Oefentoets Biologie: Ademhaling | Gaswisseling | VMBO theoretische leerweg, 4

Deze oefentoets bevat 32 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

32

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ademhaling

2/3 Gaswisseling.

Bij welk type of welke typen ademhalingsorganen vervult het bloed een belangrijke functie bij het transport van gassen tussen het ademhalingsorgaan en de cellen?

Ademhaling

3/3 Gaswisseling.
Zie figuur B 2043 van de bijlage.

De afbeelding is een schema waarin de pijlen gaswisseling bij een organisme voorstellen.

Kan dit een organisme zijn met huidmondjes?
En een organisme met longen?
En een organisme met tracheeën?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

1/2 Gaswisseling.

Bij allerlei processen in organismen worden gassen verbruikt en komen gassen vrij. Het opnemen en afstaan van deze gassen wordt gaswisseling genoemd.
Wanneer men de inwendige bouw van de longen van de mens bekijkt, valt het op dat er vele in- en uitstulpingen en vertakkingen zijn.

Hierover worden drie uitspraken gedaan:

1. Zonder deze in- en uitstulpingen en vertakkingen zou de borstholte kleiner zijn.
2. Zonder deze in- en uitstulpingen en vertakkingen zou de longinhoud kleiner zijn.
3. Zonder deze in- en uitstulpingen en vertakkingen zou het longoppervlak kleiner zijn.

Welke uitspraak is juist?

Ademhaling

2/2 Gaswisseling.

De luchtwegen van de mens bestaan onder andere uit bronchiën, longblaasjes en luchtpijp.

Waar in de luchtwegen vindt de uitwisseling van gassen tussen bloed en lucht plaats?

Ademhaling

1/3 Longblaasjes.
Zie figuur B 2258 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch longblaasjes weer met omringende bloedvaten. De pijlen 1 en 2 geven de stroomrichting van het bloed in een bloedvat aan; pijl P de stroomrichting van de lucht. Tussen de lucht in de longblaasjes en het bloed in de haarvaten worden gassen uitgewisseld.
Lucht bevat onder andere koolstofdioxide, stikstof en zuurstof.

Welk van deze gassen stroomt in de richting van pijl P de longblaasjes in?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

2/3 Longblaasjes.

Wanneer is het zuurstofgehalte van de lucht in een longblaasje het hoogst?

Ademhaling

3/3 Longblaasjes.

Is het koolstofdioxidegehalte van het bloed in het bloedvat bij pijl 1 lager dan, gelijk aan of hoger dan dat in het bloedvat bij pijl 2?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

2/4 Ademhalen.
Zie figuur B 1876 van de bijlage.

Is buis 2 verstevigd met kraakbeen?
En buis 3?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

3/4 Ademhalen.
Zie figuur B 1876 van de bijlage.

Komen trilhaarcellen voor in buis 2?
En in buis 3?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

4/4 Ademhalen.
Zie figuur B 1876 van de bijlage.

Waar is het CO2 -gehalte van de lucht het hoogst: bij 1, bij 3 of bij 4?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Uitademlucht.

De door de mens uitgeademde lucht bevat onder andere zuurstof, stikstof en kooldioxide.

De juiste percentages van de uitgeademde gassen zijn gewoonlijk

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Longblaasjes en bloed.
Zie figuur B 1943 van de bijlage.

In lucht is het gehalte koolstofdioxide veel lager dan het zuurstofgehalte. In het bloed van de mens is dit omgekeerd.
De afbeelding geeft enkele longblaasjes van de mens weer met daarbij behorende bloedvaten. De pijlen geven de stroomrichting van het bloed aan. Op plaats P en plaats Q worden het zuurstof- en het koolstofdioxidegehalte van het bloed gemeten.

Zie figuur B 1944 van de bijlage.

In welk van afgebeelde diagrammen in figuur B 1944 kunnen de resultaten van deze metingen juist zijn weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ademhaling

Lucht.

Bij een onderzoek bepaalt men de samenstelling van de lucht die een proefpersoon in- en uitademt. Van de lucht die de proefpersoon inademt, is de volgende samenstelling gemeten:

79% stikstof,
21 % zuurstof,
0,04% koolstofdioxide.

Wat kan de samenstelling zijn van de lucht die de proefpersoon uitademt?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

In- en uitademlucht.

Als men bij de mens de samenstelling van de in- en uitgeademde lucht met elkaar vergelijkt, blijkt onder andere dat de uitgeademde lucht bevat

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

In- en uitademlucht.

Hieronder volgen vier beweringen over de samenstelling van de in- en uitgeademde lucht bij de mens.

1. De ingeademde lucht bevat zuurstof;
2. De ingeademde lucht bevat koolstofdioxide;
3. De uitgeademde lucht bevat zuurstof;
4. De uitgeademde lucht bevat koolstofdioxide.

Welke van deze beweringen zijn juist?

Ademhaling

Longblaasjes en bloed.
Zie figuur B 3506 van de bijlage.

In de afbeelding zijn een longblaasje en een longhaarvat schematisch getekend. De pijlen geven de stroomrichting weer van lucht of van bloed.

Twee beweringen naar aanleiding van deze afbeelding zijn:

1. De luchtstroom met de meeste zuurstof wordt aangegeven met pijl R.
2. Bij S bevat het bloed meer zuurstof dan bij P.

Welke van deze beweringen is (zijn) juist?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

In- en uiutademlucht.

Het percentage stikstof in ingeademde lucht wordt vergeleken met het percentage stikstof in uitgeademde lucht.

Welke van de volgende beweringen hierover is juist?

Ademhaling

Gaswissling.

In de ademhalingsorganen is de gaswisseling onder andere afhankelijk van de volgende factoren:

a. de grootte van het longoppervlak
b. het aantal ademhalingsbewegingen
c. de dikte van de longblaasjeswand

Een toename van één of meer van deze factoren bevordert de gaswisseling.

Welke?

Ademhaling

Longen en spieren.
Zie figuur B 958 van de bijlage.

De pijlen in de tekeningen geven de gaswisseling aan in een longblaasje en in een spiervezel.

Welke pijl bij het longblaasje geeft de richting aan waarin de meeste zuurstof verplaatst wordt en welke bij de spiervezel?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Een orgaan.
Zie figuur B 812 van de bijlage.

De tekening stelt schematisch een orgaan in het lichaam van de mens voor met een aanvoerend en een afvoerend bloedvat.

Welk orgaan is dat?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Diffusie van zuurstof.

De snelheid waarmee een organisme zuurstof in het bloed opneemt, is onder meer afhankelijk van de grootte van het oppervlak waar de zuurstof doorheen diffundeert.

Bij gewervelde dieren is dit oppervlak groot door de aanwezigheid van

Ademhaling

Gaswisseling.

Waardoor kan in de longen van een mens de gaswisseling snel plaatsvinden?

Ademhaling

In- en uitademing.

De hoeveelheid waterdamp in ingeademde lucht wordt vergeleken met de hoeveelheid waterdamp in uitgeademde lucht.

Welke van de volgende beweringen hierover is juist?

Ademhaling

Longblaasjes en bloed.
Zie figuur B 3489 van de bijlage.

In lucht is het gehalte aan koolstofdioxide veel lager dan het gehalte aan zuurstof. In het bloed van de mens is dit omgekeerd.
In de afbeelding zijn enkele longblaasjes en longhaarvaten van de mens getekend. De pijlen geven de stroomrichting van het bloed aan. Op de plaatsen P en Q worden het zuurstof en het koolstofdioxidegehalte van het bloed gemeten.

Zie figuur B 3490 van de bijlage.

In welk diagram van de afbeelding kunnen de resultaten van deze metingen juist zijn weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ademhaling

1/2 Uitademing meten.
Zie figuur B 4417 van de bijlage.

Bij een onderzoek naar de conditie van een aantal leerlingen wordt gemeten hoeveel lucht ze kunnen uitademen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een spirometer.

Zie figuur B 4418 van de bijlage.

Het diagram geeft de hoeveelheid lucht in de longen van Thomas weer gedurende een bepaalde tijd. In die tijd ademt hij eenmaal zo diep mogelijk uit door de spirometer.

Welke letter in het diagram geeft een tijdstip aan waarop Thomas zo diep mogelijk uitademt?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ademhaling

2/2 Uitademing meten.

De samenstelling van de uitgeademde lucht wordt vergeleken met die van de ingeademde lucht.

Bevat de uitgeademde lucht meer of minder koolstofdioxide dan de ingeademde lucht, of is dat evenveel?

Ademhaling

1/3 Tracheotomie.
Zie figuur A 968 van de bijlage.

Een tracheotomie is een operatie waarbij een opening in de voorkant van de luchtpijp wordt gemaakt. Dit gebeurt door een snee te maken in de huid van de hals tussen het strottenhoofd en het borstbeen. Door de opening wordt, meestal tijdelijk, een buisje aangebracht tot in de luchtpijp, een zogenaamde canule (zie de afbeelding).
Een tracheotomie wordt uitgevoerd bij iemand die door een vernauwing in de luchtpijp bijna niet meer kan ademhalen. Na de operatie kan de patiënt door de canule in- en uitademen.
Twee groepen spieren die betrokken zijn bij de ademhaling zijn de buikspieren en de middenrifspieren.

Stroomt er lucht via de canule de luchtpijp binnen door het samentrekken van deze spieren?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

2/3 Tracheotomie.

Soms kan een patiënt na een tracheotomie niet goed zelf eten. Er wordt dan vloeibare voeding toegediend door een slangetje via de neus en de slokdarm.

Welke letter in de afbeelding geeft een plaats aan waar zo'n slangetje zich dan bevindt?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

3/3 Tracheotomie.

Na het aanbrengen van een canule kan een patiënt niet meer goed spreken.

Leg uit waardoor iemand die ademhaalt door zo'n buisje niet meer goed kan spreken.

Ademhaling

1/2 Gaswisseling.

Bij allerlei processen in organismen worden gassen verbruikt en komen gassen vrij. Het opnemen en afstaan van deze gassen wordt gaswisseling genoemd.
Wanneer men de inwendige bouw van de longen van de mens bekijkt, valt het op dat er vele in- en uitstulpingen en vertakkingen zijn.
Hierover worden drie uitspraken gedaan.

1. Zonder deze in- en uitstulpingen en vertakkingen zou de borstholte kleiner zijn.
2. Zonder deze in- en uitstulpingen en vertakkingen zou de longinhoud kleiner zijn.
3. Zonder deze in- en uitstulpingen en vertakkingen zou het longoppervlak kleiner zijn.

Welke uitspraak is juist?

Ademhaling

2/2 Gaswisseling.

De luchtwegen van de mens bestaan onder andere uit bronchiën, longblaasjes en luchtpijp.

Waar in de luchtwegen vindt de uitwisseling van gassen tussen bloed en lucht plaats?

Ademhaling

Bedreigd door de kou.

Men heeft na een speurtocht een persoon onder de sneeuw gevonden. Door een spleet in de sneeuw kan men met het slachtoffer spreken en hem gerust stellen. Het kost nog wel enige tijd voor het slachtoffer uit de sneeuw is vrijgemaakt. Doordat de ruimte om te bewegen klein is, is de ademfrequentie van het slachtoffer gedaald.

Leg in twee stappen uit waardoor de ademfrequentie is gedaald bij het slachtoffer.