Oefentoets Biologie: Voortplanting | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

Meiotische deling bij de lelie.

De eicel ontwikkelt zich bij zaadplanten uit een diploïde (2n) embryozakmoedercel. Er treedt een meiotische deling op van de embryozakmoedercel. Drie van de vier kernen vormen samen één nieuwe kern. Er zijn nu twee kernen. Daarna ondergaan beide kernen een mitose. De hierbij gevormde kernen ondergaan eveneens een mitose.

Hoeveel kernen zijn er nu en hoeveel chromosomen heeft elke kern?

Voortplanting

Chromosomen in een stuifmeelbuis.
Zie figuur B 2367 van de bijlage.

Bij een bepaalde zaadplant (zie de afbeelding) is 2n = 40.

Hoeveel chromosomen zijn maximaal te verwachten in alle kernen te zamen van één bijna volgroeide stuifmeelbuis van deze plant?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Meiose bij bedektzadige planten.

Waar vindt bij bedektzadige planten meiose plaats?

Voortplanting

Haploïde cellen bij Salomonszegel.
Zie figuur A 21 van de bijlage.

De figuur stelt voor een Salomonszegel (een diploïde zaadplant).

In welk of in welke van de aangegeven organen kunnen haploïde cellen voorkomen?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Meiose bij planten.

Bij zaadplanten komen voor:

1. helmknoppen;
2. stempels;
3. stuifmeelbuizen;
4. zaadbeginsels.

Waar vindt meiose plaats?

Voortplanting

Een eicel in het zaadbeginsel.
Zie figuur B 37 van de bijlage.

De afbeelding geeft vier stadia in de ontwikkeling van een eicel uit de embryozakmoedercel in het van een zaadplant weer.

Tussen welke van deze stadia vindt alleen mitose plaats bij de ontwikkeling van de eicel?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Een dwarsdoorsnede van een deel van een bloem.
Zie figuur B 1677 van de bijlage.

De afbeelding is een tekening van een microscopisch preparaat van een dwarsdoorsnede van een deel van een bloem. Op de tekening zijn zes zaadbeginsels zichtbaar.

Hoeveel eikernen zouden zich maximaal in deze zes zaadbeginsels hebben kunnen ontwikkelen als de bloem was blijven leven?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Delingstypen in een zaadbeginsel.
Zie figuur B 2368 van de bijlage.

Drie delingstypen kunnen als volgt worden weergegeven:

1: 2n ® 2n + 2n,
2: 2n ® n + n,
3: n ® n + n.

In de afbeelding is een jong zaadbeginsel getekend. P is de embryozakmoedercel.

Welke van de genoemde delingstypen vindt of welke vinden, uitgaande van cel P, plaats tot en met de vorming van een eicel?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Bloemen en allelen.
Zie figuur B 37 van de bijlage.

De tekeningen geven de ontwikkeling weer in een zaadbeginsel van een plant, voordat bevruchting kan plaatsvinden. De plant waarvan het zaadbeginsel afkomstig is, heeft voor een bepaalde eigenschap genotype Rr. Op een bepaald moment blijkt dat de eikern vóór de bevruchting een allel R heeft gehad.
Er hebben geen mutaties plaatsgevonden.

In welk of in welke van de getekende stadia van de ontwikkeling lag het vast dat de eikern een allel R en geen allel r zou hebben?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Voortplanting bij zaadplanten.
Zie figuur B 1504 van de bijlage.

Bij een embryozakmoedercel van een zaadplant treedt in één allel van een allelenpaar een mutatie op.
Het andere allel van dit allelenpaar blijft ongemuteerd. Deze embryozakmoedercel ontwikkelt zich tot embryozak (zie de afbeelding). Het door mutatie ontstane allel komt voor in de kern van de eicel.
Andere mutaties treden niet op.

Hoe groot is de kans dat het door mutatie ontstane allel ook voorkomt in de kern die met P is aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Kernen in de stuifmeelbuis.
Zie figuur A 46 van de bijlage.

Stuifmeelkorrels ontstaan uit stuifmeelmoedercellen.
In een stuifmeelbuis van een bedektzadige plant komen op een bepaald moment drie kernen voor. De schema's waarin een O een kern voorstelt, geven het ontstaan van deze drie weer (1, 2 en 3).

Welk schema is het juiste?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Generatiewisseling bij varens en holtedieren.
Zie figuur C 33 van de bijlage.

Zowel bij sommige varens als bij sommige holtedieren (bijvoorbeeld de oorkwal) komt generatiewisseling voor, waarbij de geslachtelijke en de ongeslachtelijke generatie elkaar afwisselen. De generatie die gameten produceert wordt geslachtelijke generatie genoemd.

Figuur 1: Generatiewisseling van de eikvaren.
Op de bladeren van deze varensoort (P) ontwikkelen zich sporedoosjes, waaruit door meiose sporen ontstaan. Een spore groeit uit tot een klein plantje (Q). Daaraan ontwikkelen zich voortplantingsorganen (R en S), waarin gameten worden gevormd. De zygote groeit uit tot een nieuwe varenplant.
Figuur 2: Generatiewisseling van de oorkwal.
Bij deze dieren brengen de kwallen gameten voort. Na bevruchting ontstaan poliepen waaruit door afsnoering nieuwe kwallen ontstaan.

Welke generatie is of welke generaties zijn diploïd bij de eikvaren?
En welke bij de oorkwal?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Voortplantingwijze van varens.
Zie figuur A 23 van de bijlage.

De tekening geeft weer de voortplantingswijze van varens.
Uit een spore van een diploïde varenplant ontstaat door mitose een zogenaamde voorkiem.
De voorkiem vormt door mitose gameten. Uit de zygote ontstaat door mitose weer een varenplant.

Is de voorkiem haploïd of diploïd?
Ontstaan de sporen door mitose of door meiose?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

De levenscyclus van een varen.
Zie figuur C 100 van de bijlage.

In de levenscyclus van de watervaren Salvinia natans wisselt een geslachtelijke generatie af met een ongeslachtelijke generatie. Bij deze varensoort ontstaan na meiose twee typen sporen: macrosporen en microsporen. Uit een macrospore ontstaat een vrouwelijke voorkiem en uit een microspore ontstaat een mannelijke voorkiem. In de voorkiemen worden gameten gevormd. Een mannelijke gameet versmelt met een vrouwelijke gameet. De hierdoor ontstane zygote ontwikkelt zich tot een varenplant.
In de afbeelding is deze generatiewisseling schematisch weergegeven. Er wordt van uitgegaan dat geen mutaties optreden.
Drie beweringen over de generatiewisseling in de afbeelding zijn:

1. een macrospore van een Salvinia natans-plant heeft altijd hetzelfde genotype als een microspore van dezelfde plant;
2. een macrospore van een Salvinia natans-plant heeft een ander fenotype dan een microspore van dezelfde plant;
3. gameten ontstaan door mitose uit de cellen van de voorkiem van een Salvinia natans-plant.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Het kweken van planten met uitsluitend witte bloemen.

Een kweker heeft een aantal zaden van een meerjarige plant gezaaid. Uit deze zaden ontwikkelen zich 40 planten, waarvan er 15 witte en 25 rode bloemen hebben. De kweker wil uitsluitend planten met witte bloemen hebben en overweegt de volgende mogelijkheden:

1. het toepassen van zelfbestuiving bij planten met witte bloemen.
2. het onderling kruisen van planten met witte bloemen.
3. het stekken van planten met witte bloemen.

Bij welke van bovenstaande mogelijkheden kan de kweker er zeker van zijn, dat er alleen planten met witte bloemen ontstaan?

Voortplanting

Peren

Aan sommige perenbomen kunnen vruchten ontstaan zonder dat er bevruchting is opgetreden. Dergelijke vruchten zonder zaden worden parthenocarpe vruchten genoemd. Aan een perenboom die heterozygoot is voor een aantal eigenschappen, hangt een parthenocarpe peer (peer 1). Deze peer wordt vergeleken met een peer met zaden (peer 2) van dezelfde boom, ontstaan na kruisbestuiving.
Aangenomen wordt dat geen mutaties optreden. Over peer 1 en peer 2 worden de volgende beweringen gedaan:

1. de cellen van het vruchtvlees van peer 1 zijn haploïd en die van peer 2 zijn diploïd;
2. de cellen van het vruchtvlees van peer 1 hebben hetzelfde genotype als die van het vruchtvlees van peer 2;
3. de cellen van de embryo's in de zaden van peer 2 hebben hetzelfde genotype als de cellen van het vruchtvlees van peer 2;

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

Voortplanting

Voortplantingsstadia bij vier organismen.
Zie figuur B 658 van de bijlage.

In de figuur staan van vier organismen, van links naar rechts, enkele elkaar opeenvolgende voortplantingsstadia aangegeven.

Ongeslachtelijke voortplanting wordt afgebeeld in

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Appels.
Zie figuur A 153 van de bijlage.

Bij bepaalde appelrassen kan een stuifmeelkorrel die op de stempel van een bloem van dezelfde boom valt, geen stuifmeelbuis vormen. Het gevolg hiervan is dat zo'n appelboom, wanneer hij alleen staat, geen appels vormt.

Om van een alleenstaande appelboom toch appels te krijgen, zijn exemplaren in de handel gebracht waarbij takken van twee verschillende appelrassen (ras l en ras 2) door middel van enten op een gemeenschappelijke onderstam zijn geplaatst. Van beide rassen wordt in dat geval een goede oogst verkregen. Er wordt aangenomen dat geen mutaties optreden.

Hoeveel verschillende genotypen kunnen voorkomen in de celkernen die aanwezig zijn in de alleenstaande boom en in de appels, zoals is weergegeven in figuur A 153?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Bestuivingen.

Een onderzoeker voert de volgende bestuivingen uit:

1. bestuiving van een bloem van een appelboom met stuifmeel van een andere appelboom; beide bomen zijn uit dezelfde ouderplant verkregen door enting;
2. bestuiving van een bloem van een aardbeiplant met stuifmeel van een andere aardbeiplant; beide planten behoren tot dezelfde kloon;
3. bestuiving van bloemen van een vrouwelijke wilg met stuifmeel van een mannelijke wilg;
4. bestuiving van een bloem van een bonenplant met steriele meeldraden met stuifmeel van een andere bonenplant.

Welke bestuivingen zullen, afgezien van eventuele mutaties, waarschijnlijk leiden tot een nakomelingschap, waarin ook andere genotypen dan die van de ouderplanten voorkomen?

Voortplanting

Voorkomen van zelfbestuiving.

Hoe kan men bij kruisingsproeven met zekerheid zelfbestuiving voorkomen?