Genetica
Definities.
Geef de definitie van de volgende begrippen:
1. allel
2. DNA
3. polyhybride kruising
4. X-chromosomaal
5. gen
6. heterozygoot
7. intermediair
8. genotype
9. genlocus
10. terugkruising
11. recessief
12. gameet
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Definities.
Geef de definitie van de volgende begrippen:
1. allel
2. DNA
3. polyhybride kruising
4. X-chromosomaal
5. gen
6. heterozygoot
7. intermediair
8. genotype
9. genlocus
10. terugkruising
11. recessief
12. gameet
Fenotype.
Wat is een fenotype en waardoor wordt het bepaald?
Definities.
Geef de definitie van de volgende begrippen:
1. allel,
2. DNA,
3. gameet,
4. recessief,
5. gen,
6. heterozygoot,
7. intermediair,
8. genotype,
9. genlocus,
10. zaadvast,
Definities.
Geef de definitie van de volgende begrippen:
1. allel;
2. gen;
3. genlocus;
4. zaadvast;
5. gameet.
1/4 Kippen kruisen.
Gegeven een kruising van homozygote kippen:
- wit x zwart.
In de F2
komen 3 fenotypen voor:
49 zwart-wit gespikkelde,
27 zwarte en
24 witte dieren.
Welk gegeven is overbodig?
2/4 Kippen kruisen.
Hoe erft de kleur over?
3/4 Kippen kruisen.
Wat is het fenotype en wat het genotype van de F1
?
4/4 Kippen kruisen.
Wat zijn de genotypen van de F2
-dieren?
Nachtschones kruisen.
Variƫteiten van de plantensoort Nachtschone worden gekruist:
- witte bloemen x rode bloemen.
Na zelfbestuiving van de F1
ontstaat een F2
met:
83 rode,
164 roze en
78 witte bloemen.
Geef een verklaring voor deze getallen.
Cavia's kruisen.
Gegeven de kruising van cavia's:
- bruingeel x wit.
De F1
hieruit wordt lichtgeel.
Hoe ziet de F2
eruit na onderlinge kruising van de F1
-dieren? Verklaar.
Controlekruising.
Men heeft een zwarte cavia. Men wil weten of dit dier homozygoot dan wel heterozygoot is.
Bedenk een kruising waarmee dit probleem is op te lossen. Schrijf de kruisingsschema's op.
1/3 De Charcot-Marie-Toothziekte.
Zie figuur B 5409 van de bijlage.
Charcot-Marie-Tooth- of CMT-ziekte is de meest voorkomende erfelijke ziekte van het zenuwstelsel. De ziekte begint tussen het 10e
en 20e
levensjaar, met als symptomen vooral toenemende spierzwakte. De oorzaak is vaak een fout in de meiose, waarbij een verdubbeling (duplicatie) ontstaat van een gedeelte van een chromosoom. Op dit chromosoomgedeelte bevindt zich onder andere een gen voor een belangrijk eiwit uit de myelineschede van bepaalde neuronen. In de afbeelding staat een stamboom van een familie waarbij de CMT-ziekte voorkomt bij de met zwart aangegeven personen.
Welke overerving van CMT blijkt uit deze stamboom?
afbeelding
2/3 De Charcot-Marie-Toothziekte.
Wanneer kan een duplicatie in de meiose optreden?
Eigenheimer.
Zie figuur A 1125 van de bijlage.
Een keuterboer wilde voor het volgende seizoen geen pootaardappels meer van de groothandel kopen, maar zelf zorgen voor voldoende materiaal om een oogst te verkrijgen van de aardappels die hij al jaren verbouwde: van het ras Eigenheimer.
Hij overwoog de volgende vier mogelijkheden:
1. De kleine aardappels, die onverkoopbaar zijn, gebruiken als pootmateriaal.
2. Grote aardappels die bij het rooien beschadigd zijn gebruiken als pootmateriaal.
3. Een aantal planten niet rooien, deze zaad laten vormen en dat zaad gebruiken als zaaigoed.
4. Een aantal planten niet rooien, deze vruchten laten vormen en die vruchten gebruiken als pootgoed.
In welk geval of welke gevallen kan hij een oogst van het ras Eigenheimer verwachten?
afbeelding
1/2 Galactosemie.
Zie figuur B 5410 van de bijlage.
Zie figuur B 5411 van de bijlage.
Melksuiker (lactose) wordt normaal gesproken omgezet via een reactieketen omgezet in glucose-1-fosfaat.
Een deel van die keten staat in afbeelding 1 hiernaast.
Bij sommige mensen ontbreekt door een erfelijke stofwisselingsstoornis een enzym uit die keten. Daardoor hoopt zich galactose-1-fosfaat op in de cellen, waardoor bij voorbeeld hersenschade kan ontstaan: galactosemie.
De overerving van galactosemie is af te leiden uit de stamboom in afbeelding 2.
Erft galactosemie dominant of recessief over? Kan het desbetreffende gen op het X-chromosoom liggen?
afbeelding
afbeelding
Kinderen.
Als je aanneemt dat bij de geboorte van een kind de kans op een jongen of een meisje voor elk vijftig procent is, hoe groot is dan de kans dat een echtpaar met vier kinderen twee jongens en twee meisjes heeft?