Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 10

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Sap van esdoorn.

In Canada wordt een soort wijn gemaakt uit het sap van de esdoornsoort Acer saccharinum. Als men in februari of maart, voordat de bladeren verschijnen, de stam aanboort tot in het hout, loopt er sap uit de boorgaten. En als men zijtakken afzaagt, komt er uit het zaagvlak van de stomp die nog aan de boom zit, sap uit het hout te voorschijn. Het kan worden opgevangen. Als men er "wijn" van wil maken, hoeft men alleen gisten toe te voegen.
Over dit sap worden de volgende beweringen gedaan:

1. het sap bevat organische stoffen,
2. het sap wordt vooral door bastvaten vervoerd,
3. de worteldruk stuwt het sap omhoog.

Welke van deze beweringen kan (kunnen) juist zijn?

Plantenfysiologie

Experiment met geranium.

Bij een experiment met een geranium wordt de bodemtemperatuur kunstmatig omlaag gebracht tot ongeveer 4°C. Dit gebeurt op een zomerse dag. Door de daling van de bodemtemperatuur neemt het transport van water en zouten in de houtvaten van de plant af.

Op welke van de volgende factoren heeft de daling van de bodemtemperatuur waarschijnlijk het meeste effect?

Plantenfysiologie

Vaatbundel in zonnebloemplant.
Zie figuur B 541 van de bijlage.

De tekening stelt een deel voor van een vaatbundel in een stengel van een zonnebloemplant.

Wat is de voornaamste functie van het gedeelte dat met R is aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Transport door stengel van witte anjer.
Zie figuur A 196 van de bijlage.

Een vers afgesneden witte anjer wordt in een glas met leidingwater gezet (zie tekening 1). Aan het water wordt een blauwe kleurstof toegevoegd. Het water wordt daarna met een laagje olie van de lucht afgesloten. Na een aantal uren zijn in de witte bloembladeren blauwgekleurde lijnen zichtbaar. Het vloeistofniveau in het glas is een beetje gedaald. Ter hoogte van P wordt vervolgens een dwarsdoorsnede gemaakt. Microscopisch onderzoek wijst uit dat de blauwgekleurde oplossing zich vooral bevindt in weefsel dat in tekening 2 met Q is aangegeven.
Over deze verschijnselen worden drie uitspraken gedaan:

1. tijdens dit experiment vindt in de bloembladeren verdamping plaats;
2. de blauwgekleurde vloeistof bevindt zich in de bloem in elk geval in de vaatbundels: de blauw gekleurde lijnen;
3. de blauw gekleurde vloeistof wordt vooral door de bastvaten getransporteerd.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn waarschijnlijk juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Langer plezier van nieuwe rozen.
Zie figuur B 2400 van de bijlage.

Als bloemen na het plukken een tijdlang niet in het water staan en daarna zonder meer in het water worden gezet, is het transport van water door de stengel vaak niet meer mogelijk. Nadat onder water een stukje van de onderkant van de stengel is afgesneden, is watertransport weer mogelijk.

Welke factor vooral maakt het transport van water door de stengels mogelijk, als de bloemen na het afsnijden in de vaas staan?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Transport van stoffen.

Vier voorbeelden van transport van stoffen in organismen zijn:

1. transport van uit de bodem opgenomen water naar het cytoplasma in opperhuidcellen van de wortel van een plant,
2. transport van uit de bodem opgenomen water en zouten via de celwanden van de opperhuidcellen en van de schorscellen tot aan de cellen van de endodermis van de wortel van een plant,
3. transport van zuurstof uit de lucht in de longen naar het bloedplasma van een longhaarvat bij de mens,
4. transport van glucose uit de darminhoud naar het cytoplasma in dekweefselcellen van de dunne darm bij de mens.

In welk of in welke van deze voorbeelden is er sprake van actief transport?

Plantenfysiologie

Transport in anjer.

Een afgesneden stengel met bladeren en met witte bloemen van een anjerplant wordt in water met een rode kleurstof gezet. Na enige tijd zijn de kroonbladeren van de bloemen rood geaderd.

Delen van de stengel zijn: bastvaten, houtvaten en intercellulaire holten.

Is de kleurstof in de kroonbladeren terechtgekomen via bastvaten, houtvaten en/of intercellulaire holten?

Plantenfysiologie

Wortelharen.

Welke van de hieronder genoemde stoffen wordt in belangrijke mate aan de bodem afgegeven door de levende wortelharen van een snel groeiende graanplant?

Plantenfysiologie

Zonnedauw.
Zie figuur B 1617 van de bijlage.

Zonnedauw is een plant met bladgroen die in staat is om kleine insecten te vangen en te verteren.

Welke stoffen uit de gevangen insecten zijn vooral belangrijk voor deze plant?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Watercultuur.

Een maïsplant wordt vanuit een watercultuur met een complete voedingsoplossing geplaatst in een watercultuur, waarin het element koolstof ontbreekt.

Heeft het ontbreken van koolstof in de voedingsoplossing gevolgen voor de productie van vetten en/of eiwitten bij deze plant?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Eiwitgehalte van plant.

De hoeveelheid van een bepaald element kan als maat dienen voor het eiwitgehalte van een plant.

Welk element is hiervoor het meest geschikt?

Plantenfysiologie

Toedienen van radioactief CO2 aan plant.

Een groene plant wordt geplaatst in een verlichte ruimte waarin zich CO2 met radioactieve C-atomen bevindt. Enige dagen later blijkt de plant te zijn gegroeid.

In welke van de volgende stoffen in deze plant kunnen dan radioactieve C-atomen worden aangetroffen?

1. glucose,
2. cellulose,
3. vetten,
4. eiwitten.

Plantenfysiologie

Synthese van eiwitten door plant.

Planten vormen eiwitten.

Welke stoffen worden door een madeliefje uit het milieu opgenomen en gebruikt voor de vorming van eiwitten?

Plantenfysiologie

Vorming van aminozuren autotrofe plant.

Welke stof die noodzakelijk is of welke stoffen die noodzakelijk zijn voor de vorming van aminozuren neemt een autotrofe plant uit het milieu op?

Plantenfysiologie

Experiment met maïsplanten.
Zie figuur B 1116 van de bijlage.

Een onderzoeker wil de invloed van een bepaalde stof S op de groei van maïsplanten bestuderen. Hij maakt vijf voedingsoplossingen met de volgende samenstellingen:

1. alleen gedestilleerd water,
2. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten,
3. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en y mg van de stof S,
4. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 2y mg van de stof S,
5. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 3y mg van de stof S.

In elke oplossing laat hij evenveel maïsplanten groeien. De maïsplanten zijn even oud. De resultaten zijn te zien in de afbeelding.

Welke resultaten moet hij met elkaar vergelijken om een betrouwbare conclusie te kunnen trekken over de invloed van stof S op de groei van maïsplanten?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Groeiplaats van brandnetels.

Brandnetels groeien dikwijls goed op plaatsen waar katten en honden plassen. De bodem wordt namelijk door de urine verrijkt met bepaalde verbindingen. In deze verbindingen komt een element voor dat de groei van brandnetels sterk bevordert.

Welk van de volgende elementen is dat?

Plantenfysiologie

Zouten in een plant.

Zaadplanten die op het land groeien, nemen met hun wortels zouten uit de bodem op.
Over de rol die deze zouten in de plant spelen, worden drie uitspraken gedaan:

1. door de aanwezigheid van voldoende zouten in de wortelcellen kunnen deze cellen door middel van osmose water opnemen;
2. sommige zouten worden gebruikt als grondstof voor het vormen van koolhydraten;
3. sommige zouten worden gebruikt als grondstof voor het vormen van aminozuren.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

Plantenfysiologie

Zoutopname bij planten.

Bij een landplant met bladgroen nemen de totale hoeveelheden eiwitten, koolhydraten en vetten tijdens de groei toe.

Welke van de volgende deeltjes neemt de plant hiervoor uit zijn milieu op: koolstofdioxidemoleculen, watermoleculen, nitraationen?

Plantenfysiologie

Droge stof in aardappel.

Een aardappel bestaat uit water en droge stof.

Het grootste deel van deze droge stof is afkomstig van

Plantenfysiologie

Stikstof in plant.

Alle planten hebben een hoeveelheid stikstof nodig.

Deze stikstof wordt door de meeste planten verkregen