Oefentoets Biologie: Spijsvertering | VWO 1/VWO 2/VWO 3 | variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

Spijsvertering.

Wat wordt met de voedseldeeltjes gedaan bij vertering door enzymen?
Wat is het effect van kauwen op deze voedseldeeltjes?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

Klieren in het lichaam van de mens produceren onder andere alvleessap, gal en insuline.

Welke van deze stoffen is of welke zijn werkzaam in het spijsverteringskanaal?

Spijsvertering

Zetmeelvertering.

Een zetmeelbevattende voedingsbodem in een petrischaal is met een jodiumoplossing blauw gekleurd.
Op deze voedingsbodem bevindt zich:

- op plaats 1 een druppel speeksel van een mens,
- op plaats 2 een stukje speekselklier van een varken,
- op plaats 3 een stukje maagwand van een varken,
- op plaats 4 een stukje alvleesklier van een varken.

Op drie van de vier plaatsen verdwijnt de blauwe kleur.

Op welke plaats zal de blauwe kleur zichtbaar blijven?

Spijsvertering

Aantonen van koolhydraten en eiwitten.

In het spijsverteringsstelsel van de mens ontstaat maltose (een koolhydraat) bij de vertering van zetmeel.
Sommige voedselbestanddelen zijn met behulp van indicatoren aan te tonen.
In tabel 1 worden drie indicatoren genoemd met de daarbij optredende reacties met maltose, zetmeel, glycogeen en eiwitten.
afbeeldingafbeelding
Een hoeveelheid voedsel van onbekende samenstelling wordt getest op de aanwezigheid van maltose, zetmeel, glycogeen en eiwitten.
Dat voedsel wordt tevens behandeld met een onbekend mengsel enzymen. Na drie uur worden de omzettingen beëindigd.
De dan aanwezige stoffen worden getest met de drie indicatoren.
De resultaten van deze twee series proeven staan in tabel 2.
afbeeldingafbeelding
Over de resultaten in tabel 2 worden drie beweringen gedaan:

1. Door het mengsel van enzymen zijn alle eiwitten in het voedsel omgezet.
2. Door het mengsel van enzymen is al het zetmeel en glycogeen in het voedsel omgezet.
3. Door het mengsel van enzymen zijn zowel alle eiwitten als al het zetmeel en glycogeen in het voedsel omgezet.

Welke van deze beweringen is juist?




-

Spijsvertering

Organen mens.

Welke organen dienen voor de opname van brandstoffen en welke voor de afgifte van onverteerbare stoffen?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Twee beweringen.

I. De mens heeft aan iedere kant van het gezicht 6 speekselklieren.
II. Vetvertering vindt onder andere in de alvleesklier plaats.

Spijsvertering

Slikken.
Zie figuur B 928 van de bijlage.

De tekening stelt voor een doorsnede van een deel van het hoofd van de mens.

Wat wordt door orgaan S bij het slikken afgesloten?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Peristaltische bewegingen.
Zie figuur B 928 van de bijlage.

De tekening stelt voor een doorsnede van een deel van het hoofd van de mens.

Komen peristaltische bewegingen voor in de wand van R?
En in de wand van U?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

Vier organen van de mens spelen een rol bij de spijsvertering: de alvleesklier, de dunne darm, de lever en de slokdarm.

Welke van deze organen produceren spijsverteringsenzymen?

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur B 833 van de bijlage.

De tekening geeft de ligging van enkele organen in het lichaam van de mens weer.
Het middenrif is niet getekend.

Worden in orgaan R bacteriën gedood?
Komen in orgaan S bacteriën voor?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

Anna eet een boterham met een gebakken ei.
Hieronder volgt een tweetal beweringen over de spijsvertering van Anna.

I. In Anna's mond begint de vertering van zetmeel uit de boterham.
II. Haar slokdarm transporteert het voedsel door middel van peristaltische bewegingen naar de maag.

Spijsvertering

Beweringen.

Enkele beweringen over de wand van de maag en de wand van de dunne darm van de mens zijn:

1. de wand van beide organen bevat spieren,
2. de wand van beide organen bevat bloedvaten,
3. de wand van beide organen bevat darmvlokken,
4. de wand van beide organen bevat kliercellen die zoutzuur afscheiden.

Welke beweringen zijn juist?

Spijsvertering

Organen mens.

Enkele organen van de mens zijn: de alvleesklier, de galblaas, een nier en de urineblaas.

Van deze organen staan er twee via een afvoerbuis in verbinding met de twaalfvingerige darm.

Welke twee zijn dat?

Spijsvertering

Spijsvertering.

Enkele delen van het spijsverteringsstelsel van de mens zijn: de slokdarm, de maag, de dunne darm en de dikke darm.

In de wand van welk deel komen zowel bloedvaten, vlokken, enzymproducerende cellen als spiervezels voor?

Spijsvertering

Dikke darm.

In de dikke darm heeft

Spijsvertering

Vitamine K.

Op welke manier komt de mens aan vitamine K?

Spijsvertering

Twee beweringen.

I. De darmflora dikt de uitwerpselen verder in.
II. De dikke-darmklieren verteren het voedsel verder.

Spijsvertering

Beweringen.

Vier beweringen over de dikke darm in het lichaam van de mens zijn:

1. in de dikke darm begint het emulgeren van vetten.
2. in de dikke darm begint het verteren van koolhydraten.
3. door de wand van de dikke darm wordt water in het bloed opgenomen.
4. door de wand van de dikke darm worden spijsverteringsenzymen gevormd.

Welke van deze beweringen is juist?

Spijsvertering

Processen betrokken bij spijsvertering.

Hieronder worden enkele processen genoemd, die een rol spelen bij de spijsvertering van de mens.

1. Productie van spijsverteringsenzymen door de darmwandklieren.
2. Opname van voedingsstoffen in het bloed.
3. Opname van water uit de darminhoud.
4. Afbraak van plantenresten door bacteriën.

Welke van deze processen kunnen plaatshebben in de dikke darm?

Spijsvertering

Spijsvertering.

Voor een bepaald deel van het darmkanaal van de mens geldt:

1. er worden door bacteriën enzymen aan het voedsel toegevoegd.
2. er wordt water aan het voedsel onttrokken.
3. er bevinden zich in de wand geen spijsverteringsklieren.

Op welk deel van het darmkanaal is dit van toepassing?