Oefentoets Biologie: Ecologie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Biotisch of abiotisch.

Noteer voor elke van de volgende factoren of het een biotische (b) of een abiotische factor (a) is.

1. de pH van de bodem. [invulveld]
2. luchtvervuiling. [invulveld]
3. predatoren. [invulveld]
4. sneeuwval. [invulveld]
5. struikgewas. [invulveld]
6. ziekteverwekkers. [invulveld]
7. de grondwaterstand. [invulveld]

Ecologie

Biologisch evenwicht.

In een bepaald ecosysteem heerst een biologisch evenwicht.

Noteer of de volgende beweringen over dit ecosysteem juist of onjuist zijn.

1. In dit ecosysteem blijven de aantallen individuen van elke soort lange tijd constant. [invulveld]

2. In dit ecosysteem wordt de populatiedichtheid geregeld door terugkoppeling. [invulveld]

3. Als in dit ecosysteem een bepaalde populatie kleiner wordt, krijgen de factoren die een toename van de populatiedichtheid veroorzaken, meer invloed. [invulveld]

Ecologie

Biomassa in een duingebied.
Zie figuur A 291 en B 1412 van de bijlage.

In een bepaald duingebied (zie de afbeelding) groeien vele soorten planten: grassen, allerlei kruidachtige planten en struiken, zoals de duindoorn.

Allerlei dieren vinden er hun voedsel: insecten, muizen, konijnen, vossen, roofvogels.

Zie figuur B 1412 van de bijlage.

In de afbeelding B 1412 is een piramide getekend van de biomassa van de organismen in dit ecosysteem, verdeeld in drie voedselniveaus.

Noem twee oorzaken waardoor de biomassa van elk dierlijk niveau steeds kleiner is dan van het voorgaande niveau.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

Een populatie Groene kikkers.
Zie figuur A 293 van de bijlage.

Een populatie Groene kikkers bevindt zich het grootste deel van het jaar in een bepaald bos. In de voortplantingstijd trekken deze in zeer korte tijd massaal naar een ven ten zuiden van dit bos. Een onderzoeker wil weten uit hoeveel dieren deze populatie Groene kikkers bestaat.
Hiervoor heeft hij de beschikking over een installatie om de kikkers te vangen. Deze installatie bestaat uit een barrière met emmers die worden ingegraven in de grond.

Zie figuur A 293 van de bijlage.

De onderzoeker plaatst de installatie tussen het bos en het ven voordat de kikkers van het bos naar het ven gaan trekken. De kikkers die proberen over te steken, vallen in de vangemmers.
In een dag vangt de onderzoeker zo 100 Groene kikkers. Hij merkt ze en zet ze terug in het bos. De volgende dag vangt hij op dezelfde manier opnieuw 100 Groene kikkers. Daarvan blijken er 8 te zijn gemerkt.

Bereken met behulp van deze vangstgegevens het totale aantal Groene kikkers waaruit de populatie bij benadering zal bestaan.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Tolerantie.
Zie figuur B 1236 van de bijlage.

Noteer of de volgende beweringen juist of onjuist zijn:

1. Soorten met een grote tolerantie hebben vaak een groot verspreidingsgebied. [invulveld]
2. Het tolerantiegebied voor een abiotische factor bevindt zich tussen de minimum- en de maximumwaarde. [invulveld]

Zie figuur B 1236 van de bijlage.

3. In de afbeelding is 20 C de maximumtemperatuur. [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Juist of onjuist.

Noteer of de volgende beweringen juist of onjuist zijn.

1. Te sterke competitie met soortgenoten om het beschikbare voedsel kan worden tegengegaan door een territorium te vormen. [invulveld]
2. Te sterke competitie tussen populaties wordt tegengegaan door natuurlijke selectie. [invulveld]
3. Een bijenstaat is een voorbeeld van het optreden van coöperatie binnen een populatie. [invulveld]
4. Coöperatie binnen een populatie biedt vaak bescherming tegen predatoren. [invulveld]
5. Als bij een symbiose de individuen van beide soorten voordeel hebben, spreken we van mutualisme. [invulveld]
6. Een lintworm in de dunne darm van een mens is een voorbeeld van commensalisme. [invulveld]

Bij een zebra komen ossenpikkers voor. Ossenpikkers zijn vogels die leven van de parasieten op de huid van onder andere zebra's. Zebra's leven in kuddes.

7. Ossenpikkers op zebra's vormen een voorbeeld van coöperatie tussen populaties. [invulveld]
8. Ossenpikkers op zebra's vormen een voorbeeld van parasitisme. [invulveld]

Ecologie

1/2 Afval.

Jaarlijks wordt in Nederland afval geproduceerd: industrieel afval, huishoudelijk afval, mest en ander landbouwafval. Het huishoudelijke afval wordt tegenwoordig bijna overal gescheiden in GFT (groente-, fruit- en tuinafval) en overige vormen van afval, zoals kunststoffen en metalen.
Het GFT wordt verwerkt tot compost waarmee de structuur en vruchtbaarheid van de grond kan worden verbeterd.

Leg uit waardoor van het huishoudelijke afval alleen GFT kan worden gecomposteerd en leg uit waardoor compost de vruchtbaarheid van de grond gedurende langere tijd kan verhogen.

Ecologie

2/2 Afval.

Afvalhout en landbouwafval zoals stro (stengels) en kaf (harde beschermlagen van graankorrels) kunnen worden gebruikt als brandstof in plaats van fossiele brandstoffen.
Nadeel van het gebruik van fossiele brandstoffen is dat dit leidt tot een toename van de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer, met als mogelijk gevolg het broeikaseffect.

Leg uit waardoor bij gebruik van afvalhout en dit landbouwafval geen extra CO2 in de atmosfeer komt en bij het gebruik van fossiele brandstoffen wel. Vermeld in je uitleg de processen die daarbij van belang zijn.

Ecologie

Juist of onjuist.

1. Door een laag geboortecijfer kan de populatiedichtheid toenemen. [invulveld]

2. Door immigratie kan de populatiedichtheid toenemen. [invulveld]

3. Elke populatie in een ecosysteem vertoont exponentiële groei. [invulveld]

4. Als een soort zich nieuw in een ecosysteem vestigt waar veel natuurlijke vijanden aanwezig zijn, vindt populatiegroei plaats volgens een J-vormige kromme. [invulveld]

5. Als een soort zich nieuw in een ecosysteem vestigt en er vindt populatiegroei plaats volgens een J-vormige kromme plaats, zal de populatie na enige tijd instorten. [invulveld]

6. Elke populatie in een ecosysteem heeft zijn eigen habitat. [invulveld]

7. Zie figuur B 1233 van de bijlage.

Bij een groeicurve zoals in de figuur is weergegeven, is er sprake van een plaag. [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Een reisje langs de Rijn.
Zie figuur D 12 van de bijlage.

In de bijlage zie je de verdeling van vissoorten over verschillende zones als je de Rijn afzakt van Zwitserland naar Nederland. Iedere vissoort heeft een eigen plek in het riviersysteem. De bovenste drie rijen vissen in de afbeelding laten pure zoetwatervissen zien. Zij leven en planten zich voort op één bepaalde plaats. Daaronder zie je zoutwatervissen (zoals zalm of steur) die door de jaarlijkse voortplantings- of paaidrang een deel van hun leven in zoet water doorbrengen. Zij zwemmen de rivier op tot ze een geschikte paaiplek vinden.
Omgekeerd zijn er ook zoetwatervissen (zoals bot) die richting zee zwemmen in de paaitijd (=voortplantingstijd).
------- geeft de paaizone aan.

Biologen onderzoeken de diversiteit aan vissoorten in de Rijn. In de verschillende zones vangen ze elke maand vis. Na een jaar wordt per zone de diversiteit aan vissoorten genoteerd.

In welk van de volgende zones is op grond van de afbeelding in de bijlage de diversiteit aan vissoorten het laagst?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Een reisje langs de Rijn.

Leerling 1 bestudeert de vissen uit de barbeelzone. Hij trekt de conclusie dat voor vissen als sneep en alver het tolerantiegebied voor zomertemperatuur in die zone tussen 15°C en 18°C ligt.
Leerling 2 trekt de conclusie van leerling 1 in twijfel. Volgens hem kunnen ook andere abiotische factoren ervoor zorgen dat sneep en alver alleen in de barbeelzone van de Rijn voorkomen.

Noem twee abiotische factoren die hiervoor kunnen zorgen.

Ecologie

3/4 Een reisje langs de Rijn.
Zie figuur D 12 van de bijlage.

Deze twee leerlingen bestuderen de afbeeldingen in de bijlage.
Leerling 1 zegt: Het vetje heeft een smaller tolerantiegebied voor de factor zoutconcentratie dan de fint;
Leerling 2 zegt: De zeeprik en het bermpje hebben hetzelfde tolerantiegebied voor de factor temperatuur.

Welke leerling heeft of welke leerlingen hebben op grond van de afbeelding gelijk?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Een reisje langs de Rijn.
Zie figuur B 3791 van de bijlage.

In de afgelopen eeuw is de waterkwaliteit in de Rijn door vervuiling nogal veranderd. De waterkwaliteit in de Rijn wordt onder andere bepaald met behulp van vissen (biomonitoring). In de afbeelding is weergegeven hoe dat gebeurt.
Er wordt gemeten hoe vaak de vissen de sensor raken wanneer er rivierwater door het apparaat wordt gepompt. Naarmate het water vervuilder is, zijn de vissen zwakker en raken ze vaker de sensor. Om vast te stellen of water vervuild is, is een controlemeting nodig.

Hoe dient deze controlemeting te worden uitgevoerd?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 Snoeken.
Zie figuur B 3805 van de bijlage.

In het Nederlandse zoete water komt, net zoals in de rest van Europa en Azië, de snoek, Esox lucius, voor. In de wateren van de Verenigde Staten en Canada komen de snoeksoorten Esox masquinongy en Esox niger voor en van Esox americanus de ondersoorten Esox americanus americanus en Esox americanus vermiculatus.
In de afbeelding is het verspreidingsgebied van snoeken weergegeven.
Omdat de snoek een geliefde sportvis is, heeft men in kwekerijen snoeken gekruist en de nakomelingen in viswater uitgezet. In gevangenschap zullen snoeken van dezelfde soort gemakkelijk nakomelingen krijgen. Men heeft ook geprobeerd exemplaren van verschillende snoeksoorten met elkaar te kruisen.

Tussen welke van de hierboven genoemde vier Noord-Amerikaanse snoeken is een kruising met zekerheid succesvol?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Snoeken.
Zie figuur B 3806 van de bijlage.

Jonge snoeken die zojuist uit het ei gekomen zijn, gaan tussen de planten naar prooi zoeken. In het begin bestaat die prooi uit gemakkelijk te overmeesteren kleine waterdieren. Na een paar dagen worden grotere waterdieren gekozen, waaronder eigen soortgenoten.

Zie figuur B 3806 van de bijlage.

In onderstaande afbeelding is de relatie weergegeven tussen de afmeting van het gevangen prooidier en de vangfrequentie. Onder vangfrequentie verstaan we het aantal malen dat een prooi van deze lengte in de maag van de snoek voorkomt.

Welke conclusie kun je uit de twee grafieken van bovenstaande afbeelding trekken?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 Snoeken.

Voor sommige mensen is het eten van snoekkroketten een ware delicatesse. In plaats van het gebruikelijke kippen-, varkens- of rundvlees wordt een even grote hoeveelheid 'vlees' van de snoek in de kroketten verwerkt.
Behalve dat ze heel lekker kunnen zijn, zijn ze in ieder geval licht verteerbaar. In de tabel is de samenstelling per 100 gram van kippen-, rund-, snoeken-, en varkensvlees aangegeven.

afbeeldingafbeelding

Leg met behulp van de gegevens uit de tabel uit wat de voornaamste oorzaak is van de constatering dat snoekkroketten inderdaad lichter verteerbaar zijn dan kippen-, rund- en varkensvleeskroketten.

Ecologie

1/6 Brazilië.

In Brazilië heeft een verontruste wetenschapper zich ingezet voor het behoud van het regenwoud. Hij heeft zich ontwikkeld tot zakenman en allerlei initiatieven genomen om de export van andere woudproducten dan tropisch hardhout te bevorderen. "Als zakenlieden en de industrie de mogelijkheden van het woud zien, zullen veel mensen, vooral in Brazilië zelf, zich realiseren dat kappen en afbranden dwaas is". De zakenman heeft onder andere capuacu-ijsjes op de markt gebracht. De capuacu is de zoete vrucht van een palmboom.

Leg uit welke betekenis zo'n zoete, lekker smakende vrucht voor de palmboomsoort heeft.

Ecologie

2/6 Brazilië.

Geef twee ecologische argumenten tegen het kappen en afbranden van regenwoud.

Ecologie

3/6 Brazilië.

Voorbeelden van producten, die de zakenman op de markt brengt, zijn olie en geurige stoffen van de copaibaboom. De olie werkt als geneeskrachtige balsem. De geurstoffen worden gebruikt als grondstof voor reukwater zoals 'Water voor de Hartstocht' en 'Loop me achterna'. Planten maken dergelijke stoffen uit door henzelf gevormde glucose.

Uit welke twee opgenomen stoffen vormt de plant glucose?

Ecologie

4/6 Brazilië.

Hoe wordt het proces genoemd waarbij de plant uit glucose oliën maakt?