaard), maar andere niet (zoals tijger en hyena).
Blijkbaar hoeft de aanwezigheid van een 'landbrug' niet te betekenen dat elke zoogdiersoort die op een eiland zou kunnen leven, dat eiland ook echt bereikt.
Noem een mogelijke oorzaak voor het verschijnsel dat de tijger er niet in is geslaagd de strook land die zich tussen India en Sri Lanka bevond te passeren en dus niet op het eiland voorkomt, terwijl de omstandigheden op het eiland wel geschikt zijn voor deze diersoort.
1/2 Ontstaan van leven.
Zie figuur B 5662 van de bijlage.
Volgens de Zweedse chemicus Svante Arrhenius (1859-1927) bezitten sommige organismen eigenschappen die ze niet door natuurlijke selectie in een aardse omgeving gekregen kunnen hebben. Hij noemde als voorbeeld plantenzaden die geruime tijd blootgesteld werden aan temperaturen dichtbij het absolute nulpunt (-273 °Celsius) en toch hun kiemkracht behielden.
In welke theorie is het essentieel dat eigenschappen van organismen zich ontwikkelen door natuurlijke selectie?
afbeelding
2/2 Ontstaan van leven.
Arrhenius veronderstelde dat het leven op aarde is ontstaan doordat levende organismen vanuit de ruimte de aarde bereikt hebben.
Noem een andere veronderstelling over de oorsprong van de levende organismen behalve de ontwikkeling m.b.v. natuurlijke selectie en die van Arrhenius.
Stellingen over evolutie.
Zijn onderstaande stellingen over evolutie juist of onjuist?
I. Als het milieu verandert, passen organismen zich aan.
II. Veranderingen die een dier tijdens zijn leven ondergaat, kan hij doorgeven aan de jongen.
Eendenmossels.
Lees de tekst hieronder.
afbeelding
Hoe noemt men de beschreven ontwikkeling van ganzen uit eendenmossels?