Oefentoets Biologie: Spijsvertering | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 16

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

4/5 Een darmvlok.

In welk vat is na een zetmeelrijke maaltijd het glucosegehalte het hoogst?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

5/5 Een darmvlok.

Uit welk vat stroomt de inhoud rechtstreeks naar de poortader?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

1/3 Darmgassen.
Zie figuur B 3597 van de bijlage.

Sommige voedselresten kunnen in de dunne darm niet helemaal verteerd worden. Deze voedselresten komen dan in de dikke darm. In de afbeelding is een deel van het spijsverteringsstelsel weergegeven.

Kleur in de afbeelding de dikke darm met potlood in.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/3 Darmgassen.
Zie figuur B 3598 van de bijlage.

In de dikke darm leven heel veel bacteriën. Deze organismen breken voedselresten af, die wij zelf niet kunnen verteren. Bij de afbraak van voedsel door bacteriën komen gassen vrij. Deze gassen kunnen het lichaam als winden verlaten. De gassen kunnen ook door de wand van de dikke darm in het bloed komen.



In de afbeelding B 3598 is schematisch de bloedsomloop weergegeven. Met een pijl is aangegeven via welke weg de darmgassen door het bloed worden vervoerd.

Hoe heet het bloedvat dat is aangegeven met letter P?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

3/3 Darmgassen.

Het bloed geeft de darmgassen uiteindelijk af aan bepaalde organen. Via deze organen verlaten de gassen het lichaam als slechte adem.

Welke organen zijn dit?

Spijsvertering

1/2 Dunne darm.
Zie figuur A 383 van de bijlage.

In de afbeelding is een stukje van de dunne darm vergroot, schematisch weergegeven. De pijlen geven de stroomrichting van het bloed aan. Een aantal plaatsen is genummerd.
Joachim heeft twee boterhammen gegeten.

Op welke van de genummerde plaatsen is een uur na het eten van de boterhammen de grootste hoeveelheid verteringsenzymen actief?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/2 Dunne darm.
Zie figuur A 384 en figuur A 383 van de bijlage.

In de afbeelding A 384 is een gedeelte van de rug van Joachim schematisch getekend. Een aantal zones is aangeduid met cijfers.
De ligging van het middenrif is met lijn P aangegeven.

In welke van de aangeduide zones kan het stukje dunne darm zich bevinden dat in afbeelding A 383 is weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Spijsvertering

1/4 De weg van het voedsel.
Zie figuur A 952 van de bijlage.

Er is een onderzoek gedaan naar de snelheid waarmee het voedsel door het verteringskanaal gaat (zie de afbeelding).

Het voedsel wordt door peristaltische bewegingen door het verteringskanaal geduwd.

Geef nog een andere functie van peristaltische bewegingen.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/4 De weg van het voedsel.
Zie figuur A 952 van de bijlage.

Terwijl het voedsel door het verteringskanaal gaat, worden er onder andere enzymen aan toegevoegd. In de afbeelding is een aantal delen van het verteringskanaal met letters aangegeven.

Geef de letters van de twee delen van het verteringskanaal waarin enzymen aan het voedsel worden toegevoegd.

De delen [invulveld] en [invulveld].

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

3/4 De weg van het voedsel.

Naast enzymen wordt er ook gal aan het voedsel toegevoegd.

In welk deel van het verteringskanaal wordt gal aan het voedsel toegevoegd?

Spijsvertering

4/4 De weg van het voedsel.
Zie figuur A 952 van de bijlage.

Pim eet 's morgens om 8 uur zijn ontbijt.

Hoeveel uur later zullen er op zijn vroegst onverteerde resten uit dit ontbijt terug te vinden zijn in de ontlasting van Pim, volgens de gegevens uit de afbeelding?

Op zijn vroegst [invulveld] uur later.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

1/2 Fluoride en cariës.
Zie figuur A 812 van de bijlage.

De meest voorkomende vorm van tandbederf is cariës. In Nederland was in 1953 een onderzoek gestart om na te gaan of het gebruik van fluoride het ontstaan van cariës tegengaat. In de gemeente Tiel werd fluoride aan het drinkwater toegevoegd. In de vergelijkbare stad Culemborg werd geen fluoride aan het drinkwater toegevoegd.
Na enige jaren werd de toestand van de gebitten van 11-, 13- en 15-jarigen in beide gemeenten met elkaar vergeleken (zie de tabel hieronder).
afbeeldingafbeelding

.

In de bijlage A 812 vind je een stuk grafiekpapier.

Zet hierop de resultaten van het onderzoek uit in een staafdiagram.





-

afbeeldingafbeelding

extendedTextInteraction

2/2 Fluoride en cariës.

De meest voorkomende vorm van tandbederf is cariës. In Nederland was in 1953 een onderzoek gestart om na te gaan of het gebruik van fluoride het ontstaan van cariës tegengaat. In de gemeente Tiel werd fluoride aan het drinkwater toegevoegd. In de vergelijkbare stad Culemborg werd geen fluoride aan het drinkwater toegevoegd.
Na enige jaren werd de toestand van de gebitten van 11-, 13- en 15-jarigen in beide gemeenten met elkaar vergeleken (zie de tabel hieronder).
afbeeldingafbeelding

Uit de resultaten heeft men conclusies getrokken over de invloed van fluor op het gebit.

Schrijf één conclusie op.




-

Spijsvertering

Het gebit.
Zie figuur B 3503 van de bijlage.

In de afbeelding is een lengtedoorsnede van een gebitsdeel schematisch getekend.

1. Hoe heet het deel dat is aangegeven met 6? Het/de [invulveld].

2. Met welk nummer is het tandbeen aangegeven? Met nummer [invulveld].

3. Met welk nummer is het hardste deel aangegeven? Met nummer [invulveld].

4. Is in de afbeelding een hoektand, een kies of een snijtand getekend? Een [invulveld].

5. Juist of onjuist. De functie van het afgebeelde gebitsdeel is het fijnmalen van voedsel. [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Het gebit.
Zie figuur B 1050 van de bijlage.

In de afbeelding is van een gebitsdeel het buitenaanzicht en de lengtedoorsnede schematisch getekend.

1. Hoe heet het deel dat is aangegeven met 2? Het/de [invulveld].

2. Met welk nummer is het glazuur aangegeven? Met nummer [invulveld].

3. Met welk nummer is het deel aangegeven dat zorgt voor een stevige bevestiging in de kaak?
Met nummer [invulveld].

4. Is in de afbeelding een hoektand, een kies of een snijtand getekend? Een [invulveld].

5. Juist of onjuist. De functie van het afgebeelde gebitsdeel is het kauwen van het voedsel. [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

1/2 Het gebit van de mens.
Zie figuur B 2155 van de bijlage.

Het gebit speelt een belangrijke rol bij de spijsvertering. Met de snijtanden en de hoektanden worden stukjes van het voedsel afgebeten en met de kiezen wordt het voedsel fijngemalen. De afbeelding geeft een doorsnede van een kies weer.

Welke van onderstaande uitspraken over het kauwen van voedsel is of welke zijn juist?

I. Tijdens het kauwen wordt het voedsel met een enzym vermengd.
II. Door het kauwen wordt het totale oppervlak van de voedseldeeltjes vergroot.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/2 Het gebit van de mens.

Welk cijfer in de afbeelding geeft tandbeen aan?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

1/2 Slijtage van het gebit.
Zie figuur B 4400 van de bijlage.

Het gebit wordt beschermd door een hard laagje op de tanden en kiezen. Toch slijt het gebit in de loop van de jaren. Door te vaak en te hard je tanden te poetsen, kunnen er groeven in het gebit ontstaan. Ook zure stoffen in eten en drinken tasten de harde buitenlaag van het gebit aan. De laag wordt daardoor zachter en kan dan makkelijk weggepoetst worden. Na het doorslikken van de zuren kan de laag zich binnen ongeveer een half uur herstellen. In ernstige gevallen van gebitsslijtage is het harde buitenlaagje op veel plaatsen verdwenen en wordt ook de zachtere laag daaronder aangetast.

In de tekst worden twee delen van een tand of kies genoemd die door slijtage aangetast kunnen worden.

In de afbeelding B 4400 is een doorsnede van een kies weergegeven.

Geef de letters (in volgorde van het alfabet) en de namen van de delen die volgens de tekst aangetast kunnen worden door slijtage.

letter = [invulveld] en naam = [invulveld]

letter = [invulveld] en naam = [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/2 Slijtage van het gebit.

Leerlingen in een klas krijgen de opdracht om de informatie over gebitsslijtage te lezen.
Daarna moeten ze een advies geven om slijtage tegen te gaan.
Drie leerlingen geven de volgende adviezen:

Arif: "Je moet zure dranken niet in één keer opdrinken, maar langzaam en met kleine slokjes tegelijk."
Bas: "Na het eten van zuur voedsel, moet je een uur wachten voordat je je tanden gaat poetsen."
Chantal: "Je moet tweemaal per dag krachtig je tanden poetsen met een harde tandenborstel".

Wie geeft een juist advies volgens de informatie?

Spijsvertering

1/3 Tandbederf.

Tandbederf komt veel voor. Het begint meestal met tandplak.
Tandplak is een kleverige aanslag op tanden en kiezen. Hierin komen veel bacteriën voor.
Deze bacteriën leven van suikers uit het voedsel en ze geven zuren af. Deze zuren veroorzaken tandbederf door aantasting van de harde lagen van tanden en kiezen.

Hoe heet de laag van tanden en kiezen, die het eerst wordt aangetast door de zuren uit de tandplak?

Deze laag heet de/het [invulveld].