Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Doorsnede blad.
Zie figuur B 528 van de bijlage.

De tekening geeft een doorsnede van een blad van een plant weer. De plant staat in het zonlicht en verliest water door verdamping. De temperatuur is 20°C.

Op welke van de aangegeven plaatsen is de concentratie van waterdamp het hoogst?
En op welke plaats de zuurstofconcentratie?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een blad.

Op een zonnige, droge dag worden bij een bepaalde plant de zuurstofconcentratie en de waterdampconcentratie gemeten buiten een blad en in de intercellulaire holten van dat blad. De huidmondjes van het blad zijn open en in de bladcellen vindt fotosynthese plaats.

Is de zuurstofconcentratie het hoogst buiten het blad of in de intercellulaire holten?
En waar is de waterdampconcentratie het hoogst?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een blad.
Zie figuur B 2354 van de bijlage.

De afbeelding stelt een dwarsdoorsnede van een blad van een zaadplant voor. Er zijn geen bladgroenkorrels getekend.

In welke van de aangegeven cellen 1, 2 en 3 kan fotosynthese plaatsvinden?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Bladeren van waterranonkel.
Zie figuur B 442 van de bijlage.

Bij de Waterranonkel, een zoetwaterplant, zijn de bladeren onder en boven water verschillend van vorm.
Over het ontstaan van het verschil tussen de bladeren onder en boven water tijdens de groei van deze waterranonkel, worden de volgende beweringen gedaan:

1. het verschil ontstaat door modificatie,
2. het verschil ontstaat door mutatie,
3. het verschil ontstaat door selectie,
4. het verschil ontstaat door verschil in genotype tussen de bladeren onder en boven water.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Boomstammen.
Zie figuur B 1102 van de bijlage.

De stam van de middelste boom op de afbeelding is dunner dan die van de beide andere bomen.

Wat kan de oorzaak of wat kunnen de oorzaken zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Jaarringen.

In Californië groeien op een hoogte van ongeveer 3500 m zeer oude sparrenbomen. Bij het meten van de jaarringen van zulke sparrenbomen bleek de gemiddelde dikte van een jaarring uit de periode 1850 - 1859 0,34 mm te zijn en uit de periode 1974 - 1983 0,70 mm.
Ter verklaring van het verschil in gemiddelde dikte van de jaarringen worden vier veronderstellingen gedaan:

1. Het koolstofdioxidegehalte in de atmosfeer is in de periode 1974 - 1983 lager geweest dan in de periode 1850 - 1859.
2. Het koolstofdioxidegehalte in de atmosfeer is in de periode 1974 - 1983 hoger geweest dan in de periode 1850 - 1859.
3. De gemiddelde temperatuur is in de periode 1974 - 1983 lager geweest dan in de periode 1850 - 1859.
4. De gemiddelde temperatuur is in de periode 1974 - 1983 hoger geweest dan in de periode 1850 - 1859.

Welke van deze veronderstellingen kan of welke kunnen een verklaring zijn voor het verschil in dikte van de jaarringen?

Plantenfysiologie

Jaarringen.

Het onderzoek van jaarringen van bomen geeft informatie over de weersgesteldheid in de jaren waarin de jaarringen ontstonden. Als hulpmiddel bij dit onderzoek kan een keuze gedaan worden uit een belichtingsmeter, een meetlat, een thermometer en een vochtmeter. Een boomstam wordt doorgezaagd.

Met welk hulpmiddel kan de meeste informatie worden verkregen?

Plantenfysiologie

Bosgrond en akkergrond.

In de bodem wordt door heterotrofe micro-organismen en wortelcellen van planten koolstofdioxide gevormd door dissimilatie met zuurstof. Dit proces wordt bodemademhaling genoemd. Op een bepaalde bodem (bosgrond) groeit een beukenbos en op een andere bodem (akkergrond) groeien tarweplanten. In de bosgrond komen per cm3 minder actieve wortelcellen voor dan in de akkergrond. De hoeveelheid koolstofdioxide die bij de bodemademhaling per hectare in de bosgrond wordt geproduceerd, is ongeveer vier maal zo groot als in de akkergrond.
Over de bosgrond en de akkergrond worden twee uitspraken gedaan:

1. in de bosgrond komen per cm3 meer heterotrofe micro-organismen voor dan in de akkergrond;
2. in de bosgrond wordt per tijdseenheid per cm3 meer zuurstof verbruikt dan in de akkergrond.

Is uitspraak 1 juist?
En uitspraak 2?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede van blad.
Zie figuur B 573 van de bijlage.

De tekening stelt een dwarsdoorsnede voor van een blad van een plant met bladgroen.

Op welke van de aangegeven plaatsen is de assimilatie-activiteit het kleinst?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een deel van een blad.
Zie figuur B 416 van de bijlage.

De afbeelding stelt schematisch een deel van een blad met bladgroen voor. Enkele celtypen zijn met cijfers aangegeven.
Een dergelijk blad bevindt zich aan een levende zaadplant die op een zonnige standplaats groeit.

In welke van de aangegeven celtypen kan fotosynthese plaatsvinden?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Processen in een plant.

Welke van de hieronder genoemde verschijnselen zal men bij de groei (volumetoename) van een kruidachtige plant kunnen waarnemen?

1. toename van de verhouding tussen drooggewicht en versgewicht.
2. afname van de verhouding tussen drooggewicht en versgewicht.
3. de assimilatie-intensiteit is groter dan de dissimilatie-intensiteit.
4. de assimilatie-intensiteit is kleiner dan de dissimilatie-intensiteit.
5. de assimilatie-intensiteit is gelijk aan de dissimilatie-intensiteit.

De waarneembare verschijnselen zijn uitsluitend

Plantenfysiologie

Stekken van een plant.

Wanneer een pas afgesneden stengel van een Vlijtig Liesje (kruidachtige plant) in water wordt gezet, ontwikkelen zich hieraan wortels.

De ontwikkeling van deze wortels begint met deling van cellen uit

Plantenfysiologie

Groei van kiemplantje.

Een kiemplantje van een eik wordt in een oplossing met voedingszouten geplaatst. Na een jaar is de plant 200 gram zwaarder geworden.
De plant heeft 2 gram van de zouten opgenomen.

Hoeveel water en CO2 heeft de plant opgenomen?
Is er water gebruikt bij de celgroei?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Zuurstofopname in wortel.
Zie figuur B 328 van de bijlage.

In het diagram is de zuurstofopname, uitgedrukt in mL per uur per gram versgewicht, op verschillende afstanden van de worteltop van een kiemend zaadje, weergegeven.

Aan welk proces moet de grote zuurstofopname bij P vooral toegeschreven worden?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Stengeltop.

In de top van een stengel bevindt zich delingsweefsel.

Door welk proces worden nieuw gevormde cellen even groot als een oorspronkelijke cel vóór de deling?

Plantenfysiologie

Jaarringen.
Zie figuur B 338 van de bijlage.

In een dwarsdoorsnede van een boomstam is het hout dat in een jaar is gevormd, te zien als een jaarring.
Van een boom wordt de stam op de plaatsen 1 en 2 doorgezaagd (zie tekening).

Is het aantal jaarringen op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?
Is de omtrek van de laatstgevormde jaarring op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Vorming van bloemknoppen.

In experimenten werd bij planten van dezelfde soort het verband bepaald tussen de vorming van bloemknoppen en de duur van afwisselende donker- en lichtperioden. Tussen twee series experimenten bleek het aantal gevormde bloemknoppen te variëren (zie tabel).
afbeeldingafbeelding

Welke van de onderstaande conclusies uit deze gegevens is juist voor deze planten?

Plantenfysiologie

Cambium.

Is het cambium in de stam van een lijsterbes het meest actief in het voorjaar of in het najaar?
Ontstaat door dit cambium lengtegroei of diktegroei?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Boom met verschillende bladkleuren.

Aan een boom is in het voorjaar een tak met lichtgele bladeren verschenen. Aan de andere takken, die in datzelfde voorjaar gevormd zijn, zijn uitsluitend groene bladeren ontstaan.

Twee beweringen over deze tak met lichtgele bladeren zijn:

I. De lichtgele kleur wordt veroorzaakt door gebrek aan bepaalde zouten in de bodem.
II. Het vermogen chlorofyl te vormen is door een mutatie in de aanleg van de knop waaruit deze tak ontstaan is, verloren gegaan.

Plantenfysiologie

Groei van maisplanten.
Zie figuur B 1116 van de bijlage.

Een onderzoeker wil de invloed van een bepaalde stof S op de groei van maïsplanten bestuderen. Hij maakt vijf voedingsoplossingen met de volgende samenstellingen:

1. alleen gedestilleerd water.
2. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten.
3. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en y mg van de stof S.
4. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 2y mg van de stof S.
5. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 3y mg van de stof S.

In elke oplossing laat hij evenveel maïsplanten groeien. De maïsplanten zijn even oud. De resultaten zijn te zien in de afbeelding.
Hij overweegt de volgende conclusies op grond van zijn resultaten:

1. Deze stof S heeft geen invloed op de bladontwikkeling.
2. Deze stof S heeft alleen invloed op de lengtegroei van de wortels.
3. Hoe hoger de concentratie van deze stof S, des te slechter zijn de groei en de ontwikkeling van de wortels.

Welke van deze conclusies is juist?




-

afbeeldingafbeelding