Oefentoets Biologie: Celleer | VWO 5/VWO 6 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Celleer

Bouw plantencel.

Op de grens van twee volgroeide plantencellen kunnen verschillende lagen worden onderscheiden:

1. celmembraan,
2. primaire celwand,
3. secundaire celwand.

In welke volgorde bevinden zich deze lagen tussen het cytoplasma van de ene plantencel en het cytoplasma van de aangrenzende plantencel?

Celleer

Ontwikkeling plantencel.

De scheiding tussen twee gelijksoortige plantencellen kan onder andere cellulose, houtstof en pectine bevatten. De afzetting van deze stoffen vindt gewoonlijk niet tegelijkertijd, maar na elkaar plaats.

In welke volgorde worden deze stoffen afgezet?

Celleer

Bouw plantencel.

Wat zijn stippels?

Celleer

Celwand.

De celwand van een volwassen plantaardige cel bestaat gerekend vanuit de cel naar buiten toe respectievelijk uit de volgende lagen:

Celleer

Celwand.

De middenlamel is opgebouwd uit

Celleer

Celwand.

Wat grenst aan de laag pectine tussen twee bladmoescellen van een plant?

Celleer

Cellen uit aardappel.

Voor een onderzoek zijn losse cellen met celwanden uit aardappelknollen nodig. Daartoe worden schijfjes aardappel in een oplossing gebracht, die één van de volgende enzymen bevat: amylase, cellulase, pectinase, proteïnase.

Welk enzym moet in deze oplossing voorkomen?

Celleer

Cellen van aardappelplant.
Zie figuur B 163 van de bijlage.

De tekening stelt een aardappelplant voor.
In de celwanden van plantencellen kunnen de volgende stoffen voorkomen: cellulose, kurk, pectine.

Welke van deze stoffen kunnen in celwanden van orgaan P voorkomen?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Celbouw.

Het cytoplasma en het kernplasma staan

Celleer

Kern verwijderen uit alg.

Als men van een eencellige alg de kern verwijdert, wordt een aantal stofwisselingsprocessen in deze alg beïnvloed. Toch kan deze alg nog geruime tijd doorleven.

Welke van onderstaande stofwisselingsprocessen zal het eerst beïnvloed worden door verwijdering van de kern?

Celleer

Relatie tussen cel en organisme.

De cel wordt in zijn organisatiestructuur weleens vergeleken met een organisme als bijv. een mens.

In welk opzicht gaat deze vergelijking niet op?

Celleer

Celkern.

Aan een aantal cellen in een voedingsbodem wordt behalve de benodigde voedingsstoffen een stof toegevoegd die de werking van de kern in belangrijke mate vertraagt.

Dit zal tot gevolg hebben dat

Celleer

Kern.

Hoe zou men het beste kunnen aantonen dat een kern noodzakelijk zijn voor het leven van een cel?

Celleer

Biologisch membraan.

Elk biologisch membraan bestaat uit

Celleer

Carriers.

Carriers zijn

Celleer

Selectieve permeabiliteit.

Over selectieve permeabiliteit worden twee beweringen gedaan.

I. Selectieve permeabiliteit heeft betrekking op water en gassen.
II. Selectieve permeabiliteit is een eigenschap van membranen.

Celleer

Doorlaatbaarheid celmembraan.

In het algemeen kan worden gesteld dat het passeren van het celmembraan voor de meeste stoffen moeilijk is.
Enige voorbeelden van stoffen die de cel nodig heeft, zijn:

1. zuurstof,
2. zouten,
3. vitaminen,
4. water,
5. aminozuren.

Welke van deze stoffen passeren het membraan gemakkelijk?
Kost de passage van de overige stoffen de cel zuurstof of niet?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Permeabiliteit celmembraan.

Een bepaalde cel is in staat een stof Q door het celmembraan heen uit het milieu op te nemen.
Experimenten tonen het volgende aan:

1. Stof Q wordt vaak opgenomen vanuit een oplossing waarin de concentratie van stof Q lager is dan in de cel.
2. De opname van stof Q vindt alleen plaats in aanwezigheid van zuurstof.
3. De opname van stof Q is afhankelijk van de temperatuur en deze afhankelijkheid blijkt een optimum te vertonen.

Waaruit blijkt dat de opname van stof Q niet uitsluitend op passief transport kan berusten?

Celleer

Transport van stoffen.

Vier voorbeelden van transport van stoffen in organismen zijn:

1. transport van uit de bodem opgenomen water naar het cytoplasma van de wortelcellen van een plant,
2. transport van uit de bodem opgenomen zouten naar het cytoplasma van de bladcellen van een plant,
3. transport van zuurstof uit de lucht in de longen naar het bloed van de mens,
4. transport van glucose uit de darminhoud naar het cytoplasma van de darmwandcellen bij de mens.

In welk of in welke van deze voorbeelden is er sprake van actief transport?

Celleer

Bouw tonoplast.

De tonoplast heeft dezelfde bouw als een membraan omdat