Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 19

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie en -fysiologie

5/6 De grote brandnetel.

Bij een brandnetelsoort uit Zuid-Europa komen naast planten met een gezaagde bladrand ook planten met een gave bladrand voor. De vorm van de bladrand is bij deze soort een erfelijke eigenschap, die ontstaat onder invloed van één genenpaar.
Iemand voert met deze brandnetelsoort twee kruisingen uit:

Kruising 1: gaafrandig blad x gezaagd blad

De F1 van deze kruising bestaat uit een groot aantal planten met allemaal een gezaagde bladrand.

Is het gen voor een gaafrandige bladrand bij deze brandnetel dominant of recessief?
Leg je antwoord uit met een kruisingsschema. Vermeld in je schema de genotypen van de ouderplanten en het genotype / de genotypen van de nakomelingen.

Plantenanatomie en -fysiologie

6/6 De grote brandnetel.

Kruising 2: gezaagd blad x gezaagd blad

Onder de nakomelingen zijn planten met een gezaagde en planten met een gave bladrand.

Welke bewering over het genotype van de ouderplanten bij kruising 2 is juist?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Een champignon en een krop sla.
Zie figuur A 424 van de bijlage.

In de afbeelding zijn een champignon en een krop sla getekend, met daaronder twee celtypen P en Q.

Kan een cel van type P afkomstig zijn van de champignon?
En van de krop sla?
Kan een cel van type Q afkomstig zijn van de champignon?
En van de krop sla?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Een champignon en een krop sla.

Zitten er eiwitten in de champignon?
En in de krop sla?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Een champignon en een krop sla.

Welke van de stoffen koolstofdioxide water en zuurstof kan of welke kunnen wèl worden gevormd in de krop sla, maar niét in de champignon?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/4 Chrysanten.
Zie figuur B 2439 van de bijlage.

Chrysanten zijn planten die het hele jaar door in glazen kassen worden gekweekt. De chrysanten groeien beter als ze extra koolstofdioxide krijgen.

Wanneer is het effect van extra koolstofdioxide op de groei van de chrysanten groter? Als ze overdag meer koolstofdioxide krijgen, of als dat 's nachts gebeurt? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/4 Chrysanten.

De bloemen van chrysanten worden bestoven door insecten. Bloemen die door insecten worden bestoven, hebben andere kenmerken dan bloemen die windbestuiving hebben.

Noem twee kenmerken waaraan je bij bepaalde bloemen kunt zien dat ze door insecten worden bestoven, en niet met behulp van de wind.

Plantenanatomie en -fysiologie

3/4 Chrysanten.

Door een mutatie is een chrysant ontstaan met een nieuwe rode bloemkleur.
Een vermeerderingsbedrijf wil zoveel mogelijk chrysantenplanten met dezelfde nieuwe bloemkleur krijgen.

Hoe kan het vermeerderingsbedrijf de chrysant met de nieuwe rode bloemen dan het best vermeerderen?

Plantenanatomie en -fysiologie

4/4 Chrysanten.

De chrysantenplanten worden verkocht aan bloemenhandelaren. Voor het vervoer naar de winkels worden de chrysantenplanten verpakt in dichtgevouwen kartonnen dozen.
Onderzoek heeft aangetoond dat de chrysantenplanten hiervan schade ondervinden. Hoe langer ze verpakt blijven, hoe meer schade de planten oplopen. Ze kunnen dan bladeren verliezen of de bloemknoppen gaan niet open. Je zou kunnen denken dat dit veroorzaakt wordt door het schudden tijdens het transport of door gebrek aan water, maar dat blijkt niet te kloppen.

Geef een verklaring voor de schade aan de chrysantenplanten als gevolg van de manier waarop ze verpakt worden.

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Hennep.
Zie figuur B 2440 van de bijlage.

In Nederland verbouwt men van oudsher hennep. Van de hennepvezels worden touw en zakken gemaakt. Hennepplanten worden opgekweekt vanuit het zaad. Als de hennepplanten uitgegroeid zijn, gaan ze bloeien. Aan één hennepplant komen óf alleen mannelijke óf alleen vrouwelijke bloemen voor, maar nooit beide tegelijk.

In de afbeelding zijn een takje met bloemen en een blad van een hennepplant weergegeven.
Daarnaast staan de vergrote bloempjes P en Q.

Kunnen aan een plant met bloempjes zoals P vruchten komen?
En aan een plant met bloempjes zoals Q?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Hennep.

Wanneer men hennep buiten in de volle grond kweekt, komen er meer vruchten aan de planten, dan wanneer men de planten binnen in een kas kweekt.

Welke van de volgende verschillen is of zijn daarvan een oorzaak?

1. Buiten is er meer wind dan in een kas.
2. Buiten zijn er meer insecten dan in een kas.

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Hennep.

Voor de productie van de lange, harde en taaie hennepdraden gebruikt men bij voorkeur bepaalde delen van de hennepplanten.

Welke delen van de hennepplanten zijn dat?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Kenmerken van organismen.
Zie figuur B 1975 van de bijlage.

De afbeelding geeft drie verschillende organismen weer, die in Nederland voorkomen.

Kan door organisme 1 's winters in de vrije natuur zeker zuurstof worden gevormd?
En door organisme 2?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Kenmerken van organismen.
Zie figuur B 1975 van de bijlage.

Welk organisme uit de afbeelding is een producent of welke organismen zijn producenten?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Kenmerken van organismen.
Zie figuur B 1975 van de bijlage.

Welk van deze organismen kan of welke kunnen zaden vormen?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Rozen.

Rozen worden meteen na het afsnijden op de kwekerij in water gezet met daarin een bacteriedodend middel. Dan gaan ze na de verkoop in een bloemenvaas minder snel slap hangen.
Rozen gaan slap hangen als er verstoppingen in de vaten van de stengel voorkomen.
Twee typen vaten zijn bastvaten en houtvaten.

Gaat een roos eerder slap hangen bij verstopping in de bastvaten of bij verstopping in de houtvaten? Leg je antwoord uit.

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Rozen.

Floortje koopt op een zaterdagmorgen een bos rozen en zet deze meteen in een vaas voor het raam.

Kan er in de bladeren van een rozentak dan fotosynthese plaatsvinden?
En verbranding?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Rozen.

Kwekers vermeerderen de meeste rassen snijrozen door ze te stekken. Deze wijze van vermeerderen gaat sneller en is goedkoper dan opkweken van rozen uit zaden.

Noem nog een andere reden waarom kwekers stekken gebruiken in plaats van zaden.

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Een uienplant.
Zie figuur B 1606 van de bijlage.

In de afbeelding is een uitgelopen ui weergegeven. Daarnaast is een doorsnede van een deel van deze uitgelopen ui weergegeven. Enkele delen zijn met cijfers 1 aangegeven.

In welk van de aangegeven delen van de uienplant zijn reservestoffen vooral opgeslagen?

afbeeldingafbeelding