Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose-diffusie

1/4 Een practicum met aardappel- en bietenstaafjes.
Zie figuur B 7113 van de bijlage.

Een leerling snijdt uit één aardappel zes staafjes. De staafjes zijn allemaal even lang. Hij doet de aardappel staafjes in reageerbuizen met gelijke hoeveelheden suikeroplossing van verschillende concentratie. Daarna snijdt hij zes staafjes uit één rode biet. De bietenstaafjes worden eveneens in reageerbuizen gedaan, die dezelfde hoeveelheden van dezelfde suikeroplossingen hebben als in het experiment met de aardappelstaafjes.
In de tabel wordt aangegeven welke suikerconcentraties gebruikt worden, hoe lang de aardappel- en bietenstaafjes zijn vóór het experiment en hoe lang de aardappelen bietenstaafjes zijn nadat zij 24 uur in de verschillende suikeroplossingen hebben gelegen.

Noteer in de tabel (zie hiernaast) op de uitwerkbijlage de berekende procentuele toe- en afnames.

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/4 Een practicum met aardappel- en bietenstaafjes.
Zie figuur A 866 van de bijlage.

Teken in het assenstelsel op de uitwerkbijlage een grafiek waarin je de procentuele lengteverandering van de aardappelstaafjes en van de bietenstaafjes, ten gevolge van hun verblijf in oplossingen van verschillende concentraties, weergeeft. Geef nauwkeurig aan welke grootheden je op de X-as uitzet.

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

3/4 Een practicum met aardappel- en bietenstaafjes.

Voordat de staafjes in de verschillende oplossingen worden gelegd, hebben de cellen van de aardappel en de rode biet een bepaalde osmotische waarde.

Van welk van beide hebben de cellen, voordat de staafjes in de suikeroplossingen worden gelegd, de hoogste osmotische waarde?

Osmose-diffusie

4/4 Een practicum met aardappel- en bietenstaafjes.

In de getekende grafieken kun je argumenten vinden waarmee je kunt uitleggen welk weefsel bij het begin van het experiment de hoogste osmotische waarde had.

Geef één van deze argumenten.

Osmose-diffusie

1/3 Zoutplanten.
Zie figuur B 2523 van de bijlage.

Er zijn landplanten die in een zout milieu leven. Zulke planten kunnen op verschillende wijzen aan het zoute milieu zijn aangepast. Een voorbeeld van een zoutplant (Zeekraal) is weergegeven in de afbeelding.
Bij deze zoutplanten is de zoutconcentratie in de omgeving van de wortels erg hoog. Alle planten vertonen een selectieve opname van zouten in de wortels. Selectieve opname betekent dat zouten in verschillende verhoudingen in de plant worden opgenomen. Door de hoge concentratie zouten rondom de wortels van zoutplanten dringt echter toch veel zout de cellen van de plant binnen. De zoutplant kan dan zouten opslaan in de vacuolen van cellen. Wanneer de concentratie van zouten in de vacuolen echter zeer hoog wordt, gaan zulke cellen dood.

Drie gebeurtenissen die in zeekraalplanten plaatsvinden, zijn:

1. zouten komen het cytoplasma van cellen binnen,
2. zouten gaan het cytoplasma van cellen uit,
3. zouten gaan de vacuolen van cellen binnen.

Bij welke van deze gebeurtenissen kan actief transport een rol spelen?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/3 Zoutplanten.

Van een stukje van een zeekraalplant met levende cellen die zouten in de vacuolen hebben opgeslagen, wordt een microscopisch preparaat gemaakt in gedestilleerd water.

Zal daardoor de turgor van deze cellen kleiner worden, gelijk blijven of groter worden?

Osmose-diffusie

3/3 Zoutplanten.

Sommige soorten zoutplanten hebben een dichte beharing op de bladeren. In deze haren worden ook zouten opgeslagen.

Welke functie kan deze beharing nog meer hebben?

Osmose-diffusie

1/2 Experimenten.

Leerlingen kregen als onderdeel van het examendossier de opdracht om zelf een experiment over osmose te ontwikkelen. Hieronder staan twee van die experimenten.
Leerling 1 weet dat een kippenei uit één cel bestaat. Onder de kalkschaal bevinden zich twee vliezen. Deze vliezen werken als een semi-permeabel membraan. Leerling 1 weet ook dat de osmotische waarde van kippenbloed ongeveer gelijk is aan een 0,9% NaCl-oplossing (= keukenzoutoplossing). Leerling 1 neemt twee eieren zonder kalkschaal; die heeft hij voorzichtig (met zoutzuur) verwijderd. Ei 1 wordt daarna in een 10% NaCl-oplossing gelegd en ei 2 in zuiver leidingwater.
Na een dag is het volume van beide eieren veranderd.

Welke veranderingen hebben er plaatsgevonden?

Osmose-diffusie

2/2 Experimenten.

Leerling 2 heeft gezien dat mensen die in het voorjaar hun gazon eens extra willen 'verwennen' met veel kunstmest, daarmee niet het bedoelde resultaat bereiken. Waar te veel kunstmest gestrooid wordt, sterft het gras. Leerling 2 dient bij de schoolleiding een verzoek in om het gazon achter de school te mogen voorzien van een 'bio-graffiti', zoals hij dat noemt. Met behulp van enkele kilo's kunstmest wil hij een afbeelding in het gazon laten ontstaan.

Leg uit hoe door het strooien van kunstmest in het gazon door osmose een 'bio-graffiti' kan ontstaan.

Osmose-diffusie

1/2 Een osmosepracticum.

Osmoseproeven kun je doen met verschillende stoffen. Voorbeelden van dergelijke stoffen zijn: keukenzout (NaCl), glucose en eiwit. De moleculen van deze stoffen verschillen aanzienlijk in grootte. NaCl-moleculen zijn erg klein, suikermoleculen zijn groter en eiwitmoleculen zijn nog veel groter.
Een leerling maakt een geconcentreerde 'oplossing' van bakkersgist in water (een zogenoemde gistsuspensie) en mengt deze met de drie genoemde stoffen en met water.
In reageerbuis P mengt hij 20 gram gistsuspensie met 1 gram keukenzout.
In reageerbuis Q mengt hij 20 gram gistsuspensie met 1 gram suiker.
In reageerbuis R mengt hij 20 gram gistsuspensie met 1 gram eiwit.
In reageerbuis S mengt hij 20 gram gistsuspensie met 1 ml water.

In welke reageerbuis zal het meeste water aan de gistcellen onttrokken worden?

Osmose-diffusie

2/2 Een osmosepracticum.

Leerlingen onderzoeken in welke mate plantaardige en dierlijke cellen bestand zijn tegen een zeer geconcentreerde zoutoplossing en tegen gedestilleerd water. Zij voeren de volgende experimenten uit:

experiment 1: 20 gram intact bladweefsel van soort Z wordt toegevoegd aan 100 ml gedestilleerd water;
experiment 2: 20 gram intact bladweefsel van soort Z wordt toegevoegd aan 100 ml 30% NaCl-oplossing;
experiment 3: 20 gram intact leverweefsel van soort W wordt toegevoegd aan 100 ml gedestilleerd water;
experiment 4: 20 gram intact leverweefsel van soort W wordt toegevoegd aan 100 ml 30% NaCl-oplossing

De cellen in experiment 1 zijn na een dag nog in leven en die in experiment 3 niet. Leg dat uit.
Cellen in de experimenten 2 en 4 sterven na korte tijd in de oplossing af. Leg ook dat uit.

Osmose

Bacteriën & houdbaarheid van de etenswaren.

Door inzouten van bijvoorbeeld vlees en groenten worden groei en vermeerdering van bacteriën en schimmels tegengegaan. Hierdoor wordt de houdbaarheid van de etenswaren vergroot.

Waardoor worden groei en vermeerdering van bacteriën in dit geval tegengegaan?

Osmose

Rode bloedcel van een kikker.
Zie figuur B 95 van de bijlage.

Een rode bloedcel van een kikker bevindt zich in een bepaalde oplossing en ziet er dan uit zoals in figuur 1 is weergegeven. Na toevoeging van een stof aan deze oplossing treedt er een duidelijke vormverandering op (zie figuur 2).

Welke stof zal dit geweest zijn?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Osmose bij kreeften.

Bij de kreeftachtigen worden soorten aangetroffen die in zoet water leven en soorten die in zout water leven.
Deze kreeftachtigen hebben kieuwen die in direct contact staan met het water van hun milieu.
De concentratie van opgeloste stoffen in zoet water is kleiner dan die in de weefselvloeistof van de zoetwater dieren. De concentratie van opgeloste stoffen in zout water is groter dan die in de weefselvloeistof van de zoutwaterdieren.
Een zoetwater-kreeftachtige en een zoutwater-kreeftachtige bevinden zich ieder in hun normale milieu.

Dringt bij het zoetwaterdier door osmose water de weefselvloeistof binnen of wordt door osmose water aan de weefselvloeistof onttrokken?
En bij het zoutwaterdier?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een Strandkrab.
Zie figuur B 433 van de bijlage.

Het zeewater in de Noordzee heeft een zoutgehalte van ongeveer 3%. Bij riviermondingen is het zoutgehalte veel lager.
Bij de Strandkrab is het zoutgehalte van het bloed afhankelijk van het zoutgehalte van het water waarin het dier leeft. Deze relatie is door de getrokken lijn weergegeven in het diagram. Door actieve zoutopname via de kieuwen kan het dier binnen bepaalde grenzen het zoutgehalte van het bloed regelen.
De onderbroken lijn in het diagram geeft het verband weer tussen het zoutgehalte van het water en van het bloed van dieren die hun zoutgehalte niet kunnen regelen.
In het diagram zijn drie zoutgehaltes aangegeven met P, Q en R.

Bij welk of bij welke van deze zoutgehaltes zal de Strandkrab via de kieuwen actief zout uit het water opnemen?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Waterverlies van zeedieren.
Zie figuur C 13 van de bijlage.

Van drie in zee levende diersoorten: doornhaai, kabeljauw en soepschildpad, en van de aan zoet water gebonden groene kikker worden de concentraties van opgeloste deeltjes in het bloed gemeten. De resultaten zijn weergegeven in het diagram. In dit diagram zijn ook de concentraties van opgeloste deeltjes in zeewater en zoet water aangegeven.

Welk dier zal in zijn natuurlijk milieu onder water via de huid en de ademhalingsorganen in verhouding tot het lichaamsgewicht het grootste waterverlies hebben?

afbeeldingafbeelding

Osmose

In een sloot levende pantoffeldiertjes.

In een sloot leven pantoffeldiertjes die in hun cytoplasma een hogere concentratie aan opgeloste stoffen hebben dan het slootwater. Door een kloppende vacuole wordt met een bepaalde frequentie overtollig water uit de pantoffeldiertjes verwijderd.
Op een bepaalde dag wordt een grote hoeveelheid water uit de sloot gepompt, zodat er nog maar een klein laagje water, met daarin pantoffeldiertjes, achterblijft. (situatie 1).
De volgende dag komt er kunstmest in de sloot terecht dat in het slootwater oplost (situatie 2); hierdoor verandert de frequentie van de kloppende vacuole van de pantoffeldiertjes.

Zal in situatie 1 de frequentie van de kloppende vacuole zijn veranderd of gelijk zijn gebleven?
Zal in situatie 2 de frequentie van de kloppende vacuole zijn toegenomen of zijn afgenomen?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Amoeben in slootwater.

Amoeben zijn eencellige diertjes die onder andere in slootwater leven.
Bij deze diertjes komen 'kloppende vacuolen' voor. Hiermee wordt overtollig water naar buiten gepompt.
Er wordt een experiment uitgevoerd, waarbij een aantal uit slootwater afkomstige amoeben in zeewater wordt gelegd en een aantal in gedestilleerd water.
Eén van beide groepen amoeben verliest door osmose water.

Welke groep is dat?
Bij welke groep amoeben zal een kloppende vacuole aanwezig zijn die met hoge frequentie samentrekt?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Amoeben in gedestilleerd water of zeewater.

Amoeben zijn eencellige diertjes die onder andere in slootwater leven. Bij deze diertjes komen 'kloppende vacuolen' voor. Hiermee wordt overtollig water naar buiten gepompt.
Er wordt een experiment uitgevoerd waarbij een aantal uit slootwater afkomstige amoeben in zeewater worden gelegd en een aantal in gedestilleerd water. Eén van beide groepen amoeben verliest door osmose water.

Welke groep is dat?
Bij welke groep amoeben zullen kloppende vacuolen aanwezig zijn die met hoge frequentie samentrekken?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een vis, die zowel in rivier- als in zeewater kan leven.

Van een vis die zowel in rivier- als in zeewater kan leven, meten we de urineproductie.

De hoeveelheid water die de vis uitscheidt als hij in zeewater zwemt, zal