Oefentoets Biologie: Dna-rna - eiwitsynthese | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

DNA-RNA-eiwitsynthese

Actieve genen zichtbaar maken.

Met een bepaalde kleurmethode kunnen we in een preparaat van de reuze-chromosomen uit de speekselklieren van een insect de actieve genen zichtbaar maken als donkere banden. We moeten hiervoor een kleurstof kiezen die zich hecht aan

DNA-RNA-eiwitsynthese

Stellingen over RNA- en DNA-moleculen.

Twee stellingen over RNA- en DNA-moleculen. Welke zijn juist of fout.

I. Alle RNA-moleculen worden in het cytoplasma gevormd.
II. Indien een DNA-molecuul worden gekleurd met een kleurstof die speciaal op RNA reageert, ontstaan in het DNA-molecuul gekleurde banden op de plaatsen waar actieve genen liggen.

DNA-RNA-eiwitsynthese

Receptor-eiwit.
Zie figuur A 274 van de bijlage.

Uit biochemisch onderzoek is gebleken dat een cel alleen maar op een bepaald geslachtshormoon kan reageren, als zich in de cel een receptor bevindt voor dat hormoon. In dit geval is de receptor een eiwit dat zich in het cytoplasma van de cel bevindt.
De geslachtshormoonmoleculen komen via het celmembraan vanuit de weefselvloeistof de cel binnen.
Bevat de cel geen receptoreiwit voor het hormoon dan verdwijnt het hormoon weer uit de cel. Bevat de cel wèl een receptor-eiwit dan treedt een binding op tussen het hormoon en het receptor-eiwit.
Het receptor-eiwit wordt daardoor geactiveerd en de receptor verandert van vorm. Het geactiveerde hormoon-receptor-complex verplaatst zich naar de kern. Daar bindt het zich aan een bepaalde plaats van het DNA in de celkern. Het gevolg daarvan is dat eiwitsynthese op gang komt. Dit proces is weergegeven in de afbeelding.
Voor ieder type geslachtshormoon bestaat een aparte receptor.
Als de cellen van een weefsel geen receptoren bevatten voor een bepaald type geslachtshormoon, dan heeft dit type hormoon geen invloed op dit weefsel.
De receptor voor oestradiol komt in hoge concentraties voor in cellen van het baarmoederslijmvlies.

Wat is het directe gevolg van de binding van het hormoonreceptor-complex aan het DNA?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

Transcriptie.

Onder transcriptie wordt verstaan

DNA-RNA-eiwitsynthese

Twee stellingen over RNA- en DNA-moleculen.

Twee stellingen over RNA- en DNA-moleculen. Welke zijn juist of fout.

I. Het veranderen van één base in DNA leidt altijd tot de vorming van verkeerde eiwitten.

II. Een mRNA-molecuul is altijd korter dan het bijbehorende DNA-molecuul waaruit het is ontstaan, omdat bij het maken van RNA bepaalde stukken van het DNA-gen worden overgeslagen als 'nonsens'.

DNA-RNA-eiwitsynthese

Twee tabak-mozaïek virus stammen.

Er zijn 2 virussen, TMV1 en TMV2, (tabak-mozaïek virus stammen), waarvan men een nieuw virus kan maken door het nucleïnezuur van TMV1 en de eiwitmantel van TMV2 samen te voegen. Wanneer men dit nieuwe virus bij een levende cel brengt ontstaan daardoor nieuwe virusdeeltjes met

DNA-RNA-eiwitsynthese

10 termen over DNA-RNA-eiwitsynthese.

Geef een omschrijving voor de volgende termen:

1. nonsens-DNA,
2. nonsens-triplet,
3. duplicatie,
4. transscriptie,
5. transformatie,
6. translatie,
7. histonen, Zie verder onder
8. DNA-polymerase,
9. primase,
10. capside.

DNA-RNA-eiwitsynthese

Spermatogenese.
Zie figuur A 363, figuur A 364 en figuur B 1816 van de bijlage.

In de afbeeldingen A 363 en A 364 zijn in een schema de fasen in de spermatogenese bij de mens weergegeven.
De hoeveelheid DNA per kern tijdens de spermatogenese wordt bepaald.

Zie figuur B 1816 van de bijlage.

In de figuur is een assenstelsel getekend waarin de hoeveelheid DNA per kern is afgezet tegen de fasen in de spermatogenese. Het verloop in fase 1 en in het begin van fase 2 is gegeven.

Teken in dit assenstelsel met een getrokken lijn het verloop van de hoeveelheid DNA per kern gedurende de fasen van de bovenstaande spermatogenese.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/2 Caseïne van een schaap en een koe.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Bij de vorming van mRNA wordt één van de draden van het DNA gebruikt als matrijs (voorbeeld). Deze draad heet dan de 'template-streng. De nucleotiden-volgorde van de stukken DNA die respectievelijk coderen voor het caseïnemolecuul (caseïne = melkeiwit) van een schaap en dat van een koe, zijn bekend. Hieronder is een deel van de template-streng van de stukken DNA, die coderen voor respectievelijk caseïne van een schaap en een koe, weergegeven.
afbeeldingafbeelding

Noem van zowel het schaap als de koe de aminozuren die verschillend zijn in de stukjes caseïne die door deze DNA-fragmenten worden gecodeerd.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/2 Caseïne van een schaap en een koe.
Zie figuur A 5 van de bijlage.

Bij de vorming van mRNA wordt één van de draden van het DNA gebruikt als matrijs. Deze draad heet dan de 'template-streng. De nucleotiden-volgorde van de stukken DNA die respectievelijk coderen voor het casëinemolecuul (caseïne = melkeiwit) van een schaap en dat van een koe, zijn bekend. Hieronder is een deel van de template-streng van de stukken DNA, die coderen voor respectievelijk caseïne van een schaap en een koe, weergegeven.
afbeeldingafbeelding

De verschillen in de twee DNA-fragmenten zijn groter dan de verschillen in de primaire structuur van de twee caseïne-stukjes.

Hoe komt dat?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

Energierijke fosfaatbindingen en nucleotiden in het DNA.

Leg het verband uit tussen energierijke fosfaatbindingen en nucleotiden in het DNA.

DNA-RNA-eiwitsynthese

Semi-conservatieve duplicatie van DNA.

Leg uit hoe men er door middel van isotopenonderzoek achter is gekomen dat de duplicatie van DNA semi-conservatief is.

DNA-RNA-eiwitsynthese

DNA-identificatie.

Geef vier toepassingen van de mogelijkheid om iemands DNA te identificeren en leg kort uit.

DNA-RNA-eiwitsynthese

Basenvolgorde in het stukje RNA.
Zie figuur B 2000 van de bijlage.

In de afbeelding is een deel van een DNA-molecuul weergegeven.
Bij de transcriptie wordt met behulp van een enzym (RNA-polymerase) een deel van één DNA-keten in de richting van 3'-eind naar 5'-eind overgeschreven.
Ook RNA-moleculen hebben een 3'-eind en een 5'-eind. Aan het RNA-molecuul dat bij de transcriptie ontstaat, wordt steeds aan het 3'-eind een nieuw nucleotide toegevoegd.
RNA-polymerase verplaatst zich van links naar rechts over het DNA-deel dat in de afbeelding is weergegeven.

Wat is de basenvolgorde in het stukje RNA dat door RNA-polymerase wordt gevormd?
Geef het 3'-eind en het 5'-eind aan.

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

DNA van een virus en een mens.

Analyse van het DNA van een bepaald virus levert de volgende gegevens met betrekking tot de basensamenstelling op:

cytosine - 19%,
adenine - 25%,
thymine - 33%,
guanine - 23%

Vergelijk die gegevens met die van de bouw van DNA van de mens.

Leg uit dat je met behulp van deze gegevens kunt concluderen welk verschil bestaat tussen de bouw van het DNA van het virus en dat van de mens. Vermeld het verschil.

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/3 B-lymfocyten.
Zie figuur B 1273 van de bijlage.

Van een bepaalde persoon (P) bevatten de B-lymfocyten in hun celmembranen eiwitten die door B-lymfocyten van een andere persoon (Q) als antigeen worden herkend.
De delingsactiviteit van de B-lymfocyten van Q werd in twee situaties bestudeerd.

- In situatie 1 werden B-lymfocyten van Q samengevoegd met B-lymfocyten van P die zodanig waren behandeld, dat ze konden delen.
- In situatie 2 werden B-lymfocyten van Q bestudeerd in afwezigheid van B-lymfocyten van P; dit is een controle op situatie 1.

De B-lymfocyten werden steeds gekweekt in een medium waaraan gelabeld thymidine (het nucleotide van thymine) was toegevoegd. Gelabeld thymidine bevat een radioactief atoom.
Gedurende 13 dagen werd in beide situaties gemeten hoeveel gelabeld thymidine uit het medium door de B-lymfocyten werd opgenomen. De resultaten zijn weergegeven in de afbeelding.
Twee processen zijn DNA-productie en RNA-productie.

Voor welk of voor welke van deze processen is de per dag opgenomen thymidine een maat?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

2/3 B-lymfocyten.

Leg uit waarom de B-lymfocyten van P zodanig zijn behandeld dat ze niet kunnen delen.

DNA-RNA-eiwitsynthese

3/3 B-lymfocyten.
Zie figuur B 1274 van de bijlage.

Op dag 14 na het begin van het experiment werden er opnieuw behandelde B-lymfocyten van P aan de kweek toegevoegd. De resultaten van deze toevoeging zijn weergegeven in de afbeelding B 1274.
Opname van thymidine blijkt nu sneller op gang te komen dan na de eerste toevoeging van B-lymfocyten. Hierover worden drie beweringen gedaan:

1. Er zijn inmiddels B-lymfocyten aanwezig die gespecialiseerd zijn in productie van de desbetreffende antistoffen.
2. De opname van thymidine na de tweede toevoeging is het gevolg van antistofvorming tegen andere antigenen dan na de eerste toevoeging.
3. De snelheid waarmee elke B-lymfocyt thymidine inbouwt, neemt gedurende het experiment toe.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

DNA-RNA-eiwitsynthese

1/3 Ribosomen, plaats en functie.
Zie figuur B 1272 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een doorsnede van een cel getekend. Drie delen zijn aangegeven met P, Q en R.

Bij welke letter bevinden zich ribosomen?
Wat is de functie van ribosomen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding