Oefentoets Biologie: Ecologie - voedselketens | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4

Deze oefentoets bevat 91 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

91

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Voedselketen bij het water.
Zie figuur B 1561 van de bijlage.

In de afbeelding is een voedselketen weergegeven, die uit vijf schakels bestaat. De totale massa energierijke stoffen is niet in alle schakels gelijk. In de afbeelding zijn de aantallen organismen in alle schakels niet juist weergegeven. Ook zijn de organismen niet op dezelfde schaal getekend.

In welke schakel is de totale biomassa van de energierijke stoffen het grootst?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

De Oosterschelde.

De Oosterschelde is een zeearm. Bij laag water zijn grote delen van de Oosterschelde droog gevallen. Op de grote zandige platen die dan zichtbaar zijn, krioelt het van de vogels (1) die op zoek zijn naar wormen en schelpen (2) in de bodem. Door de vloed worden de vogels
verdreven en kunnen de talrijke wormen en schelpdieren (2) de microscopisch kleine algen (4) en diertjes (3) vangen die in het zeewater rondzweven.

In welke volgorde staan de genummerde organismen in een voedselketen?

Ecologie

Plagen natuurlijk te lijf.

Fruittelers gebruiken steeds meer de kennis over het leven van insecten en mijten die schade toebrengen aan hun fruit (1) om ze te bestrijden. Fruitspintmijten (2) bestrijden zij door het uitzetten van appelroofmijten (3) die de fruitspintmijten (2) opvreten.

Welke is de juiste volgorde waarin de genummerde organismen in de voedselketen moeten staan?

Ecologie

Plagen natuurlijk te lijf.

Fruittelers gebruiken steeds meer de kennis over het leven van insecten en mijten die schade toebrengen aan hun fruit om ze te bestrijden. Fruitspintmijten bestrijden zij door het uitzetten van appelroofmijten die de fruitspintmijten opvreten.

Is de appelroofmijt een producent, een consument of een reducent?

Ecologie

Een voedselketen.
Zie figuur B 3560 van de bijlage.

In de afbeelding is een voedselketen in een ecosysteem weergegeven. De verschillende organismen zijn niet op dezelfde schaal getekend.

Is er verschil in biomassa tussen de verschillende schakels van deze voedselketen?
Zo ja, in welke schakel is de biomassa het grootst?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Voedselketens.
Zie figuur B 3563 van de bijlage.

In de afbeelding zijn voedselrelaties tussen een aantal organismen in zee weergegeven.

Hoeveel voedselketens zijn in de afbeelding weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Kikkerbilletjes.

De volgende tekst is afkomstig uit een natuurtijdschrift.

Een van de armste landen ter wereld, Bangladesh, exporteerde in 1983 3,1 miljoen kilo kikkerbilletjes. Kikkers worden massaal gevangen in rijstvelden. Een negatief effect hiervan is, dat de rijstopbrengst merkbaar terugloopt in velden waar kikkers worden weggevangen.
Een onderzoek in China heeft aan het licht gebracht dat op 1 hectare rijstveld meer dan 12.000 kikkers leven, die dagelijks tot 3,4 miljoen insecten eten.

Rijstplanten en kikkers zijn onderdeel van dezelfde voedselketen.

Leg met behulp van een voedselketen uit, waardoor de hoeveelheid rijst die per jaar kan worden geoogst, merkbaar terugloopt in velden waar veel kikkers worden weggevangen.

Ecologie

1/14 Aalscholvers.
Zie figuur B 2442 van de bijlage.

In Nederland komen vooral gewone aalscholvers voor. In Groot-Brittannië komen op de rotsen langs de kust naast gewone aalscholvers ook kuifaalscholvers voor.

De poten van een aalscholver vertonen een bepaald kenmerk dat een aanpassing is aan zijn manier van leven.

Welk kenmerk is dat? Leg uit waardoor dat kenmerk gunstig is voor de aalscholvers.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/14 Aalscholvers.

Zijn aalscholvers consumenten, producenten of reducenten?

Ecologie

3/14 Aalscholvers.
Zie figuur A 470 van de bijlage.

De afbeelding geeft de verspreiding van aalscholvers in Nederland, in de maand juni van een bepaald jaar. In Noord-Holland en Utrecht komen meer aalscholvers voor dan in de Achterhoek en Twente.

Geef een verklaring voor dit verschil.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/14 Aalscholvers.
Zie figuur B 2443 van de bijlage.

Tekst:
Invloed op het aantal aalscholvers.
In de tachtiger jaren nam het aantal aalscholvers in de buurt van het IJsselmeer toe. Later was er weer een afname. Het schoner worden van het water van de rivieren die naar het IJsselmeer stromen, zou de oorzaak van deze afname kunnen zijn. Het water dat door de rivieren naar het IJsselmeer stroomt, is de laatste jaren minder vervuild en bevat minder mineralen.

De tekst hierboven gaat over de invloed van de kwaliteit van het rivierwater op het aantal aalscholvers.

Tekst:
Voedsel in het IJsselmeer
Zie figuur B 2443 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding

Aalscholvers die bij het IJsselmeer leven, voeden zich met de vissen die zij vangen. Zij eten er wel 400 gram per dag van. Deze vissen, zoals voorn en pos eten dierlijk plankton, dat op zijn beurt weer leeft van de vele algen die in het water van het IJsselmeer zweven. Soms eten aalscholvers paling. Palingen leven onder andere van vissen zoals jonge voorntjes en jonge pos.

Zie volgende scherm

Ecologie

5/14 Aalscholvers.

In de tekst over het voedsel in het IJsselmeer worden zes namen van organismen genoemd.

Noteer het voedselweb waarin al deze zes namen voorkomen.

Ecologie

6/14 Aalscholvers.

Leg met behulp van dit voedselweb uit hoe het schoner worden van de rivieren een afname van het aantal aalscholvers kan veroorzaken.

Ecologie

7/14 Aalscholvers.

Aalscholvers vangen vis in het IJsselmeer. De hoeveelheid aanwezige vis wordt beïnvloed door abiotische en door biotische factoren.

Noem twee biotische factoren.

Ecologie

8/14 Aalscholvers.

Tekst:
Kijken en jagen bij aalscholvers

Een aalscholver vangt vissen door er op te "jagen". Als hij een vis ziet, zwemt hij er snel achteraan en probeert hem te pakken. De aalscholver gebruikt vooral zijn ogen bij het opsporen en vangen van een prooi. Hij moet dus helder water hebben. Als er veel algen in het water zweven, wordt het voor hem veel moeilijker om te vissen.
De ogen van de aalscholver passen goed bij zijn manier van jagen.

Een aalscholver kan in een meer met stilstaand water moeilijk vissen vangen als er veel algen in het water drijven. Zonder die algen gaat het beter. Dat is te wijten aan een bepaalde eigenschap van de aalscholver.

Waardoor heeft een aalscholver last van de algen bij het vissen? Leg je antwoord uit.

Ecologie

9/14 Aalscholvers.
Zie figuur C 188 van de bijlage.

De gewone aalscholvers en de kuifaalscholvers in Groot-Brittannië eten dieren die ze uit de zee halen. Ze hebben wel een verschillend menu.

Tabel: Samenstelling van het voedsel van aalscholvers in Groot-Brittannië
Het aandeel van de verschillende vissoorten in het menu van de aalscholvers is aangegeven in percentages.

afbeeldingafbeelding

Smelten en haringen zwemmen in scholen aan het oppervlak van het water. Platvissen en garnalen leven op de bodem van de zee.

Zie figuur C 188 van de bijlage.

In welk van de schema's A, B, C of D in de afbeelding zijn de gegevens over het menu van de twee soorten aalscholvers juist weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

10/14 Aalscholvers.

Gewone aalscholvers en kuifaalscholvers jagen op hun voedsel langs de kust van Groot Brittannië. Zie de teksten 'Samenstelling van voedsel' en 'Kijken en jagen bij aalscholvers' (hieronder).

Tabel: Samenstelling van het voedsel van aalscholvers in Groot-Brittannië

Het aandeel van de verschillende vissoorten in het menu van de aalscholvers is aangegeven in percentages.
afbeeldingafbeelding

Een aalscholver vangt vissen door er op te "jagen". Als hij een vis ziet, zwemt hij er snel achteraan en probeert hem te pakken. De aalscholver gebruikt vooral zijn ogen bij het opsporen en vangen van een prooi. Hij moet dus helder water hebben. Als er veel algen in het water zweven, wordt het voor hem veel moeilijker om te vissen.
De ogen van de aalscholver passen goed bij zijn manier van jagen.

Welke van de twee aalscholversoorten is het meest afhankelijk van helder water in een rustige zee langs de kust. Leg je antwoord uit.

Ecologie

11/14 Aalscholvers.

Ook als er niet zo veel voedsel is, leven de gewone aalscholvers en kuifaalscholvers toch bij elkaar in de buurt.

afbeeldingafbeelding

Leg met behulp van de informatie in de tabel over samenstelling van voedsel uit dat beide soorten aalscholvers bij elkaar in de buurt kunnen leven.

Ecologie

12/14 Aalscholvers.

Tekst:
Veren drogen.


Weer op het land na een duik in het water schudt een aalscholver de vleugels goed en houdt ze wijd open om de veren te laten drogen. Als het water de huid nat maakt loopt een aalscholver de kans teveel af te koelen. Veel watervogels, zoals eenden, maken hun veren vettig om te voorkomen dat hun huid nat wordt. Aalscholvers maken hun veren minder vettig, waarschijnlijk zouden ze anders minder goed kunnen duiken.

Een aalscholver laat zijn veren drogen.

Leg uit dat een aalscholver met een natte huid de kans loopt te veel af te koelen.

Ecologie

13/14 Aalscholvers.

Bepaalde groeperingen geven de aalscholvers de schuld van de afname van de hoeveelheid vis in het IJsselmeer. Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij overweegt toe te staan om op aalscholvers te jagen.

Tekst:
Te veel aalscholvers

De gewone aalscholver is een beschermde soort. Dat wil zeggen dat er niet op aalscholvers gejaagd mag worden. Deze maatregel is genomen, omdat de aalscholvers in Nederland leken uit te sterven. Als gevolg van de bescherming zijn er nu weer veel aalscholvers. Zoveel zelfs dat de vissers aan het IJsselmeer bang zijn dat er door al die jagende aalscholvers te weinig vis voor hen zal overblijven. De vissers beweren zelfs dat de aalscholvers bijna alle aal (=paling) opeten.

Tekst:
Zijn er maatregelen nodig tegen de aalscholvers?

Bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij denkt men over maatregelen om het aantal aalscholvers te verminderen. Dat zou kunnen door de jacht op aalscholvers weer toe te laten, of door de eieren weg te halen uit de nesten.
De natuurbeschermers kijken daar anders tegen aan. Ze vinden het jammer dat de Nederlandse overheid dit overweegt. Het is officieel beleid om de natuur meer kansen te geven. Nu dit nadelen blijkt te hebben, willen de vissers dat er wordt ingegrepen. En dat is niet goed.
Volgens de natuurbeschermers vangen de vissers veel meer palingen dan de aalscholvers. Paling zou slechts 1 % van het menu van de aalscholvers uitmaken. Ze vinden dat men beter kan wachten met het nemen van maatregelen. De afgelopen jaren is het aantal nesten al verminderd, waardoor het aantal aalscholvers al wat is teruggelopen.

Zie volgende scherm

Ecologie

14/14 Aalscholvers.

Geef twee argumenten om de jacht op aalscholvers weer toe te staan.

Ecologie

1/3 Bunzingen in de Biesbosch.
Zie figuur B 1615 van de bijlage.

In de Biesbosch komen de laatste jaren steeds meer bunzingen voor (zie de afbeelding). Dit is het gevolg van beheer waarbij hout en takken in de bossen niet worden opgeruimd. De bunzingen zitten graag in hopen dood hout. Zij vinden daarin ondermeer nestgelegenheid.
Bunzingen eten muizen, hazen en konijnen. Door de houtbergen is de ruimte voor gras minder geworden. Toch is er nog wel ruimte over voor de grassen waar de muizen, hazen en konijnen van leven.

Welke van de volgende beweringen naar aanleiding van de tekst is of welke zijn juist?

1. Als dood hout en takken weer worden opgeruimd, zal het aantal konijnen toenemen.
2. De beschreven levensgemeenschap in de Biesbosch is in evenwicht als het aantal bunzingen gelijk is aan het totale aantal muizen, hazen en konijnen samen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Bunzingen in de Biesbosch.

Noteer het voedselnet van de in de tekst genoemde organismen.

Ecologie

3/3 Bunzingen in de Biesbosch.

Op grond van het type voedsel is bij zoogdieren vaak een uitspraak te doen over de lengte van het darmkanaal in verhouding tot de grootte van het lichaam. Het darmkanaal van een bunzing wordt vergeleken met dat van een mens.

Is het darmkanaal van een bunzing naar verhouding langer of korter dan dat van een mens of is er geen verschil?

Ecologie

1/2 Energie.
Zie figuur B 1547 van de bijlage.

In de afbeelding staat schematisch de energiestroom in een voedselketen weergegeven.
Het varken is in een bepaalde periode 1 kilogram zwaarder geworden. Het heeft in die periode nauwelijks ander voer dan graan gekregen.

Heeft het varken in die periode 1 kilogram graan gegeten, minder dan 1 kilogram of meer dan 1 kilogram?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Energie.
Zie figuur B 1547 van de bijlage.

Welk organisme uit afbeelding B 1547 kan of welke organismen kunnen door verbranding energie vrijmaken?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/7 Ganzen.
Zie figuur B 2250 van de bijlage.

’s Winters trekken grote groepen ganzen in Nederland rond. Veel boeren zien niet graag zo’n grote groep ganzen op hun weiland landen want ganzen eten veel gras. De overheid probeert in samenwerking met milieuorganisaties de ganzen te beschermen en tegelijk de schade voor de boeren zoveel mogelijk te beperken. In het voorjaar trekken de ganzen naar het hoge Noorden. Daar verspreiden zij zich over de onmetelijk grote vlaktes. Op de grond maken zij nesten. De jongen zijn in het begin nog hulpeloos en veel worden er slachtoffer van vossen en roofvogels. Vossen en roofvogels staan aan de top van de piramide van biomassa van de noordelijke vlaktes. In het najaar trekken alle ganzen, jong en oud, weer naar zuidelijker streken zoals Nederland en Frankrijk.

Noteer twee voedselketens van de organismen in het hoge Noorden. Gebruik in elke voedselketen minstens drie organismen behalve de mens.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/7 Ganzen.
Zie figuur B 2250 van de bijlage.

’s Winters trekken grote groepen ganzen (zie de afbeelding) Nederland rond. Veel boeren zien niet graag zo’n grote groep ganzen op hun weiland landen. Zij kunnen in korte tijd veel gras opeten. De overheid probeert in samenwerking met milieuorganisaties de ganzen te beschermen en tegelijk de schade voor de boeren zoveel mogelijk te beperken. In het voorjaar trekken de ganzen naar het hoge Noorden. Daar verspreiden zij zich over de onmetelijk grote vlaktes. Op de grond maken zij nesten. De jongen zijn in het begin nog hulpeloos en veel worden er slachtoffer van vossen en roofvogels. Vossen en roofvogels staan aan de top van de piramide van biomassa van de noordelijke vlaktes. Op de vlaktes leven ook veel kleine knaagdieren, waaronder lemmingen. Lemmingen eten net als ganzen van planten zoals gras. Ze worden in grote aantallen gevangen door vossen en roofvogels. In de jaren dat er veel lemmingen zijn, overleven veel jonge ganzen. In de jaren daarna zijn er minder lemmingen en neemt het aantal ganzen weer af. In het najaar trekken alle ganzen, jong en oud, weer naar zuidelijker streken zoals Nederland en Frankrijk.

Teken het voedselweb van de genoemde organismen op de vlaktes in het hoge Noorden. Neem de mens niet op in het voedselweb.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/7 Ganzen.

Hebben vossen in verhouding tot hun lichaamslengte een lang of een kort darmkanaal? Leg je antwoord uit.

Ecologie

4/7 Ganzen.

Zullen knaagdieren zoals lemmingen in verhouding tot hun lichaamslengte een lang darmkanaal hebben of een kort? Leg je antwoord uit.

Ecologie

5/7 Ganzen.

Het aantal ganzen dat kan leven in het hoge Noorden, wordt beperkt door abiotische factoren en door biotische factoren.

Geef een voorbeeld van zo'n abiotische factor die invloed heeft op het aantal ganzen.
Geef ook een voorbeeld van zo'n biotische factor. Doe het zo op je antwoordvak:

abiotische factor: .....................
biotische factor :.....................

Ecologie

6/7 Ganzen.

De bescherming van de ganzen in Nederland heeft invloed op het ecosysteem van de vlaktes in het hoge Noorden.

Geef een voorbeeld van de invloed die deze bescherming van de ganzen heeft op het ecosysteem van de vlaktes in het hoge Noorden.

Ecologie

7/7 Ganzen.

In de jaren dat er in het hoge Noorden veel lemmingen zijn, maken de jonge ganzen meer kans om te overleven.

Geef hiervoor een verklaring.

Ecologie

1/2 Veel herten in Schotland.

Gedurende de laatste twintig jaar is het aantal edelherten in Schotland verdubbeld. Door enkele opeenvolgende zachte winters waren de overlevingskansen van jonge hertjes aanmerkelijk groter. Daarbij komt dat er minder wordt gejaagd op herten, omdat de vraag naar hertenvlees van restaurants gedaald is. Dat alles samen heeft gezorgd voor het huidige 'overschot'. Op de vlaktes in Schotland zijn ook veel vrijgrazende schapen. Schapen en herten leven van grassen en andere planten die het daardoor zwaar te verduren krijgen. De organismen uit de tekst vormen een voedselnet.

Schrijf twee voedselketens uit dat voedselnet op.

Ecologie

2/2 Veel herten in Schotland.

In Schotland wordt minder gejaagd op herten dan vroeger. Daardoor kan op den duur het voedselaanbod voor de schapen minder worden.

Leg uit hoe het voedselaanbod voor de schapen minder wordt.

Ecologie

1/4 De korenwolf.
Zie figuur A 692 van de bijlage.

De Europese hamster of korenwolf is een familielid van de goudhamster, die veel als huisdier wordt gehouden. De korenwolf is ongeveer 20 cm lang. Hij komt nog voor op graanakkers in Zuid-Limburg. Het dier is een planteneter die vooral veel tarwe (koren) eet, vandaar zijn naam.
In de afbeelding is in een schema een aantal factoren weergegeven die van invloed zijn op een korenwolf.

Welke factoren in het schema van de afbeelding zijn biotisch?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 De korenwolf.
Zie figuur A 692 van de bijlage.

Noteer een voedselketen met drie schakels uit het schema van de afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 De korenwolf.
Zie figuur B 2862 van de bijlage.

In de afbeelding is een schedel van een korenwolf weergegeven.

Heeft een korenwolf knipkiezen, knobbelkiezen of plooikiezen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 De korenwolf.

In een ecosysteem met hamsters komen de volgende groepen organismen voor: consumenten, producenten en reducenten.

Tot welke van deze groepen behoort een vos?

Ecologie

1/2 Een levensgemeenschap in zoet water.
Zie figuur B 1987 van de bijlage.

In de afbeelding zijn schematisch enkele voedselrelaties weergegeven in een levensgemeenschap in zoet water.
Drie schakels, aangeduid met 1, 2 en 3, zijn niet ingevuld.
In het schema ontbreken plantaardig plankton, een snoek (een roofvis) en een waterkever (een in het water levend roofinsect).

Wat kan er op plaats 1 worden ingevuld?
Wat op plaats 2?
En wat op plaats 3?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Een levensgemeenschap in zoet water.
Zie figuur B 1987 van de bijlage.

De organismen in de afbeelding aangegeven met 1, 2 of 3 behoren elk tot een bepaalde schakel van het weergegeven voedselnet. De totale hoeveelheid energierijke stoffen van alle organismen in schakel 1 wordt vergeleken met die van schakel 2 en die van schakel 3.

In welke schakel zal de totale hoeveelheid energierijke stoffen het grootst zijn?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/2 Verminderde lozing van fosfaat.

Door het gebruik van fosfaatvrije wasmiddelen is de lozing van fosfaat op rivieren in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Daardoor stroomt er ook minder fosfaat de Noordzee in. Voor plankton is fosfaat in het zeewater een meststof. Plankton is voedsel voor schelpdieren en voor vissen zoals haring. Haringen worden op hun beurt gegeten door andere dieren, door kabeljauwen bijvoorbeeld. Overigens eten ook mensen haring, schelpdieren en kabeljauw. Er wordt erg veel op deze dieren gevist. Men houdt daarom rekening met een halvering van het aantal vissen en schelpdieren in de Noordzee. Om te voorkomen dat de Noordzee wordt leeggevist, bepleit men strenge vangstbeperkingen.

Noem een abiotische factor die in de tekst is genoemd en waardoor de populatie haringen in de Noordzee kan afnemen.

Ecologie

2/2 Verminderde lozing van fosfaat.

Teken een voedselweb met alle in de tekst genoemde groepen organismen. Geef de genoemde voedselrelaties weer met behulp van pijlen.

Ecologie

1/3 Mollen en ooievaars.
Zie figuur A 349 van de bijlage.

Ooievaars zijn mollenvangers bij uitstek (zie de afbeelding). Maar dat heeft zijn schaduwzijde. Een mol is eigenlijk als prooidier te groot voor een ooievaar. De klauwen van een ingeslikte mol kunnen wonden in de slokdarm van een ooievaar veroorzaken. Door verlaging van de waterstand is het aantal mollen in ons land flink toegenomen. Daardoor eten de ooievaars meer mollen dan vroeger en gaan er meer ooievaars dood door een beschadigde slokdarm. De mol is evenals de ooievaar een vleeseter.

In de tekst wordt een gedeelte van een voedselketen genoemd: ooievaar en mol.

Uit hoeveel schakels bestaat deze voedselketen minstens?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Mollen en ooievaars.

Wordt de toename van het aantal mollen veroorzaakt door een verandering in een abiotische factor of door een verandering in een biotische factor? Licht je antwoord toe.

Ecologie

3/3 Mollen en ooievaars.

De mol is een vleeseter.

Is op grond van dit gegeven te verwachten dat een mol knobbelkiezen heeft.
En plooikiezen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Plagen natuurlijk te lijf.
Zie figuur B 6808 van de bijlage.

Fruittelers gebruiken steeds meer de kennis over het leven van insekten en mijten die schade toebrengen aan hun fruit (1) om ze te bestrijden. Fruitspintmijten (2) bestrijden zij door het uitzetten van appelroofmijten (3) die de fruitspintmijten (2) opvreten.

Welke is de juiste volgorde waarin de genummerde organismen in de voedselketen moeten staan?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Plagen natuurlijk te lijf.

Is de appelroofmijt een producent, een consument of een reducent?

Ecologie

3/4 Plagen natuurlijk te lijf.

Geef de voedselketen waarvan de appelroofmijt deel uitmaakt.

Ecologie

4/4 Plagen natuurlijk te lijf.

Is een appelroofmijt een producent, een consument of een reducent? Verklaar je antwoord.

Ecologie

1/2 De Oosterscheldedam.

De Oosterschelde is een zeearm. Bij laag water zijn grote delen van de Oosterschelde droog gevallen. Op de grote zandige platen die dan zichtbaar zijn, krioelt het van de vogels die op zoek zijn naar wormen en schelpen in de bodem. Door de vloed worden de vogels verdreven en kunnen de talrijke wormen en schelpdieren de microscopisch kleine algen en diertjes vangen die in het zeewater rondzweven.
In de Oosterschelde is een waterdoorlatende dam gebouwd. Deze Oosterscheldedam gaat alleen met storm helemaal dicht. Door de dam verandert het waterpeil bij hoog en laag water minder dan vroeger. Daardoor is het deel dat bij laag water droogvalt kleiner geworden.

Geef de voedselketen van de in de tekst genoemde organismen.

Ecologie

2/2 De Oosterscheldedam.

Een bepaalde plaats in de Oosterschelde valt tegenwoordig nog maar zelden droog. Op die plaats zitten meer wormen in de bodem dan voor de komst van de dam.

Noem twee biotische factoren die verband houden met deze toename van het aantal wormen. Verklaar van elke factor de invloed op het aantal wormen.

Ecologie

1/2 De Oosterscheldedam.

De Oosterschelde is een zeearm. Bij laag water zijn grote delen van de Oosterschelde droog gevallen. Op de grote zandige platen die dan zichtbaar zijn, krioelt het van de vogels (1) die op zoek zijn naar wormen en schelpen (2) in de bodem. Door de vloed worden de vogels verdreven en kunnen de talrijke wormen en schelpdieren (2) de microscopisch kleine algen (4) en diertjes (3) vangen die in het zeewater rondzweven.

In welke volgorde staan de genummerde organismen in een voedselketen?

Ecologie

2/2 De Oosterscheldedam.

In de Oosterschelde is een waterdoorlatende dam gebouwd. De Oosterscheldedam gaat alleen met storm helemaal dicht. Door de dam verandert het waterpeil bij hoog en laag water minder dan vroeger. Daardoor is het deel dat bij laag water droogvalt kleiner geworden.
Een bepaalde plaats in de Oosterschelde valt tegenwoordig nog maar zelden droog. Op die plaats zitten meer wormen in de bodem dan voor de komst van de dam.

Welke twee biotische factoren houden verband met deze toename van het aantal wormen?
Welke invloed heeft elke factor op het aantal wormen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/8 Organismen in een rivier.
Zie figuur B 2554 van de bijlage.

Een groep onderzoekers bestudeerde de organismen in een bepaalde rivier. De organismen die in de rivier leven zijn schematisch weergegeven in de afbeelding. Muggenlarven eten onder andere algen.
De benoemde organismen in de afbeelding vormen een voedselketen.

Noteer deze voedselketen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/8 Organismen in een rivier.

De onderzoekers vingen de forellen en de libellenlarven uit de rivier.

Zal hierdoor het aantal muggenlarven in de rivier veranderen? Licht je antwoord toe.

Ecologie

3/8 Organismen in een rivier.

Wat zou het gevolg zijn voor het aantal algen, als men de libellenlarven en de regenboogforellen zou wegvangen uit de rivier? Licht je antwoord toe.

Ecologie

4/8 Organismen in een rivier.

De ademhaling van muggenlarven is te vergelijken met die van volwassen muggen.

Halen muggenlarven adem door middel van kieuwen?
En regenboogforellen?

Ecologie

5/8 Organismen in een rivier.

De regenboogforellen kunnen verdwijnen door giflozingen in de rivier. De overige organismen zijn ook gevoelig voor giflozingen, maar ze gaan toch niet zo snel dood als de regenboogforellen.

Geef een verklaring voor dit verschil.

Ecologie

6/8 Organismen in een rivier.
Zie figuur B 2554 van de bijlage.

De benoemde organismen in de rivier van de afbeelding vormen samen een voedselketen.
De totale massa van alle individuen per schakel in die voedselketen wordt een jaar lang regelmatig bepaald.

In welke schakel is de totale massa van alle individuen samen het grootst?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

7/8 Organismen in een rivier.
Zie de figuren B 3565 en B 2554 van de bijlage.

Van deze voedselketen kan een piramide van biomassa worden gemaakt (zie de afbeelding).

Welke organismen horen bij laag S in de afbeelding?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

8/8 Organismen in een rivier.

De onderzoekers aten tijdens het onderzoek veel regenboogforellen. Zij bakten de vissen in olie. Door twee voedingsmiddelen aan de maaltijden met de vis toe te voegen, voldeden de maaltijden aan de eisen van de maaltijdschijf.

Noem twee voedingsmiddelen die de onderzoekers hiervoor konden gebruiken.

Ecologie

1/4 Nederlandse slangen.
Zie figuur B 3591 van de bijlage.

In Nederland komen drie soorten slangen voor.
In de tabel hieronder zijn enkele kenmerken van deze slangen weergegeven.

afbeeldingafbeelding

In de afbeelding zijn drie slangen weergegeven.

Welk cijfer heeft de tekening van de adder? [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Nederlandse slangen.

De adder en de gladde slang kunnen in hetzelfde gebied voorkomen.

Geef hiervoor een reden. Gebruik de informatie van de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Nederlandse slangen.

De adder en de gladde slang komen vooral voor in bossen met open plekken.

Leg uit dat de ringslang in de buurt van water leeft. Gebruik de informatie van de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Nederlandse slangen.
Zie figuur A 834 van de bijlage.

In de afbeelding is een voedselweb weergegeven.

Welke Nederlandse slang hoort op plaats P afgebeeld te zijn? Gebruik de informatie van de tabel hieronder.

De [invulveld]

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/2 Een voedselketen.
Zie figuur B 2554 van de bijlage.

Een groep onderzoekers bestudeerde de organismen in een bepaalde rivier. De organismen die in de rivier leven zijn schematisch weergegeven in de figuur. Muggenlarven eten onder andere algen.

Welke voedselketen is de juiste?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Een voedselketen.
Zie de figuren B 3565 en B 2554 van de bijlage.

Van deze voedselketen kan een piramide van biomassa worden gemaakt (zie de afbeelding).

Welke organismen horen bij laag P in de afbeelding?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Voedselrelaties.
Zie figuur B 2158 van de bijlage.

In de afbeelding zijn voedselrelaties tussen een aantal organismen in zee weergegeven.

Geef de drie voedselketens die in de afbeelding zijn weergegeven.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Voedselrelaties.
Zie figuur B 2158 van de bijlage.

Welke van de in de afbeelding genoemde organismen zijn consumenten?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Voedselrelaties.

Wordt in dierlijk plankton rechtstreeks energie uit zonlicht vastgelegd?
En in plantaardig plankton?

Ecologie

4/4 Voedselrelaties.

Als gevolg van een verontreiniging van het milieu komen er bepaalde gifstoffen die niet afbreekbaar zijn, in het zeewater. Deze gifstoffen worden wel door organismen opgenomen, maar niet uitgescheiden. In één van de in de afbeelding genoemde groepen organismen is na verloop van tijd het gehalte aan gifstoffen groter dan in alle andere.

Zal het gehalte aan gifstoffen na verloop van tijd het hoogst zijn in het plantaardig plankton in de vissen, in de wormen of in de zeehonden? Geef een verklaring voor je antwoord.

Ecologie

1/3 De Waddenzee.
Zie figuur C 137 van de bijlage.

De afbeelding stelt een deel van het voedselweb van de Waddenzee voor.

Noem de groepen organismen uit het voedselweb, die volgens de afbeelding zowel plantaardig als dierlijk voedsel eten.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 De Waddenzee.
Zie figuur C 137 van de bijlage.

Uit hoeveel schakels bestaat de langste voedselketen van dit voedselweb?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 De Waddenzee.

In het water van de Waddenzee en in de organismen die daarin leven, komen gifstoffen voor. Sommige organismen uit het voedselweb in de Waddenzee worden door mensen gegeten. Daardoor krijgen mensen ook gif binnen.

Welke van de onderstaande organismen uit het voedselweb van afbeelding bevatten het meeste gif per 100 gram eetbaar gedeelte?

Ecologie

1/3 De Waddenzee.
Zie figuur C 138 van de bijlage.

De afbeelding stelt een deel van het voedselweb van de Waddenzee voor.

Noem de groepen organismen uit het voedselweb, die volgens de afbeelding zowel plantaardig als dierlijk voedsel eten.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 De Waddenzee.
Zie figuur C 138 van de bijlage.

Uit hoeveel schakels bestaat de langste voedselketen van dit voedselweb?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 De Waddenzee.

In het water van de Waddenzee en in de organismen die daarin leven, komen gifstoffen voor. Sommige organismen uit het voedselweb in de Waddenzee worden door mensen gegeten. Daardoor krijgen mensen ook gif binnen.

Welke van de onderstaande organismen uit het voedselweb van de afbeelding bevatten het meeste gif per 100 gram eetbaar gedeelte?

Ecologie

1/2 Organismen in de zee.
Zie figuur B 4457 van de bijlage.

In de afbeelding is een voedselweb weergegeven. Behalve de mens leven de genoemde organismen in zee.

Noteer de langste voedselketen uit dit voedselweb waarin de worm voorkomt.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Organismen in de zee.
Zie de figuren C 379 en B 4458 van de bijlage.

In de afbeelding is een zoekkaart voor rondvissen weergegeven.

Zie figuur B 4458 van de bijlage.

In de afbeelding is een rondvis weergegeven uit het voedselweb.

Bepaal de naam van deze vis met behulp van de zoekkaart. Noteer de cijfers van de stappen die je neemt en de naam van de vis.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 Vlaamse gaai.
Zie figuur B 4588 van de bijlage.

Vlaamse gaaien zijn van oorsprong echte bosvogels. In het voorjaar voeden ze hun jongen vooral met insecten.
Dit kunnen bijvoorbeeld rupsen zijn die van eikenbladeren leven. In het najaar schakelen Vlaamse gaaien over op plantaardig voedsel. Vooral de zaden (eikels) van eikenbomen eten ze graag. De vogel verstopt de eikels op verschillende plaatsen in het bos. In de winter weet hij niet alle plaatsen terug te vinden.

In de tekst worden de namen van drie organismen genoemd.

Wat is de volledige voedselketen, waarvan deze organismen volgens de tekst deel uitmaken?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Vlaamse gaai.

Is de Vlaamse gaai een consument, een producent of een reducent?

Ecologie

3/3 Vlaamse gaai.

De Vlaamse gaai vindt niet alle verstopte zaden van de eik terug.

Welk voordeel heeft dit voor de eikenboom?

Ecologie

1/2 Een zee-olifant.
Zie figuur B 4603 van de bijlage.

Zee-olifanten zijn grote zeeroofdieren.
Ze worden zo genoemd omdat ze zo groot zijn èn omdat de mannetjes een slurfachtige neus hebben.
Zee-olifanten eten vooral inktvis.
Inktvissen - op hun beurt - eten garnalen die van plantaardig plankton leven.

Welke voedselketen wordt hierboven beschreven?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Een zee-olifant.

Welk soort kiezen heeft een zee-olifant?

Ecologie

1/4 Jachtluipaarden.

In een boek staat het volgende:
"Een antilope staat rustig gras te eten. Een jachtluipaard rent naar de antilope. Als hij de antilope gevangen heeft, eet hij hem op."

Welke voedselketen wordt in de informatie beschreven?

Ecologie

Ooievaar.
Zie figuur B 6935 van de bijlage.

Ooievaars kunnen een mol vastgrijpen en doorslikken. Dat is niet zonder gevaar. De slokdarm kan door de scherpe graafklauwen van de mol beschadigd worden.
Een mol (zie afbeelding) graaft met die klauwen door de grond en vangt regenwormen als voedsel. Regenwormen eten veel resten van planten, zoals bladeren.
Met de vier organismen uit de tekst kan een voedselketen van vier schakels gevormd worden.

Schrijf deze voedselketen op.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/2 De dingo.
Zie figuur B 6847 van de bijlage.

Dingo's zijn honden die in Australië in het wild leven.
Ze kunnen ongeveer 20 kg zwaar worden.
Dingo's leven meestal in groepen. Zo'n groep dingo's jaagt samen op andere dieren. Zo kunnen ze bijvoorbeeld gemakkelijk een kleine kangoeroe vangen.
In de afbeelding zie je een foto van een dingo. Ook is een schedel van een dingo te zien.

Is de dingo een consument, een producent of een reducent?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 De dingo.

In een boek staat:
Soms hebben boeren in Australië last van dingo's.
Bijvoorbeeld als een schaap, dat rustig gras eet, wordt aangevallen.
Als een groep dingo's een schaap grijpt, is er al gauw weinig van zo'n dier over.

Welke voedselketen wordt hier beschreven?

Ecologie

De grote brandnetel.

Vlinders, zoals de kleine vos, fladderen in het voorjaar en in de zomer tussen de brandnetels rond. De zwart-geel gestreepte rupsen van de kleine vos voeden zich met de bladeren van de brandnetel.
Ook sluipwespen houden zich in de buurt van brandnetels op. De vrouwtjes van de sluipwespen zijn op zoek naar rupsen van de kleine vos, waarin zij eitjes leggen. De larven die uit die eitjes komen, voeden zich met het inwendige van die rups.

In de tekst wordt een aantal organismen genoemd die samen een voedselketen zijn.

Schrijf de namen van deze organismen op en geef met pijlen de voedselketen aan.