Oefentoets Biologie: Doping | VO | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VO

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Doping

3/3 Creatine.
Zie figuur B 2988 van de bijlage.

De sportieve prestaties van twee groepen proefpersonen op de sprint worden vergeleken.
Groep I slikte voorafgaand aan de inspanning gedurende enige tijd extra creatine, groep II niet. In het diagram van de afbeelding zijn de relatieve CP-concentraties en de relatieve ATP-concentraties in het spierweefsel van de twee groepen tijdens een sprint weergegeven.

In een schaatsteam wordt overwogen om voorafgaand aan de lange afstanden extra creatine te slikken.

Leg uit op grond van bovenstaande informatie of dat zinvol is.

afbeeldingafbeelding

Doping

1/6 Nandrolon.
Zie figuur C 303 van de bijlage.

Tekst:
Zie figuur C 303 van de bijlage..

In 2001 werden de voetballers Edgar Davids en Frank de Boer positief bevonden na een dopingtest. Bij beiden werd in de urine een omzettingsproduct van nandrolon, 19-nor-androsteron (19 NA) gemeten, bij Davids was dit 2,6 en bij de Boer 8,6 nanogram per ml urine. De toegestane waarde is 2,0 nanogram per ml urine (nano geeft een vermenigvuldigingsfactor aan van 10–9 ).

Nandrolon is een stof die lijkt op testosteron en wordt in kleine hoeveelheden door het lichaam gemaakt. Men gaat ervan uit dat de concentratie 19-nor-androsteron die van nature bij mannen aanwezig is, niet boven die norm uitkomt.

bron: Arno van 't Hoog, Vuile pillen, schoon geweten, Bionieuws 10, 26 mei 2001

Welk enzym wordt in het schema van de afbeelding met name genoemd? Waaruit leid je af dat dit een enzym is?



-

afbeeldingafbeelding

Doping

2/6 Nandrolon.

Wat zijn nandrolon, testosteron en estradiol voor stoffen?

Doping

3/6 Nandrolon.
Zie figuur C 303 van de bijlage.

De omzettingen die in de afbeelding zijn afgebeeld, vinden vooral plaats in het bijniermerg bij mannen en vrouwen. Bij vrouwen is de hoeveelheid androsteendion (zie in het schema midden boven) die wordt omgezet groter dan bij mannen. Op grond daarvan hebben de sportbonden een andere norm voor 19-nor-androsteron voor vrouwen.

Zal de norm die sportbonden hebben vastgesteld voor vrouwen hoger zijn, gelijk zijn aan of lager zijn dan 2,0 ng/ml? Leg je antwoord uit gebaseerd op de gegevens uit het schema.

afbeeldingafbeelding

Doping

4/6 Nandrolon.

Uit onderzoek is gebleken dat na injectie van een hoeveelheid nandrolon het afbraakproduct maandenlang in de urine aantoonbaar is, maar dat na het slikken van pillen met een zelfde hoeveelheid nandrolon het afbraakproduct na twee weken niet meer in het lichaam is aan te tonen.

Leg uit waarom het voor kwaadwillende sporters ondanks de geringe pakkans niet loont om in plaats van nandrolon te injecteren dezelfde hoeveelheid nandrolon in de vorm van pillen te slikken.

Doping

5/6 Nandrolon.

Stel dat Frank de Boer 1,5 liter urine produceerde op de dag van zijn dopingtest en dat de concentratie van 19-nor-androsteron steeds gelijk was.

Bereken tot op 1 decimaal nauwkeurig hoeveel microgram 19-nor-androsteron de Boer dan in deze 1,5 liter urine heeft uitgescheiden (micro geeft een vermenigvuldigingsfactor aan van 10–6 ).

Doping

6/6 Nandrolon.

Davids en de Boer beweerden dat de stof in hun lichaam niet was ingenomen als doping, maar ongewild met bepaalde voedingssupplementen was opgenomen.
Een onderzoeksinstituut startte een onderzoek naar de mogelijke juistheid van die bewering.

Maak een werkplan voor een onderzoek bij een groep proefpersonen om van een bepaald voedingssupplement na te gaan of dit verantwoordelijk kan zijn voor de te hoge concentratie 19-nor-androsteron.

Doping

1/2 Bloeddoping.

Doping, waaronder bloeddoping, is in de sport niet toegestaan. Bij bloeddoping krijgt een sporter via een infuus bloed in geconcentreerde vorm toegediend. Hierdoor wordt de capaciteit van het bloed voor het vervoeren van zuurstof vergroot. Het toegediende bloed kan afkomstig zijn van de sporter zelf òf van een ander.
Men geeft de voorkeur aan bloeddoping met eigen bloed. Hierbij is er weinig kans dat de sporter bij een bloedonderzoek wordt betrapt.

Geef nog twee redenen waarom men de voorkeur geeft aan bloeddoping met eigen bloed.

Doping

2/2 Bloeddoping.
Zie figuur B 2301 van de bijlage.

In de afbeelding is weergegeven wat er bij bloeddoping gebeurt met het hemoglobinegehalte.
Bij deze bloeddoping wordt op tijdstip 0 een halve liter geconcentreerd bloed toegediend.
Het hemoglobinegehalte stijgt daardoor direct: tot 9% boven de normale waarde (de normale waarde = 100%). Het hemoglobinegehalte blijft daarna niet constant. Uit de grafiek blijkt dat het hemoglobinegehalte gedurende anderhalve dag nog wat verder toeneemt: van 109% tot 112%, zonder dat er bloed wordt toegediend. Pas daarna treedt een daling op totdat de oorspronkelijke waarde (100%) na een aantal weken weer is bereikt.
Wanneer bij iemand het bloedvolume tijdelijk is verlaagd of verhoogd, wordt door vochtregulatie binnen enkele dagen weer de normale waarde van het bloedvolume bereikt.

Geef met behulp van dit gegeven een verklaring voor het verschijnsel dat het hemoglobinegehalte ná het toedienen van het geconcentreerde bloed nog wat verder stijgt.

afbeeldingafbeelding

Doping

1/3 EPO.
Zie figuur B 2469 van de bijlage.

De productie van rode bloedcellen wordt geregeld via een terugkoppelingsmechanisme waarbij de zuurstofvoorziening van de nieren, het hormoon EPO (erythropoiëtine) en de cellen in het beenmerg die rode bloedcellen vormen, een rol spelen. EPO is een hormoon dat wordt gemaakt in de nieren. Als de nierfunctie gestoord is, wordt ook onvoldoende EPO gemaakt en is de patiënt moe en lusteloos. Tegenwoordig kan men dit hormoon 'kunstmatig' vervaardigen en bij mensen inspuiten.
De productie van EPO is direct afhankelijk van het zuurstofgehalte van het bloed. De regeling van het zuurstofgehalte van het bloed is in de vorm van een niet-compleet schema weergegeven in de bijlage.


Vul het schema op de bijlage, B 2469, aan, door op de juiste plaats te zetten:

- rood beenmerg;
- EPO;
- aantal rode bloedcellen.

Zet in de cirkels een + (voor stimulering of toename) of een - (voor remming of afname).

afbeeldingafbeelding

Doping

2/3 EPO.
Zie figuur B 1591 van de bijlage.

Bij inspanning heeft een spier energie nodig. De afbeelding geeft weer welke energiebronnen in de loop van de inspanning door een spier worden gebruikt. ATP is een stof die bij dissimilatie wordt gevormd en waaruit direct energie kan worden vrijgemaakt. In een cel kan een voorraadje ATP aanwezig zijn.
EPO leent zich voor misbruik in de sportwereld. Bijvoorbeeld: een wielrenner laat zich dan inspuiten met EPO in de hoop beter te kunnen presteren.

Leg met behulp van het diagram van de afbeelding uit waardoor het inspuiten van EPO wel prestatieverhogend kan werken bij duursporters (zoals wielrenners) en niet bijvoorbeeld bij sprinters die 100 meter lopen in minder dan 10 seconden.

afbeeldingafbeelding

Doping

3/3 EPO.

Er zijn mensen die om bepaalde redenen elke vorm van bloedtransfusie weigeren. Toch kan bijvoorbeeld bij een grote operatie een bloedtransfusie nodig zijn. Door toediening van EPO kan in sommige gevallen worden voorkomen dat een bloedtransfusie nodig is.

Wanneer moet EPO dan worden toegediend?

Doping

1/3 EPO.

EPO is een hormoon dat door de nieren wordt gemaakt. Het speelt een rol bij het maken van rode bloedcellen. EPO kan ook kunstmatig gemaakt worden en door sporters gebruikt worden als doping. Door EPO te gebruiken worden er veel meer rode bloedcellen geproduceerd dan normaal. Daardoor kan een sporter zijn prestaties vergroten. Sporters worden op het gebruik van EPO gecontroleerd door bloed- en urineonderzoek.

Leg uit dat een sporter tot grotere lichamelijke prestaties in staat is, als het bloed meer rode bloedcellen bevat (antwoord moet 3 stappen bevatten).

Doping

2/3 EPO.

Waar in het lichaam worden rode bloedcellen gemaakt?

Doping

3/3 EPO.

Het gebruik van EPO kan door urineonderzoek gecontroleerd worden.

Waar in de nieren wordt EPO uit het bloed verwijderd?

Doping

1/4 Doping.
Zie figuur B 4611 van de bijlage.

Sporters leveren vaak na een wedstrijd urine in.
Deze urine wordt dan getest op sporen van verboden middelen (doping).
Urine wordt geproduceerd in de nieren.

De afbeelding toont een schematische tekening van een nier.

Met P is een buis aangegeven. De inhoud hiervan stroomt richting de nier.

Wat is de naam van deze buis?

afbeeldingafbeelding

Doping

2/4 Doping.

Een sporter spuit doping in zijn beenader.
De doping verspreidt zich via het bloed in zijn lichaam.

In welk deel van het hart komt die doping het eerst terecht?

Doping

3/4 Doping.

Doping is een stof die in het lichaam wordt afgebroken.

Welk orgaan is betrokken bij de afbraak van gifstoffen en afvalstoffen?

Doping

4/4 Doping.

De bijnieren produceren een hormoon.
Dit hormoon wordt ook gebruikt als doping.

Welke functie heeft dit hormoon in het lichaam?